RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: AWB 15/2070 uitspraak van de meervoudige kamer van 24 augustus 2018 in de zaak tussen Stichting [eiseres] , te [naam plaats] , eiseres (gemachtigden: mr. P.F. van der Muur en mr. R. Froentjes), en de heffingsambtenaar van de gemeente [naam gemeente] , verweerder (gemachtigden: Ü. Köse en mr. R.M.M. Duits). Procesverloop Bij besluit van 28 februari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres – voor zover van belang – aanslagen rioolheffing eigenaren opgelegd voor 1.437 woningen voor een bedrag van in totaal € 296.022 . Bij besluit van 27 mei 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Verweerder heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. In overleg met partijen is de behandeling van de zaak ter zitting geschorst, in afwachting van een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in een zaak waarin gedeeltelijk dezelfde rechtsvragen voorlagen als in onderhavige beroepszaak. De zaak is vervolgens op 9 juni 2017 wederom door een meervoudige kamer van deze rechtbank op zitting behandeld. Ook tijdens deze behandeling ter zitting is met partijen afgesproken om de zaak te schorsen, nu in afwachting van een conclusie van de Advocaat-Generaal van de Hoge Raad in een vergelijkbare kwestie. Op 9 augustus 2017 heeft de Advocaat-Generaal van de Hoge Raad zijn conclusie genomen. De rechtbank heeft partijen vervolgens meegedeeld de behandeling van de beroepszaak te willen oppakken nadat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan in het beroep in cassatie waarin de Advocaat-Generaal zijn conclusie heeft genomen. Op 8 december 2017 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan. De rechtbank heeft partijen vervolgens op 13 maart 2018 meegedeeld dat zij van oordeel is dat het niet nodig is om deze zaak opnieuw op een zitting te behandelen. De rechtbank heeft partijen daarom in diezelfde brief meegedeeld dat de zitting achterwege wordt gelaten, tenzij een van de partijen aangeeft dat zij nogmaals op een zitting wensen te worden gehoord. Geen van beide partijen heeft aangegeven een nieuwe behandeling ter zitting te wensen, zodat de rechtbank het onderzoek in deze zaak op 17 april 2018 heeft gesloten en de uitspraak nader heeft bepaald op heden. Overwegingen 1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres was als woningbouwvereniging in 2014 eigenaar van de in het primaire besluit genoemde 1.437 woningen in de gemeente [naam gemeente] . Deze woningen beschikken over een directe of indirecte aansluiting op het gemeentelijk riool. Op grond van de Verordening rioolheffing 2013 (de Verordening) van de gemeente [naam gemeente] is eiseres als eigenaar van de woningen voor iedere woning afzonderlijk in de rioolheffing betrokken, tegen een tarief van € 206 per woning. 2. Eiseres stelt zich in beroep allereerst op het standpunt dat verweerder aan haar als eigenaar van voornoemde woningen ten onrechte aanslagen rioolheffing heeft opgelegd. Eiseres stelt dat de gemeentelijke Verordening, waaruit volgt dat de eigenaar van een perceel wordt betrokken in de rioolheffing, in strijd is met de Kaderrichtlijn Water (KRW), meer specifiek met artikel 9, eerste lid, van de KRW. In dit artikellid is het beginsel van ‘de vervuiler betaalt’ neergelegd, waaruit volgens eiseres volgt dat niet zij als eigenaar maar de huurders van haar onroerende zaken dienen worden te betrokken in de rioolheffing. Zij zijn immers de vervuilers en niet eiseres. Verweerder heeft artikel 9 van de KRW volgens eiseres dan ook niet, niet tijdig dan wel onjuist geïmplementeerd in de Verordening waardoor de Verordening onverbindend verklaard dient te worden. Omdat voornoemd artikel van de KRW onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurig bepaalde verplichtingen voor verweerder in het leven roept, stelt eiseres zich op het standpunt dat haar een rechtstreeks beroep op dit artikel van de KRW toekomt. Artikel 9 van de KRW behelst volgens eiseres een drietal voldoende nauwkeurig geformuleerde normen op basis waarvan beoordeeld dient te worden of de aanslagen rioolheffing terecht aan haar zijn opgelegd. Deze normen betreffen volgens eiseres: - kostenterugwinning van waterdiensten dient plaats te vinden conform met name het beginsel dat ‘de vervuiler betaalt’; - er moet sprake zijn van een adequate prikkel om het waterverbruik te verminderen; - van verschillende watergebruikssectoren moet een redelijke bijdrage worden gevraagd bij de kostenterugwinning van waterdiensten. 