RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer: 03/995006-12 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 september 2018 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboortegegevens verdachte] , wonende te [adresgegevens verdachte] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.M.H. Römkens, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 19, 20, 22, 25, 26, 27 en 28 juni 2018. De verdachte en haar raadsman zijn verschenen. De officieren van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting vervolgens gesloten op de zitting van 21 augustus 2018. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht (bijlage I). De verdenking komt er, na wijziging tenlastelegging, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: feit 1: samen met een ander of anderen facturen, een brief, een Aanvulling II Samenwerkingsovereenkomst Zorgfaciliteiten en een schriftelijke volmacht heeft vervalst, dan wel hieraan medeplichtig is geweest; feit 2: samen met een ander of anderen, die de geldbedragen en/of goederen uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had, geldbedragen en/of paarden, kunstvoorwerpen, horloges, onroerende goederen, audiovisuele apparatuur en fitnessapparatuur voor in totaal € 1.659.530,- heeft verduisterd van SGL; feit 3: samen met een ander of anderen de Raad van Toezicht van SGL heeft opgelicht voor in totaal € 179.301,-, dan wel hieraan medeplichtig is geweest; feit 4: als manager backoffice en/of bedrijfsdirecteur van [naam BV] samen met een ander of anderen, geldbedragen en/of paarden, loon werknemer en onroerende goederen voor in totaal € 235.023,- heeft verduisterd van [naam BV] . Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in de bewezenverklaring door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad. De rechtbank heeft ter terechtzitting de onderdelen van de tenlastelegging aan de hand van een behandelschema besproken, welk behandelschema aan dit vonnis is gehecht (bijlage II). De rechtbank zal in dit vonnis dezelfde volgorde aanhouden bij de bespreking van de onderdelen van de tenlastelegging, met uitzondering van feitonderdeel 26. 3De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie 3.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat (
- a)sprake is van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn en (
- b)de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd zodanige gebreken kent dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces is geschonden. [verdachte] is dan ook niet in de gelegenheid gesteld om de onjuiste conclusies van de Belastingdienst en de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) te weerleggen. Het onderzoek getuigt van vooringenomenheid. De FIOD en het Openbaar ministerie (OM) borduren voort op de onjuiste conclusies van de Belastingdienst, die nergens op zijn gebaseerd. Feitenonderzoek vindt niet plaats. Ontlastend materiaal wordt niet aan het dossier toegevoegd. Aan getuigen worden onjuiste conclusies voorgelegd. 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het OM kan worden ontvangen in de vervolging van [verdachte] . Van grove vormverzuimen en/of grove schending van andere processuele beginselen is geen sprake. Een overschrijding van de redelijke termijn kan niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM. 3.3 De beoordeling door de rechtbank Inleiding Op de regiezitting van 6 en 8 november 2017 is in deze zaak ook een verzoek tot niet‑ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie gedaan. De daarvoor thans aangedragen argumenten zijn ook destijds door de verdediging naar voren gebracht. De rechtbank heeft op de zitting van 10 november 2017 geoordeeld dat er op dezelfde gronden als overwogen in de zaak van medeverdachte [medeverdachte] geen grond is voor niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie wegens vermeende ernstige gebreken in het (voor)onderzoek naar verdachte. In de zaak van medeverdachte [medeverdachte] heeft de rechtbank op de zitting van 10 november 2017 als volgt beslist en overwogen: ‘Het verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring berust kort samengevat in de woorden van de rechtbank op het argument dat de wijze waarop het onderzoek is gevoerd, zodanige gebreken kent dat het recht op een eerlijk proces geschonden is. Dat komt volgens verdachte [medeverdachte] door het volgende: In de aanvang van het onderzoek heeft de FIOD de Belastingdienst aangestuurd; Daardoor