RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 6508048 \ CV EXPL 17-9342 Vonnis van de kantonrechter van 4 april 2018 in de zaak van: de rechtspersoon naar buitenlands recht PIDPA, gevestigd te Antwerpen, eisende partij, gemachtigde Flanderijn & van Eck, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid FITNESS-IMPORT B.V., gevestigd te Ysselsteyn, gedaagde partij, procederende in persoon. 1De procedure Partijen zullen hierna Pidpa en F-I genoemd worden. 2De procedure 2.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding; de conclusie van antwoord tevens incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring de conclusie van antwoord in het incident. 2.
- Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 3De beoordeling in het incident 3.
- Pidpa heeft gevorderd dat F-I wordt veroordeeld tot het voldoen van de vordering zoals die in de dagvaarding is verwoord. Voordat daartegen inhoudelijk verweer is gevoerd, heeft F-I verzocht om [X] , wonende [adres] te [woonplaats] , als waarborg te mogen oproepen. Pidpa heeft zich daartegen verweerd en stelt primair dat de kantonrechter niet bevoegd is nu, kort gezegd de relatie tussen F-I en de waarborg een huurrelatie betreft en de bevoegdheid tot beoordeling van geschillen uit een huurrelatie op grond van artikel 22 van de EEX Verordening bij uitsluiting zijn voorbehouden aan de rechter van de plaats van het gehuurde onroerend goed, in dit geval de Belgische rechter. Subsidiair stelt Pidpa dat zij niets te maken wil hebben met de rechtsverhouding tussen F-I en [X] en het oproepen in vrijwaring leidt tot een onnodige vertraging van de procedure. 3.
- De kantonrechter is van oordeel dat de stellingen van F-I voldoende aannemelijk maken dat de rechtsverhouding tussen F-I en de waarborg met zich mee kan brengen dat de waarborg gehouden zal zijn om F-I vrij te houden van de nadelige gevolgen van een eventuele veroordeling in deze (hoofd)zaak. 3.
- Artikel 7 lid 2 Rv bepaalt dat, indien in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, deze hem ook toekomt ten aanzien van – voor zover hier relevant – een vordering tot vrijwaring, tenzij tussen deze vordering en de oorspronkelijke vordering onvoldoende samenhang bestaat. De strekking van artikel 7 lid 2 Rv is vooral gelegen in de proceseconomie en de goede rechtsbedeling. Daarnaast is een concentratie van procedures vaak in het belang van beide partijen. Verder worden tegenstrijdige uitspraken vermeden en vindt een efficiëntere rechtspleging plaats doordat het geschil is geconcentreerd bij één gerecht. De wetgever heeft met artikel 7 lid 2 Rv aansluiting gezocht bij artikel 6 aanhef en onder 2 EEX-verdrag (nu Verordening) die het forum waar de oorspronkelijke vordering aanhangig is, openstelt voor een vordering tot vrijwaring. Volgens het Hof van Justitie vereist artikel 6 van het EEX-verdrag (nu Verordening) geen andere band tussen de oorspronkelijke vordering en de vordering in vrijwaring dan die welke volstaat om vast te stellen dat er geen sprake is van onttrekking aan de bevoegde rechter. 3.
- Van de hiervoor genoemde hoofdregel van artikel 2 EEX-Vo, ingevolge welke de Nederlandse rechter bevoegd is, is echter afwijking mogelijk op grond van de regels, zoals neergelegd in de afdelingen 2 tot en met 7 (de artikelen 5 tot en met 24) EEX-Vo. In dit geval is dus nog de vraag aan de orde of sprake is van een van de hoofdregel van artikel 2 EEX-Vo afwijkende bijzondere bevoegdheid. Artikel 16 van de EEX-Vo regelt de exclusieve bevoegdheid van de rechter ten aanzien van zakelijke rechten op huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen: de gerechten van de Verdragsluitende Staat waar het onroerend goed gelegen is. De Nederlandse rechter komt daarom in dit geval geen rechtsmacht toe zodat de vordering in vrijwaring moet worden afgewezen. 3.
- Nu de incidentele vordering in vrijwaring wordt afgewezen zal F-I de proceskosten voor de incidentele vordering moeten dragen. Deze kosten worden aan de zijde van Pidpa vastgesteld op een bedrag van € 100,
- 3.
- De hoofdzaak zal worden verwezen naar de rol van 2 mei 2018 voor antwoord. 4De beslissing De kantonrechter in het incident 4.
- wijst de vordering van F-I af, 4.
- veroordeelt F-I in de proceskosten van dit incident aan de zijde van Pidpa gevallen en begroot op € 100,00, in de hoofdzaak 4.
- verwijst de zaak naar de rol van 2 mei 2018 voor antwoord. Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken. type: HM coll: