vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond zaaknummer / rolnummer: C/03/225081 / HA ZA 16-504 Vonnis van 5 september 2018 in de zaak van de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE WEERT, zetelend te Weert, eiseres, advocaat mr. M.J.H. Verburg te Roermond, tegen de vereniging PARTIJ VOOR WEERT, gevestigd te Weert, gedaagde, advocaat mr. M.M.M. Rooijen te Weert. Partijen zullen hierna de gemeente en PvW genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de conclusie van antwoord de akte houdende uitlating producties van de gemeente de akte houdende proceskostenstaat van PvW het proces-verbaal van comparitie van 8 september 2017 met de daarin vermelde stukken de conclusie van repliek de conclusie van dupliek de pleitnotities van beide partijen van 23 mei 2018. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. De gemeente Weert is een publiekrechtelijke rechtspersoon die overeenkomstig artikel 123 van de Grondwet is ingesteld bij wet. PvW is een privaatrechtelijke rechtspersoon, te weten een lokale politieke partij met als rechtsvorm vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid. Bestuurder van de vereniging is (onder anderen) [bestuurder X] (verder: [bestuurder X] ). 2.2. Bij Koninklijk Besluit van 16 november 1977 (verder: het KB) is aan de gemeente een wapen verleend, waarvan de omschrijving als volgt luidt: “in zilver een keper van azuur; een schildhoofd van goud met drie hoorns van keel, beslagen van zilver; het schild gedekt met een gouden kroon van drie bladeren en twee parels.” 2.3. Op 3 september 1979 is door de Minister van Binnenlandse Zaken, op verzoek van de Hoge Raad van Adel, per brief aan de gemeentebesturen uiteengezet in hoeverre het gebruik van het wapen van een gemeente door derden is toegestaan. In die brief (verder: de circulaire) staat: “(…) Het staat echter wel vast, dat het verlenen van een wapen door de Kroon aan een gemeente (en alleen na verlening door de Kroon is een gemeente bevoegd een wapen te voeren: zie het Koninklijk Besluit van 23 april 1919, Stb. 181, aangevuld bij Koninklijk Besluit van 21 oktober 1977, Stb. 605) inhoudt, dat deze gemeente het exclusieve recht ontvangt dit wapen te voeren. Inbreuk daarop zal dan in beginsel als onrechtmatig moeten worden beschouwd.” 2.4. In voormelde circulaire schrijft de Minister verder: “(…) Aan (…) verenigingen (…), waar de gemeente noch rechtstreeks noch direct zeggenschap heeft, zal als regel niet kunnen worden toegestaan het gemeentewapen te voeren.” 2.5. PvW heeft zich voorzien van een logo. Zij heeft dit logo op 17 januari 2016 via Twitter bekend gemaakt en via haar twitteraccount twitteraars opgeroepen haar logo te “retweeten”. Onder sub 11 van de conclusie van antwoord is weergegeven dat het logo er als volgt uitziet: 2.6. Op 5 februari 2016 heeft een medewerker van de gemeente per mail aan PvW verzocht om te stoppen met het gebruik van het logo. In het bericht is vermeld: “Beste heer [bestuurder X] , Uw partij gebruikt het Weerter wapen als logo. Het gebruik van het wapen is echter voorbehouden aan de gemeente Weert. Dit betekent dat het alleen mag worden gebruikt na goedkeuring door de gemeente. In het verleden zijn er meerdere politieke partijen geweest die het wapen wilden gebruiken. Om verband of verwarring met de gemeente Weert te voorkomen, is het die andere politieke partijen toen niet toegestaan het wapen te gebruiken. Bij verenigingen of stichtingen (geen politieke partijen) wordt het onder voorwaarden soms wel toegestaan. Het is dus ook niet toegestaan voor uw politieke partij om het wapen of een gestileerde versie in uw logo te gebruiken. Vandaar dat wij u verzoeken op korte termijn te stoppen met het gebruik van het gemeentewapen in uw logo. Mocht u een nieuw logo willen laten ontwikkelen, dan kan een van de vormgevingsbureaus die in Weert actief zijn u hierbij helpen. Bij voorbaat dank, Frank Speet, Communicatie-adviseur gemeente Weert” 2.7. In een telefoongesprek van 10 februari 2016 heeft [bestuurder X] (namens PvW) te kennen gegeven het niet eens te zijn met de gemeente. Desondanks heeft PvW vervolgens haar logo aangepast. Onder sub 7 van de dagvaarding is (in zwart-wit) weergegeven dat het logo er als volgt uitziet: Door PvW is hetzelfde logo, zij het in kleur, gepresenteerd onder sub 16 van de conclusie van antwoord: 2.8. Op 8 april 2016 heeft de gemeente het wapen als beeldmerk gedeponeerd bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom met het verzoek om het met spoed in te schrijven in het merkenregister. Inschrijving heeft plaatsgevonden op 4 mei 2016. Onder sub 11 van de dagvaarding is (in zwart-wit) weergegeven dat het beeldmerk inclusief woordelementen er aldus uitziet: Ook PvW heeft het gemeentewapen van de gemeente, zij het in kleur, in haar conclusie van antwoord weergegeven, waarbij zij verder heeft aangegeven dat volgens haar het door de gemeente gebruikte wapen afwijkt van het aan de gemeente toegekende wapen. Zij heeft dat, sub 32, als volgt in haar conclusie van antwoord aangegeven: 2.9. Op 2 mei 2016 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [bestuurder X] en [Y] van PvW en de burgemeester, de griffier en de juridisch beleidsmedewerker van de gemeente. Tijdens dat gesprek heeft de gemeente aangegeven dat het logo van PvW nog steeds een zeer grote gelijkenis vertoont met het gemeentewapen en dat inwoners het logo hierdoor verwarren met het gemeentewapen en aldus wat daarmee wordt gepresenteerd, identificeren met de gemeente en dat de burgemeester daar door inwoners van de gemeente op is aangesproken. 2.10. Op 3 juni 2016 heeft de gemeente PvW per brief gesommeerd om uiterlijk binnen één week schriftelijk te bevestigen dat: PvW met onmiddellijke ingang het gebruik van het op het gemeentewapen van Weert gelijkend wapen in het logo van haar partij zal staken en gestaakt zal houden; PvW met onmiddellijke ingang de uitlatingen van haar partij, waarbij het logo van de partij is gebruikt, zoals bijvoorbeeld (maar niet uitsluitend) visitekaartjes of briefpapier, uit de roulatie zal nemen; PvW in de toekomst geen inbreukmakend wapen zal gebruiken. Tevens heeft de gemeente in die brief aangegeven bereid te zijn een naar redelijkheid en billijkheid te bepalen vergoeding te betalen voor de kosten die PvW heeft gemaakt in het kader van de aanpassing van haar logo. 2.11. Op 9 juni 2016 heeft PvW aan de gemeente een brief gezonden waarin zij - kort gezegd - heeft aangegeven dat geen gehoor wordt gegeven aan de sommatie van 3 juni 2016. PvW heeft verder aangegeven dat de aanpassingen die reeds aan het logo waren gedaan niet eens nodig waren en dat naar haar mening het logo meer dan voldoende verschilt van het wapen van de gemeente. 2.12. Op 17 juni 2016 heeft de gemeente PvW verzocht om gehoor te geven aan de sommatiebrief van 3 juni 2016 en zo nodig rechtsmaatregelen aangekondigd. Aan deze sommatie is door PvW geen gehoor gegeven. 3Het geschil 3.1. De gemeente vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: 1. a. primair PvW te bevelen het gebruik van een logo waarin het wapen van de gemeente Weert, dat in de dagvaarding sub 11 tussen de woorden “gemeente” en “Weert” is weergegeven, en van enig daarop gelijkend teken, het teken dat thans in het partijlogo dat in de dagvaarding sub 7 is weergegeven daaronder begrepen, in alle uitingen naar derden, daaronder in ieder geval begrepen haar website, haar briefpapier, visitekaartjes, posters, abri’s, flyers, reclame-uitingen, promotiefilm, brief en/of postkaarten, in kranten- en tijdschriftartikelen, op twitter, op Facebook, op kledingstukken, binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis te staken en gestaakt te houden, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,= per dag of gedeelte daarvan, dat PvW met de nakoming van het in dezen te wijzen vonnis in gebreke blijft; b. subsidiair PvW te bevelen het gebruik van een logo, in de dagvaarding sub 11 weergegeven, en van enig daarop gelijkend teken, het partijlogo dat in de dagvaarding sub 7 is weergegeven daaronder begrepen, in alle uitingen naar derden, daaronder in ieder geval begrepen haar website, haar briefpapier, visitekaartjes, posters, abri’s, flyers, reclame-uitingen, promotiefilm, brief en/of postkaarten, in kranten- en tijdschriftartikelen, op twitter, op Facebook, op kledingstukken, binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis te staken en gestaakt te houden, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,= per dag of gedeelte daarvan, dat PvW met de nakoming van het in dezen te wijzen vonnis in gebreke blijft; 2. PvW te veroordelen in de daadwerkelijk door de gemeente gemaakte kosten van het geding en met veroordeling van PvW, indien zij niet binnen veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis het verschuldigde bedrag heeft betaald, in de nakosten, forfaitair begroot op € 131,=, verhoogd met € 68,= ingeval van betekening, alsmede de wettelijke rente daarover. 3.2. PvW voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling De ontvankelijkheid van de gemeente in haar vordering 4.1. PvW heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de gemeente niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu een rechtsgeldig procesbesluit tot het entameren van de procedure ontbreekt: er is volgens PvW (voorafgaand aan de procedure) geen formeel raadsbesluit genomen dat strekt tot het voeren van de onderhavige procedure. 4.2. De rechtbank gaat aan de stelling van PvW voorbij, nu er inmiddels een procesbesluit tot (herbevestiging van) het voeren van de onderhavige procedure is en dit besluit door de gemeente in het geding is gebracht. Ook indien geen sprake is van herbevestiging maar van een eerste - pas na aanvang van de onderhavige procedure genomen - besluit staat zulks aan de ontvankelijkheid van de gemeente niet in de weg: er is geen rechtsregel die ertoe dwingt dat een procesbesluit uitsluitend voorafgaand aan een procedure kan worden genomen. 4.3. Naar het oordeel van de rechtbank is de gemeente dan ook ontvankelijk in haar vorderingen. Misbruik van recht? 4.4. Subsidiair heeft PvW gesteld dat de vordering van de gemeente reeds afgewezen dient te worden omdat de gemeente door het starten van onderhavige procedure misbruik maakt van recht: volgens PvW is de gemeente de procedure gestart omdat andere politieke partijen daar een belang bij hebben en de procedure een zware wissel trekt op de partijkas van PvW. 4.5. Naar het oordeel van de rechtbank treft dit verweer geen doel. Bij de vraag of sprake is van misbruik van recht als bedoeld in artikel 3:13 BW moet worden beoordeeld of de eigenaar bij de uitoefening van de bevoegdheid, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid tot die uitoefening had kunnen komen. Gezien de hierna gemotiveerde inhoudelijke beoordeling van het geschil is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van misbruik van recht: de gemeente heeft - bij een gestelde inbreuk - een gerechtvaardigd belang bij handhaving van de haar toekomende rechten. Daar komt bij dat de stelling van PvW, dat de gemeente de procedure is gestart omdat andere politieke partijen daar een belang bij hebben, door de gemeente uitdrukkelijk is betwist en vervolgens door PvW niet nader gemotiveerd is onderbouwd, zodat PvW op dit onderdeel niet heeft voldaan aan de op haar rustende stel en onderbouwingsplicht. De enkele stelling dat de procedure een grote wissel trekt op de partijkas van PvW brengt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet reeds met zich mee dat er om die reden sprake zou zijn van misbruik van recht. De verdere inhoudelijke beoordeling 4.6. Zowel de primaire als de subsidiaire vordering van de gemeente hebben - kort samengevat - de strekking dat PvW geen gebruik mag maken van het gemeentewapen of een daarop lijkend wapen in haar logo. De primaire vordering bevat een primaire en een subsidiaire grondslag, te weten (primair) inbreuk op de rechten van de gemeente die voortvloeien uit het Benelux-Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom (verder: BVIE) en (subsidiair) onrechtmatige daad. In het laatste geval wordt met betrekking tot de vraag of het wapen een onderscheidend vermogen heeft aansluiting gezocht bij de criteria welke onder de BVIE gelden. 4.7. De rechtbank stelt voorop dat zij weliswaar in het algemeen is gehouden tot een beoordeling van de toewijsbaarheid van het primair gevorderde alvorens kan worden overgegaan tot een beoordeling van het subsidiair gevorderde, maar die verplichte volgorde geldt niet ten aanzien van een in primaire en subsidiaire vorm gepresenteerde grondslag voor het gevorderde. Het vaststellen van de juridische grondslag van het gevorderde is ter zelfstandige beoordeling van de rechtbank. Er is met andere woorden geen rechtsgrond die ertoe dwingt om het gevorderde eerst te beoordelen op de als primair aangevoerde grondslag. 4.8. Aan de gemeente is bij het KB toegekend een wapen met de navolgende kenmerken: “in zilver een keper van azuur; een schildhoofd van goud met drie hoorns van keel, beslagen van zilver; het schild gedekt met een gouden kroon van drie bladeren en twee parels.” Met de gemeente is de rechtbank van oordeel dat het wapen een onderscheidende positie heeft en dat gebruikers van het wapen dit doen om hun band met de gemeente te laten zien. 4.9. Aan het verweer van PvW dat het door de gemeente feitelijk gebruikte wapen afwijkt van het wapen zoals dat is omschreven in het KB gaat de rechtbank voorbij: naar het oordeel van de rechtbank is het door de gemeente gebruikte wapen (een, mogelijk om druktechnische redenen, gestileerde en door toevoeging van donkere lijnen verduidelijkte vorm van) het wapen zoals dat aan haar is toegekend, nu het alle kenmerken bevat zoals die in het KB zijn weergegeven. 4.10. Ten aanzien van de vraag welk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.