had het boekenonderzoek van de Belastingdienst dat formeel gericht was op de [naam stichting 1] (verder: [naam stichting 1] ) en [naam BV] (verder: [naam BV] ) alleen maar tot doel verdachte te kunnen belasten; Daardoor was de controlerend ambtenaar bevooroordeeld en stond de uitkomst van het belastingonderzoek bij [naam BV] al vast voordat het onderzoek begon; In het belastingonderzoek van [naam BV] zijn aan verdachte geen vragen gesteld. Op basis van dit onderzoek is aan hem privé een aanslag voor de Inkomstenbelasting (IB) opgelegd zonder dat hij gehoord is; Het onderzoek van de Belastingdienst is een slecht onderzoek dat niet is gebaseerd op feiten. De inspecteur heeft op basis van dit onderzoek verdachte aanvankelijk voor het gebruik van de zorgmanege belast voor een bedrag van anderhalf miljoen euro, dat recentelijk in rechte is gecorrigeerd tot 17.000 euro op jaarbasis, bij welke gelegenheid het boekenonderzoek als bestuurlijk onbehoorlijk is gekwalificeerd en de conclusies geen stand hebben gehouden. De FIOD heeft voortgeborduurd op onderzoeksresultaten waarvan is gebleken dat zij nergens op zijn gebaseerd. Door de naar aanleiding van het FIOD-onderzoek ontstane negatieve publiciteit (‘miljoenenfraude in de zorg’) waren veel getuigen niet bereid om nog in het voordeel van verdachte te verklaren; Aan een aantal getuigen is daarenboven uitvoerig geciteerd uit de door controlerend ambtenaar [getuige 1] tegenover de FIOD afgelegde verklaring, welke verklaring niet is gebaseerd op juiste feiten, zoals al blijkt uit de gecorrigeerde aanslag IB; Vragen die de verdediging aan getuigen bij de rechter-commissaris wilde stellen over de hierboven beschreven gang van zaken werden belet; De FIOD heeft vanuit vooringenomenheid en tunnelvisie alleen die documenten gebruikt en aan het dossier toegevoegd die de beschuldigingen ondersteunen. Naast voormelde door de verdediging gestelde gebreken heeft de verdediging gewezen op het feit dat de redelijke termijn in deze zaak inmiddels ruimschoots is overschreden. De rechtbank zal deze argumenten per onderdeel bespreken en beoordelen. Ad i. De aanleiding voor het strafrechtelijk onderzoek is in het procesdossier beschreven in hoofdstuk 2 (blz. 24-29) van het algehele overzichtsproces-verbaal (OPV). De rechtbank vat de beschreven gebeurtenissen voor zover hier van belang als volgt samen: a. Op 20 november 2008 meldt een medewerkster van het CZ-Zorgkantoor de FIOD een door CZ ontvangen signaal over fraude bij SGL. AWBZ-gelden zouden ten onrechte worden gebruikt voor de aankoop van een manege en warmbloedpaarden. CZ had begin 2007 (van een journalist) en begin 2008 (via de NZa) ook signalen gehad over fraude bij SGL; b. De FIOD onderzoekt daarop open bronnen over SGL, [naam stichting 1] en [naam BV] ; c. De FIOD doet op 25 november 2008 navraag bij de Belastingdienst en verneemt dat er van SGL over 2004 een summier controlerapport is, dat in 2007 iemand anoniem heeft gemeld dat SGL op formeel onjuiste gronden een manege zou exploiteren en dat er bij [naam BV] , die de manege zou exploiteren, nog geen boekenonderzoek is geweest. d. De FIOD ontvangt op 20 januari 2009 een (op dat moment) anonieme brief uit handen van de voorzitter van het RIEC [naam voorzitter] , onder andere over het uitbaten door [naam BV] van een manege met 44 paarden waarvan er maar één of twee door gehandicapten bereden konden worden. Dit zou tot stand zijn gekomen met geld van SGL. [medeverdachte] zou met geld van SGL op grote schaal onroerend goed hebben gekocht en kostbare kunstvoorwerpen die voorheen bij SGL hingen, in zijn huis hebben hangen. e. Na overleg tussen FIOD en Belastingdienst op 22 januari 2009 heeft, vanwege het op dat moment ontbreken van concrete verdenkingen, de Belastingdienst besloten een boekenonderzoek te doen bij SGL. f. De FIOD heeft op 8 maart 2010 bij de Belastingdienst geïnformeerd naar de bevindingen van het onderzoek. Daarbij bleek dat er geen voortgang in het boekenonderzoek zat, waarbij de Belastingdienst de indruk had dat het onderzoek door SGL onnodig werd vertraagd en opgehouden. g. Op 8 juni 2010 kwam er een anonieme brief, naar achteraf blijkt afkomstig van [getuige 2] , binnen bij de Belastingdienst over [naam BV] , die voor de Belastingdienst reden was om bij [naam BV] een boekenonderzoek in te stellen. h. Via [naam voorzitter] werd medio juni 2010 bekend dat [getuige 2] de schrijver was van de anonieme brief. De FIOD besluit vervolgens op 27 augustus 2010 in overleg met het Openbaar Ministerie, mede omdat het boekenonderzoek werd tegengewerkt, om [getuige 2] en [getuige 3] (de verkoper van de manege aan [naam stichting 1] ) te horen. Dit is op 2 en 23 september 2010 gebeurd. [getuige 2] doet tijdens zijn verhoor aangifte van valsheid in geschrifte en verduistering tegen [medeverdachte] . i. In november 2010 vond er een bijeenkomst plaats tussen OM, FIOD en Belastingdienst, waarbij door de (contactambtenaar van
- de)Belastingdienst informatie werd uitgewisseld met de FIOD. j. Het voorgaande leidde tot een verdenking in maart 2011. De zaak is daarop aangemeld in het Tripartite Overleg. Deze overleggen vonden plaats op 7 april 2011 en 9 juni 2011. In het overleg van 9 juni 2011 werd besloten tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek, waarna in oktober 2011 het onderzoeksteam Mustang werd gevormd. Uit het OPV en de toelichting daarop van de officier van justitie op de zitting blijkt dat het traject tot de vorming van het onderzoeksteam vanuit de FIOD (zie hier sub
- j)wordt begeleid door de zogenaamde afdeling Account van de FIOD. Deze afdeling onderzoekt meldingen en aanwijzingen en werkt ze eventueel uit tot verdenkingen. Dat onderzoek vindt plaats door onderzoek in openbare registers en op internet (zie hier sub b). Een van hun informatiebronnen is ook de Belastingdienst (zie hier sub c). Als er nog geen verdenking is, kan de Belastingdienst besluiten om een controle onderzoek te verrichten (zie hier sub e). De FIOD kan verzoeken om de bevindingen van dat onderzoek te ontvangen (zie hier sub f). De FIOD kan ook zelf personen horen (zie hier sub h). Los daarvan kan de Belastingdienst ook zelf aan de hand van meldingen (zie hier sub
- g)besluiten om een boekenonderzoek uit te voeren (zie hier sub g). De toelichting door de officier van justitie dat de leden van het onderzoeksteam niet betrokken zijn geweest bij de vorming van de verdenking, wordt ondersteund door de verklaringen van de FIOD ambtenaren [naam FIOD ambtenaar 1] en [naam FIOD ambtenaar 2] dat zij pas vanaf oktober 2011 kennis krijgen van en betrokken raken bij dit onderzoek. Zij ontvangen dan het overzicht en de bevindingen van het Account-onderzoek en zetten hun eigen onderzoek daarop voort. Een van de vele onderzoekshandelingen die zij hebben gedaan, is het horen van [getuige 1] , die het boekenonderzoek bij [naam BV] heeft verricht. [getuige 1] beschrijft als getuige de aanleiding tot het boekenonderzoek bij [naam BV] (G03-01, blz. 2). Een van de vijf redenen voor dat onderzoek is de ‘klikbrief’ over misstanden bij [naam BV] (zie sub g). De rechtbank is van oordeel dat de in het OPV beschreven gang van zaken helder en transparant is. Van aansturing door de FIOD van het door de Belastingdienst verrichte onderzoek blijkt niet uit het procesdossier. Ad ii. en ad iii. De stelling van verdachte dat het onderzoek van de Belastingdienst door de FIOD is gestuurd en alleen maar tot doel had om hem te belasten, wordt door verdachte voornamelijk onderbouwd met de redenering dat als het onderzoek ‘eerlijk’ zou zijn uitgevoerd, gebleken zou zijn dat de beschuldigingen die er nu liggen, ongegrond zijn. Dat die beschuldigingen ongegrond zijn, blijkt volgens verdachte uit het gegeven dat zijn bijtelling IB inzake [naam BV] in rechte verminderd is van 1,5 miljoen euro naar 17 duizend euro. Dat het onderzoek bij [naam BV] slechts met het doel zou zijn ingesteld om informatie te krijgen over [medeverdachte] en dat van dat onderzoek de vooringenomenheid afstraalt, wordt door de rechtbank niet herkend. Ook de stelling dat het conceptrapport van de Belastingdienst en de door [getuige 1] afgelegde verklaringen in het strafrechtelijke onderzoek alleen meningen bevatten, wordt door de rechtbank niet herkend. Verschillende kwesties die in het rapport van de Belastingdienst over [naam BV] worden beschreven, houden tijdens het FIOD onderzoek stand en waren voor de officier van justitie voldoende concreet om ten laste te leggen. Het betreft ernstige verdenkingen. Of, en in hoeverre die verdenkingen gegrond zijn, is onderwerp van onderhavige strafprocedure. In dat onderzoek zijn de bewijsmiddelen zoals deze zich in het procesdossier bevinden, leidend. Of, en in hoeverre aanslagen IB worden opgelegd en standhouden die verband houden met onderwerpen die ook ten laste zijn gelegd, is voor de rechtbank in deze strafzaak niet maatgevend, alleen al om de reden dat niet op basis van dezelfde stukken wordt geoordeeld. De rechtbank heeft verder ook geen kennis van de genoemde aanslagen IB en de procedures inzake de inkomstenbelasting van verdachte. Kortom, van ongeoorloofde sturing door de FIOD of een “geheim” onderzoek naar [medeverdachte] is niet gebleken en de (uitkomsten van
- de)procedures rondom de inkomstenbelasting van [medeverdachte] in privé hebben geen bewijswaarde in de strafrechtprocedure tegen hem. Ad iv. In paragraaf 2.2 van het definitief rapport van onderzoek van de Belastingdienst bij [naam stichting 1] en [naam BV] van 15 maart 2013 (bijlage D-231) is het verloop van het onderzoek beschreven. Daaruit blijkt dat de Belastingdienst tijdens het onderzoek alleen gesproken heeft met de accountants en [verdachte] . [verdachte] gaf desgevraagd herhaaldelijk aan dat zij [naam BV] vertegenwoordigde en dat verdachte door haar geïnformeerd werd. Ten tijde van het eerste verhoor van [getuige 1] door de FIOD op 10 november 2011 was het boekenonderzoek nog niet afgerond. [getuige 1] verklaart tijdens dit verhoor dat de uitvoering van het onderzoek gekenmerkt wordt door grote vertraging in het aanleveren van gevraagde gegevens, annuleren van afspraken en opeenvolgende vakanties van personen die bij het onderzoek betrokken zijn. Het conceptrapport dateert van na het verhoor van [getuige 1] . Dit conceptrapport is blijkens de definitieve versie door verdachte becommentarieerd. Uit het in het rapport beschreven verloop van het onderzoek (2.2) blijkt verder dat verdachte op verschillende momenten in de gelegenheid is gesteld om (nader) te reageren. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor de stelling van verdachte dat hij nooit de kans heeft gehad op het rapport van de Belastingdienst te reageren. Ter zitting heeft verdachte nog aangegeven dat hij zich bij de bespreking van zijn commentaar op het conceptrapport heeft laten vertegenwoordigen door adviseurs [naam adviseur 1] en [naam adviseur 2] , omdat [naam adviseur 2] hem gezegd zou hebben dat de Belastingdienst liever niet had dat hij bij dit gesprek aanwezig was. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de Belastingdienst een dergelijke mededeling zou hebben gedaan. Ad v. Op de zitting heeft de verdediging toegelicht dat het openbaar ministerie in persberichten gesproken heeft over ‘miljoenenfraude’ en dat dit getuigen bang gemaakt heeft om nog in het voordeel van verdachte te getuigen. De rechtbank merkt allereerst op dat of en in hoeverre sprake is van strafbare gedragingen door verdachte onderwerp is van dit strafrechtelijk onderzoek. Voorts merkt de rechtbank op dat bij de waardering van getuigenbewijs altijd scherp gelet moet worden of en in hoeverre getuigen belang kunnen hebben om een eventueel eigen aandeel in vermeend onjuist handelen van een verdachte te ontkennen of te bagatelliseren. Ad vi. De rechtbank merkt op dat het in het algemeen niet verkeerd is om getuigen te confronteren met bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van andere getuigen. Doorgaans gebeurt dit pas nadat de getuige zijn eigen verklaring heeft gegeven. Uit het dossier blijkt dat dit regelmatig op deze wijze is gebeurd. Verdachte heeft vooral moeite met het confronteren van getuigen met bevindingen uit het belastingonderzoek en/of de als getuige afgelegde verklaringen daarover door [getuige 1] , omdat hij de uitkomsten van dat onderzoek en de verklaringen van die getuige onjuist acht. De rechtbank acht echter de visie van verdachte op de juistheid van een bewijsmiddel niet dragend voor de toelaatbaarheid om een getuige met dat bewijsmiddel te confronteren. Of een getuige door (te vroege) confrontatie beïnvloed is in zijn verklaring en dit de betrouwbaarheid van diens getuigenverklaring aantast, kan onderwerp zijn van debat bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Ad vii. Uit de overwegingen tot nog toe blijkt dat de rechtbank de bezwaren van verdachte over de aanvang van het onderzoek en de wijze waarop het is uitgevoerd, ongegrond vindt. Kleine onjuistheden en onvolkomenheden in onderzoek kunnen in verband met de te behandelen ten laste gelegde feiten worden gecorrigeerd of gesanctioneerd. De uitgangsgedachte van verdachte is echter dat het hele onderzoek tegen hem is opgezet en uitgevoerd met het enkele doel om hem te beschadigen en te belasten. