RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 6481357 \ CV EXPL 17-9031 Vonnis van de kantonrechter van 18 juli 2018 in de zaak van: [eisende partij] , wonend te [woonplaats eisende partij] , eisende partij, gemachtigde mr. M.J.P.M. van de Westerlo, tegen: [gedaagde partij] , wonend [adres gedaagde partij] , [woonplaats gedaagde partij] , gedaagde partij, gemachtigde mr. Q.A.M. Broekema. Partijen worden hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd. 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de conclusie van antwoord de conclusie van repliek de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Op 18 januari 2012 heeft de kantonrechter te Helmond een bewind ingesteld over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [eisende partij] met benoeming van [gedaagde partij] tot bewindvoerder. Bij beschikking van 13 mei 2014 heeft de kantonrechter te Eindhoven [gedaagde partij] met ingang van 1 juni 2014 ontslagen als bewindvoerder over de onder bewind gestelde goederen van [eisende partij] . R.J.M. Sijtsma is met ingang van 1 juni 2014 benoemd tot opvolgend bewindvoerder. Op 16 oktober 2014 heeft [gedaagde partij] de eindrekening en verantwoording van zijn bewind ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant. Bij brief van 25 november 2014 heeft de griffier van de rechtbank Oost-Brabant aan [gedaagde partij] medegedeeld dat de kantonrechter de eindrekening en verantwoording heeft gezien en goedgekeurd. De kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant heeft bij beschikking van 10 augustus 2016 met ingang van veertien dagen na het verzenden van de beschikking het bewind over de goederen van [eisende partij] opgeheven. 3Het geschil 3.1. [eisende partij] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 9.027,54, vermeerderd met rente en kosten. 3.2. [gedaagde partij] voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. [eisende partij] stelt dat [gedaagde partij] aansprakelijk is voor een per 31 augustus 2015 bestaande boedelachterstand van € 9.027,54. [eisende partij] grondt deze aansprakelijkheid op het feit dat de rechtbank Oost-Brabant in haar vonnis van 2 november 2015 waarbij de tussentijdse beëindiging van de schuldsanering van [eisende partij] wordt geweigerd overweegt dat uit de stukken (kantonrechter: rechtbankdossier WSNP) blijkt dat er sprake is van een boedelachterstand die per 31 augustus 2015 € 9.027,54 bedraagt en dat deze boedelachterstand niet aan [eisende partij] kan worden toegerekend, omdat deze is ontstaan als gevolg van het feit dat de vorige bewindvoerder (kantonrechter: [gedaagde partij] ) zijn taak niet naar behoren heeft uitgevoerd. De schulden bleven volgens [eisende partij] oplopen omdat [gedaagde partij] weigerde bijzondere bijstand aan te vragen voor de bewindvoerderskosten. 4.2. [gedaagde partij] betwist dat hij is tekortgeschoten in zijn taak als bewindvoerder en stelt dat [eisende partij] niet inzichtelijk maakt op welke wijze het handelen van hem tot schade zou hebben geleid voor [eisende partij] . Het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 2 november 2015 volstaat volgens [gedaagde partij] niet om die schade aan te tonen nu de rechtbank kennelijk de stelling van de nieuwe bewindvoerder heeft overgenomen dat hij met achterstanden werd geconfronteerd toen hij het bewind overnam van [gedaagde partij] . Wat betreft het aanvragen van bijzondere bijstand wijst [gedaagde partij] er op dat [eisende partij] ten tijde dat [gedaagde partij] het bewind voerde niet in aanmerking kwam voor bijzondere bijstand van de gemeente [X] . 4.3. [eisende partij] vordert van [gedaagde partij] een bedrag aan schadevergoeding. Als grond voor schadevergoeding voert [eisende partij] onrechtmatig handelen aan. De schade wordt door [eisende partij] gesteld op de boedelachterstand in het kader van de op hem van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling. 4.4. De kantonrechter stelt het kader waarbinnen deze vorderingen dienen te worden beoordeeld voorop. De persoonlijke aansprakelijkheid van een ingevolge titel 19 van boek 1 Burgerlijk Wetboek (BW) aangestelde bewindvoerder moet worden getoetst aan artikel 1:444 BW. Volgens dat artikel is een bewindvoerder jegens een rechthebbende aansprakelijk indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder tekort schiet, tenzij die tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. In casu staat vast dat in de beschikking van 13 mei 2014 aan [gedaagde partij] in zijn hoedanigheid van bewindvoerder ontslag is verleend. Een reden daarvoor is in die beschikking niet gegeven zodat niet reeds uit die beschikking volgt dat er sprake is geweest van tekortschieten in de zorg van een goed bewindvoerder. Evenmin volgt dit zonder meer uit de motivering van het vonnis tot verlenging van de WSNP van de rechtbank Oost-Brabant van 2 november 2015, reeds al niet vanwege de omstandigheid dat [gedaagde partij] niet heeft kunnen reageren op hetgeen in die zaak naar voren is gebracht. [eisende partij] heeft bij dagvaarding enkel gewezen op het bestaan van een boedelachterstand. Dit is echter onvoldoende onderbouwing van een toerekenbaar tekortschieten. In repliek is een en ander aangevuld door [eisende partij] met de specifieke stellingen dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.