RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 6391943 \ CV EXPL 17-8229 Vonnis van de kantonrechter van 21 februari 2018 in de zaak van: [eisende partij] , domicilie hebbende te [woonplaats eisende partij] , eisende partij, verder te noemen [eisende partij] , gemachtigde mr. M.J. Gommans, tegen: [gedaagde partij] , wonend [adres gedaagde partij] , [woonplaats gedaagde partij] , gedaagde partij, verder te noemen [gedaagde partij] , procederende in persoon. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding; de conclusie van antwoord; de conclusie van repliek; de conclusie van dupliek. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- Bij huurovereenkomst van 26 juni 2015 heeft [eisende partij] van [gedaagde partij] gehuurd twee kamers (tweede verdieping) in de woning/het pand aan de [adres twee verhuurde kamers] te [plaatsnaam twee verhuurde kamers] . 2.
- [gedaagde partij] huurde de betreffende twee kamers (als onderdeel van een groter geheel) zelf van de eigenaar van het pand, [X] . 2.
- Bij aanvang van de huur heeft [eisende partij] , conform artikel 3 van de huurovereenkomst, een borgsom ter grootte van € 900,00 (2 x de maandhuur) aan [gedaagde partij] betaald. 2.
- Onder artikel 1 lid 4 van de huurovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat [eisende partij] de gehuurde kamers dient te verlaten bij einde huurovereenkomst eigenaar en [gedaagde partij] . 2.
- Medio augustus 2015 is de huurrelatie tussen de eigenaar en [gedaagde partij] geëindigd. 2.
- Op 22 september 2015 heeft [eisende partij] met de eigenaar van het pand een gebruiksovereenkomst voor de bewuste twee kamers gesloten. 2.
- De door [eisende partij] betaalde borgsom is door gedaagde niet aan [eisende partij] terugbetaald, noch is dit bedrag (door)betaald aan de eigenaar van het pand. 3Het geschil 3.
- [eisende partij] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 1.088,96, vermeerderd met rente en kosten. 3.
- Aan haar vordering legt [eisende partij] ten grondslag de door [gedaagde partij] nog niet terugbetaalde borg, bij einde huurovereenkomst. 3.
- [gedaagde partij] voert verweer en stelt zich op het standpunt dat [eisende partij] niet akkoord is gegaan met een crediteurenregeling en zij bovendien met de eigenaar van het gehuurde de huurovereenkomst heeft voortgezet. [eisende partij] dient zich tot de huidige verhuurder te wenden, aldus [gedaagde partij] . 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- Vast staat dat [eisende partij] aan [gedaagde partij] een borgsom heeft betaald. Eveneens kan worden vastgesteld, voor zover dit niet reeds vast staat, dat de huurovereenkomst tussen partijen is geëindigd door de beëindiging van de (hoofd)huurovereenkomst tussen [gedaagde partij] en de eigenaar van het gehuurde. Gesteld noch gebleken is dat het gehuurde aan het einde van de huurovereenkomst gebreken vertoonde, die voor rekening van [eisende partij] komen en waarmee de borg eventueel verrekend zou kunnen worden. 4.
- Uit de door [gedaagde partij] overgelegde e-mail van 6 oktober 2015 van (namens) [gedaagde partij] aan [eisende partij] , kan niet anders dan afgeleid worden dat [gedaagde partij] de verschuldigdheid van de borg aan [eisende partij] erkent. [gedaagde partij] biedt aan om de wasmachine en droger in het gehuurde te laten staan voor een korting op de terug te betalen borg. [eisende partij] gaat met het gedane aanbod niet akkoord. [gedaagde partij] is dan ook gehouden de gehele borgsom aan [eisende partij] terug te betalen. 4.
- In het in de e-mail van 6 oktober 2015 aan [eisende partij] gedane voorstel, ziet de kantonrechter geen voorstel in het kader van een crediteurenregeling. Op geen enkel wijze is hiervan melding gemaakt, noch is aan [eisende partij] kenbaar gemaakt dat [gedaagde partij] niet de gehele borgsom aan [eisende partij] zou kunnen terugbetalen (wegens financiële redenen/dreigend faillissement). [gedaagde partij] biedt aan [eisende partij] eigenlijk enkel een wasmachine en droger aan voor de prijs van € 300,00, waarna (terug)betaling van het restant van € 600,00 zou moeten plaatsvinden. Aldus de volledige som van € 900,
- Bovendien is een schuldeiser nimmer verplicht om akkoord te gaan met een (buitengerechtelijke) crediteurenregeling. 4.
- Het verweer dat [eisende partij] zich tot de nieuwe verhuurder dient te wenden wordt verworpen. De huurovereenkomst tussen partij is geëindigd en tussen die partijen dient afgerekend te worden. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde partij] hiervoor met de eigenaar van het gehuurde afspraken heeft gemaakt en als onweersproken staat vast dat [gedaagde partij] de borg niet aan de opvolgend verhuurder heeft doorbetaald. 4.
- De kantonrechter acht geen termen aanwezig [gedaagde partij] toe te laten tot nadere bewijslevering. 4.
- Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de vordering van [eisende partij] aan haar dient te worden toegewezen. De gevorderde rente over de rentepost zal worden afgewezen nu in deze rentepost ook rente van het lopende jaar is opgenomen. 4.
- [eisende partij] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. De kantonrechter stelt vast dat [eisende partij] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen. 4.
- [gedaagde partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [eisende partij] worden begroot op: dagvaarding € 98,91 griffierecht 223,00 salaris gemachtigde 200,00 ( 2 x tarief € 100,00) totaal € 521,91 4.
- De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren. 5De beslissing De kantonrechter 5.
- veroordeelt [gedaagde partij] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 1.088,96, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.063,35 vanaf 19 juli 2017 tot aan de voldoening, 5.
- veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten aan de zijde van [eisende partij] gevallen en tot op heden begroot op € 521,91, 5.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken. type: ksf coll: