beslissing RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Wrakingskamer Datum beslissing: 2 mei 2018 Zaaknummer: C 03/246405 / HA RK 18-32 Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken in de zaak van [verzoeker] wonende te [woonplaats verzoeker] , verzoeker, indiener van een verzoek dat strekt tot wraking van: mr. E.P.J. Rutten, rechter in de rechtbank Limburg (hierna ook te noemen: de rechter). 1Het procesverloop Verzoekers beroepszaken zijn ter zitting op 25 januari 2018 door de rechter behandeld. Bij brieven van 9 februari (met betrekking tot de beroepszaken 17/1046, 17/1047 en 17/1162) en 16 februari 2018 in concept (met betrekking tot de beroepszaak 17/2971) heeft verzoeker een verzoek tot wraking ingediend van de rechter. Bij brief van 21 februari 2018 heeft verzoeker zijn volledige verzoek tot wraking ingediend. De rechter heeft niet in dat verzoek tot wraking berust en heeft op 21 februari 2018 schriftelijk gereageerd op het verzoek. Verzoeker heeft daarop bij brief van 10 maart 2018 zijn reactie kenbaar gemaakt. Op 26 maart 2018 heeft de rechter nog aanvullend gereageerd. De behandeling van het verzoek heeft ter zitting van de wrakingskamer plaatsgevonden op 19 april 2018, waar verzoeker is verschenen. De rechter is niet ter zitting verschenen. De wrakingskamer heeft de datum van de uitspraak bepaald op heden. 2Standpunt verzoeker Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de rechter ter zitting opmerkingen heeft gemaakt die hij als ongepast, intimiderend en vooringenomen heeft ervaren. Hij heeft interrupties door de rechter en door wederpartijen zo ervaren dat hij onvoldoende gelegenheid heeft gehad zijn standpunten over het voetlicht te brengen. Verder is verzoeker van mening dat de rechter ter zitting ten onrechte verweerschriften heeft geaccepteerd die volgens verzoeker te laat zijn ingediend en om die reden buiten beschouwing hadden moeten blijven. Verder heeft de rechter ter zitting ten onrechte gesteld dat de rechtbank niet om verweerschriften heeft gevraagd. Tot slot heeft verzoeker aangevoerd dat de rechter door het accepteren van die verweerschriften, waarin verzoeker wordt beticht van misbruik van procesrecht, een vermoeden van partijdigheid bij verzoeker heeft gewekt, terwijl verzoeker onvoldoende gelegenheid heeft gehad om de context van zijn verzoeken in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur te schetsen. 3Standpunt rechter De rechter heeft betoogd dat het verzoek tot wraking niet onmiddellijk is gedaan toen verzoeker met de feiten en omstandigheden bekend was die hem tot het verzoek hebben geleid. Het verzoek is immers ruim veertien dagen, en voor zover het betreft de uitbreiding naar de zaak met zaaknummer 17/2971 ruim drie weken, na de zitting ingediend, terwijl op grond van de wet een verzoek tot wraking dient te worden gedaan zodra feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. De rechter heeft voorts de gemaakte opmerkingen in een ander daglicht geplaatst en betoogd dat (ook) verzoeker telkens ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om gedurende de ongeveer 2,5 uur durende zitting zijn standpunten naar voren te brengen. Met betrekking tot het accepteren van de verweerschriften heeft de rechter verklaard dat dit een procesbeslissing is die niet kan leiden tot een succesvolle wraking. 4De beoordeling In artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is bepaald dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. In artikel 8:16, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Uit de motivering van zijn verzoek tot wraking volgt dat verzoeker daaraan in essentie uitlatingen en procesbeslissingen van de rechter tijdens de zitting van 25 januari 2018 ten grondslag heeft gelegd. Dat betekent dat de feiten of omstandigheden die verzoeker tot het verzoek tot wraking hebben gebracht zich hebben voorgedaan én aan verzoeker bekend zijn geworden op de zitting van 25 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.