RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Wrakingskamer Datum beslissing: 2 mei 2018 Zaaknummer / rekestnummer: 03/248499 / HA RK 18-96 Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken in de zaak van [verzoekende partij] , [adres verzoekende partij] , [woonplaats verzoekende partij] , hierna te noemen: verzoeker, gemachtigde: mr. A.T.J.J. Meuwissen, advocaat te Maasbracht, indiener van een verzoek dat strekt tot wraking van: mr. G.M.P. Brouns, rechter in de rechtbank Limburg (hierna ook te noemen: de kantonrechter). 1Het procesverloop Verzoeker is door [X] gedagvaard voor de kantonrechter in kort geding om hem te verbieden [X] uit de door haar gehuurde en bewoonde woning te zetten. Bij de mondelinge behandeling ter zitting op 4 april 2018 heeft mr. Meuwissen om wraking van de kantonrechter verzocht. De kantonrechter heeft de wrakingskamer op 6 april 2018 schriftelijk bericht niet in het verzoek te berusten en heeft daarbij zijn reactie op het verzoek gegeven, waarbij hij tevens heeft aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen. De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van de wrakingskamer op 19 april 2018, waar verzoekers gemachtigde en verzoekers dochter, [Y] , zijn verschenen. Tevens is verschenen mr. A.M.T. Snijders, advocaat van [X] voornoemd. 2De gronden van het wrakingsverzoek Als wrakingsgrond heeft verzoeker aangevoerd dat de kantonrechter al ter zitting stellig zijn oordeel over de zaak heeft gegeven zonder daarbij de van de zijde van verzoeker aangevoerde tegenargumenten aan te horen of te betrekken. Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker deze grond nader uitgewerkt in reactie op het inmiddels verstrekte proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter. Verzoeker heeft gewezen op de volgende uitspraak van de kantonrechter in het proces-verbaal (naar aanleiding van de opmerking van zijn gemachtigde dat de kantonrechter de bepalingen inzake de bedrijfsruimte miskent, waaruit duidelijk blijkt dat er in casu sprake is van een afhankelijke woonruimte): Ik misken dat niet, maar het gaat in casu niet om een afhankelijk woonruimte, want er is sprake van een zelfstandige woonruimte met voorzieningen. Indien u anders van mening bent, wens ik u succes bij het Hof in Den Bosch. Met deze verwoording heeft de kantonrechter zonder enig voorbehoud al een uitspraak gedaan over de rechtsvraag die voorligt, namelijk de vraag of al dan niet sprake is van zelfstandige woonruimte. Daarmee heeft het er dus alle schijn ervan dat hij niet heeft geluisterd of wenst te luisteren naar hetgeen door verzoeker naar voren is gebracht. 3Het standpunt van de kantonrechter De kantonrechter heeft in zijn schriftelijke reactie aangegeven dat hij in het voorhouden van wetsartikelen, in casu de artikelen 7:233 en 7:234 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), geen grond voor vooringenomenheid ziet. Evenmin staat met het aanhalen van die artikelen de uitkomst van de procedure vast. In het daarmee in beeld komende artikel 7:269 BW staan situaties beschreven waarin een tot hoofdhuur opgewaardeerde onderhuur, zoals ingeroepen door de eisende partij, alsnog kan en mag worden beëindigd. De kantonrechter stelt dat hij juist doende was te onderzoeken of daarvoor gronden aanwezig zijn, toen hij werd gewraakt. De door mr. Meuwissen gestelde consequenties van de huur van bedrijfsruimte tussen eigenaar/ hoofdverhuurder en hoofdhuurder voor de onderhuur tussen hoofdhuurder/onderverhuurder en onderhuurster laat de kantonrechter in zijn reactie op de wrakingsgronden uitdrukkelijk in het midden omdat hij niet wil vooruitlopen op een oordeel op dit punt. 4De beoordeling van het verzoek 4.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.