2.1. Eiseres stelt zich subsidiair op het standpunt dat indien de rechtbank van oordeel is dat artikel 9 van de KRW niet voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk is geformuleerd, verweerder de beleidsvrijheid die artikel 9 van de KRW biedt, heeft overschreden en haar om die reden alsnog een rechtstreeks beroep op dit artikel van de KRW toekomt. Verweerder heeft bij het vaststellen van de Verordening de beleidsvrijheid die artikel 9 van de KRW biedt, overschreden door met de normen, als opgesomd in overweging 2, onvoldoende rekening te houden. 2.2. Eiseres betoogt onder verwijzing naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 juni 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:4675) verder dat verweerder het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door in de Verordening te bepalen dat recreatieterreinen aangemerkt worden als één perceel en zodoende slechts eenmaal in de rioolheffing worden betrokken. Eiseres is van mening dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen door recreatieterreinen aan te merken als één perceel en rijwoningen of appartementen als afzonderlijke percelen te beschouwen, zonder dat hiervoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. 2.3. Eiseres stelt zich tot slot gemotiveerd op het standpunt dat de met de opbrengst van de rioolheffing geraamde baten de geraamde lasten overstijgen zodat de Verordening ook om die reden onverbindend verklaard dient te worden. 3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres geen rechtstreeks beroep kan doen op artikel 9 van de KRW. De bewoordingen waarmee artikel 9 van de KRW een verplichting aan de lidstaten oplegt, kennen ten aanzien van de uitvoering daarvan een zodanige beoordelings- en beleidsvrijheid, dat daardoor geen sprake is van een voor de lidstaten onvoorwaardelijk geformuleerde bepaling of een voldoende nauwkeurig bepaalde verplichting. 3.1. Voorts is er volgens verweerder geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. Anders dan de definitie die de Verordening van de gemeente Steenwijkerland (die ter beoordeling voorlag in de onder 2.2 genoemde zaak) geeft aan recreatieterreinen, kent de Verordening van [naam gemeente] geen begripsomschrijving waarbij wordt aangesloten bij het bepaalde in artikel 16, sub e, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). De Verordening van [naam gemeente] kent geen bepaling waarbij samenstellen die naar omstandigheden beoordeeld bij elkaar horen, als één onroerende zaak in de zin van de Verordening rioolheffing kunnen worden aangemerkt. Ingevolge deze Verordening worden alle recreatieterreinen als één perceel aangemerkt, ongeacht de juridische status van de zich daarop bevindende opstallen. De bij eiseres in eigendom zijnde woningen worden door verschillende huurders gebruikt, zodat ze reeds daarom naar omstandigheden beoordeeld niet bij elkaar horen. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat niet voldoende is aangetoond dat geen sprake is van gelijke gevallen die ongelijk behandeld worden, stelt verweerder zich op het standpunt dat er een objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig is voor deze ongelijke behandeling, te weten een doelmatige uitvoering van de heffing. Het als één perceel in de rioolheffing betrekken van een recreatieterrein leidt tot een doelmatigere uitvoering omdat het lastig te achterhalen is wie de vakantiewoningen of stacaravans huren. 3.2. Verweerder stelt zich tot slot gemotiveerd op het standpunt dat de met de opbrengst van de rioolheffing geraamde baten de geraamde lasten niet overstijgen. 4. De rechtbank overweegt als volgt. 5. Zoals reeds in het procesverloop van deze uitspraak is vermeld, heeft de rechtbank onderhavige beroepszaak in eerste instantie aangehouden in afwachting van een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Op 30 november 2016 is deze uitspraak gedaan (ECLI:NL:GHSHE:2016:5428). In deze uitspraak is het Gerechtshof er – kort gezegd – veronderstellenderwijs vanuit gegaan dat artikel 9, eerste lid, van de KRW rechtstreekse werking heeft zodat hier een rechtstreeks beroep op kan worden gedaan. Het Gerechtshof heeft vervolgens in rechtsoverweging 4.3 het volgende overwogen: “Nu de riolering een zogenoemd gemengd stelsel betreft, kan ook van de kosten van het beheer en het onderhoud van, en van de investering in, het rioolstelsel niet worden geschreven dat uit het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ dwingend de conclusie volgt dat deze kosten (in het geheel) niet aan de eigenaar van een perceel kunnen worden toegerekend.” Het Gerechtshof vervolgt in rechtsoverweging 4.4: “In zoverre ontbeert de stelling van belanghebbende, dat de kosten, waarbij door middel van de rioolheffing terugwinning plaatsvindt, volgens het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ geheel toegerekend moeten worden aan de gebruikers van een perceel en (in het geheel) niet aan de eigenaar van dat perceel, feitelijke grondslag.” In rechtsoverweging 5.5 overweegt het Gerechtshof vervolgens: “Gelet op het vorenoverwogene rest dan de vraag of de omstandigheid dat de kosten ter zake van de inzameling en het transport van afvalwater van de gebruiker van een perceel worden teruggewonnen bij de eigenaar van dat perceel voldoet aan artikel 9, lid 1 van de Kaderrichtlijn water. Het Hof is van oordeel dat gelet op de beoordelingsmarge die een lidstaat, bij de implementatie en uitvoering van de Kaderrichtlijn water, heeft dit is toegestaan. De verfijning die belanghebbende kennelijk voorstaat, namelijk dat met het oog op het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ deze kosten dienen te worden teruggewonnen bij de gebruiker, en niet bij de eigenaar, van een perceel is een verfijning waartoe, mede gelet op het totale watersysteem waar de rioolheffing deel van uitmaakt, artikel 9, lid 1 van de Kaderrichtlijn water naar het oordeel van het Hof niet dwingt (vgl. HvJ 11 september 2014, C-525/12, Commissie-Duitsland, ECLI:EU:C:2014:2202).” 6. De Hoge Raad heeft bij uitspraak van 8 december 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3082) het ingestelde beroep in cassatie tegen voormelde uitspraak van het Gerechtshof ongegrond verklaard. De voor onderhavige beroepszaak van belang zijnde rechtsoverwegingen in die uitspraak zijn de volgende: “2.3.2. Belanghebbende is eigenaar van de panden die zij exploiteert door ze aan derden te verhuren. Zij geeft daarmee aan deze derden het recht gebruik van de panden te maken, waardoor op het riool is geloosd. Het stond de gemeentelijke wetgever vrij om belanghebbende, als eigenaar, aan te merken als vervuiler in de zin van de KRW en als zodanig in de heffing te betrekken, evenzeer als wanneer zij zelf rechtstreeks de lozingen op het riool zou hebben verricht. Het middelonderdeel faalt daarom. (…) 2.3.4. De tekst van artikel 9, lid 1, eerste gedachtestreepje, van de KRW laat geen andere uitleg toe dan dat deze bepaling de lidstaten verplicht om gebruikers van watervoorraden te stimuleren om deze efficiënt te benutten, door middel van een prijsbeleid dat adequate prikkels bevat. Deze bepaling sluit geenszins uit dat lidstaten dit doel ook nastreven door het beslag dat een gebruiker doet op watervoorraden in aanmerking te nemen bij de terugwinning van de kosten die gepaard gaan met lozingen, overeenkomstig het beginsel ‘de vervuiler betaalt’; de KRW verplicht hier echter niet toe (vgl. HvJ 16 juli 2009, Futura, C-254/08, ECLI:EU:C:2009:479, punt 48). Het middel faalt ook in zoverre. 2.3.5. Het derde middelonderdeel faalt eveneens omdat het berust op het onjuiste uitgangspunt dat uitsluitend de tariefstelling in de Verordening maatgevend is voor de beoordeling of de diverse gebruikssectoren een redelijke bijdrage leveren aan de terugwinning van kosten van waterdiensten als beoogd in artikel 9, lid 1, tweede gedachtestreepje, van de KRW.” 7. De rechtbank stelt vast dat de belanghebbende in voormelde zaken Stichting [eiseres] was, zijnde eiseres in onderhavige beroepszaak. Stichting [eiseres] liet zich tijdens voormelde procedures vertegenwoordigen door dezelfde gemachtigden als in onderhavige beroepszaak. Blijkens de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 14 april 2015 (ECLI:NL:RBOBR:2015:2090), het Gerechtshof en de Hoge Raad zijn de gronden van beroep van onderhavige zaak zoals samengevat weergegeven in rechtsoverwegingen 2 en 2.1 gelijkluidend aan de gronden van voormelde procedures van beroep, hoger beroep en cassatie voor zover ze betrekking hadden op – kort gezegd – het geschilpunt omtrent de toepasbaarheid van de KRW en de eventuele consequenties daarvan. De rechtbank ziet in onderhavige beroepszaak geen aanleiding een ander standpunt in te nemen over de beroepsgronden zoals opgenomen in rechtsoverwegingen 2 en 2.1, dan het Gerechtshof en de Hoge Raad in voornoemde uitspraken (en zoals de rechtbank hierboven heeft geciteerd) hebben ingenomen. Dit betekent dat deze door eiseres ingediende beroepsgronden falen. 8. Over de beroepsgrond van eiseres dat verweerder het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door in de Verordening te bepalen dat recreatieterreinen als één perceel worden aangemerkt en zodoende slechts eenmaal in de rioolheffing worden betrokken, terwijl rijwoningen of appartementen als afzonderlijke percelen worden beschouwd, overweegt de rechtbank als volgt. 9. Om een geslaagd beroep te kunnen doen op het gelijkheidsbeginsel dient er in de eerste plaats sprake te zijn van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. Op eiseres rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat een recreatieterrein – dat ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Verordening wordt aangemerkt als één perceel – een gelijk geval is als haar onderhavige percelen die in de rioolheffing zijn betrokken. Eiseres is hierin niet geslaagd. Ingevolge voormeld artikellid uit de Verordening dient er sprake te zijn van “voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten”. Tevens dienen deze woonruimten zich te bevinden op “een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein”. Gesteld noch gebleken is dat de onroerende zaken van eiseres aan deze criteria voldoen, zodat van gelijke gevallen geen sprake kan zijn. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 juni 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:4675), kan haar voorts niet baten. De Hoge Raad heeft deze uitspraak immers bij uitspraak van 4 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2495) vernietigd. Bovendien wordt – anders dan in de Verordening die bij dit Gerechtshof en de Hoge Raad voorlag – in de Verordening van verweerder voor wat betreft de afbakening van een perceel niet aangesloten bij de afbakeningsregels van artikel 16 van de Wet WOZ zodat niet relevant is of de woningen van eiseres naar omstandigheden beoordeeld bij elkaar horen. 10. In geschil is tot slot nog de vraag of de geraamde baten van de rioolheffing de lasten ter zake overtreffen, en zo ja, of ze zodanig worden overtroffen dat de Verordening geheel of gedeeltelijk onverbindend moet worden verklaard. 11. De tariefstelling van een verordening kan partieel onverbindend zijn voor zover de ter zake geraamde baten uitgaan boven de ter zake geraamde lasten. Een dergelijke partiële onverbindendheid heeft tot gevolg dat een op die verordening gegronde aanslag evenredig wordt verlaagd. Er kan sprake zijn van algehele onverbindendheid indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.