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de juistheid van die uitgangsgedachte. Heel veel door de verdediging gestelde vragen aan getuigen hadden tot doel om die uitgangsgedachte te onderbouwen. De rechtbank is van oordeel dat de rechter-commissaris om goede redenen die vragen heeft beperkt of belet. Ad viii. De rechtbank zal bij de bespreking van de onderzoekswensen nader ingaan op de verzochte nadere stukken. Daaruit zal blijken dat de rechtbank van oordeel is dat toevoeging van extra stukken slechts beperkt nodig is. Er zijn geen aanwijzingen dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren (ernstig) inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken kan niet leiden tot niet- ontvankelijkheid, maar hooguit tot strafvermindering.’ De rechtbank heeft de zaak op 10 november 2017 verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van twee getuigen en de officier is opdracht gegeven om de stukken van de Raad van Toezicht (RvT) van SGL over de periode 2005 tot en met 2010 die het onderzoeksteam ter beschikking heeft gehad aan het dossier toe te voegen. Medio december 2017 heeft de officier van justitie RvT-stukken over de periode 2005 tot en met 2010 aan het dossier toegevoegd. De rechter-commissaris heeft de zaak geretourneerd naar de meervoudige kamer, omdat de verdediging zich in de zaak van medeverdachte [medeverdachte] op het standpunt stelde dat deze stukken incompleet waren en zij voorafgaand aan de verhoren diende te beschikken over alle van belang zijnde stukken. Daarop is besloten een nadere zitting te houden op 12 april 2018. Daar is aan de orde geweest of de officier van justitie met de overgelegde stukken heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat de officier niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank. De verdediging heeft gemotiveerd gesteld dat de overgelegde RvT-stukken niet compleet zijn. Op deze zitting heeft de verdediging de rechtbank verder verzocht terug te komen op de op 10 november 2017 genomen beslissingen en de verzoeken van de verdediging alsnog integraal toe te wijzen. Dit laatste verzoek heeft de rechtbank afgewezen, omdat er geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren waren gebracht die daar aanleiding toe gaven. Om helder te krijgen wat het onderzoeksteam aan RvT-stukken ter beschikking heeft gehad en wat er mogelijk ontbreekt, is besloten op dit punt (naast de nog te horen getuigen) ook de secretaris van SGL te horen. De getuigenverhoren hebben plaatsgevonden op 23 en 24 mei 2018. De verdediging heeft voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling het pre-weegdocument van 1 maart 2011 ingebracht. De rechtbank heeft tussentijds geoordeeld dat zij geen verschillen van betekenis ziet tussen het pre-weegdocument en hetgeen over de aanleiding van het onderzoek is opgenomen in het OPV en daarom geen aanleiding ziet terug te komen op de genomen beslissing over de niet-ontvankelijkheid. Beoordeling van het bij pleidooi gedane verzoek Bij pleidooi is opnieuw betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en tekortkomingen in het FIOD-onderzoek. Aanleiding van het onderzoek en de rol van de FIOD en de Belastingdienst In de beslissing van 10 november 2017 is uitgebreid ingegaan op de aanleiding van het onderzoek zoals dat uit de stukken blijkt. Het door de verdediging later in de procedure ingebrachte pre-weegdocument bevat geen nieuwe informatie die afdoet aan de destijds op grond van deze informatie door de rechtbank getrokken conclusies. Ook hetgeen de verdediging hierover verder naar voren heeft gebracht, geeft geen aanleiding tot nader onderzoek en/of bijstelling van het oordeel van de rechtbank. Er zijn geen aanwijzingen dat de FIOD het onderzoek van de Belastingdienst heeft aangestuurd. Beide onderzoeken hebben deels parallel gelopen, maar de rechtbank is nergens uit gebleken dat de rechten van [verdachte] als verdachte in haar strafprocedure zijn geschonden. Evenmin heeft de rechtbank kunnen constateren dat de onderzoeksresultaten van het strafrechtelijk onderzoek zijn verkregen op een manier die de waarborgen op een eerlijk strafproces heeft geschonden. Het onderzoek door de FIOD In de beslissing van 10 november 2017 is ingegaan op wat [verdachte] heeft gesteld over de confrontatie van getuigen met de verklaring van [getuige 1] en de wijze waarop het OM deze zaak in de media heeft neergezet in 2012. Daarbij is overwogen dat eventuele beïnvloeding van getuigen door te vroege confrontatie met andere bewijsmiddelen of de invloed van berichten in de media op verklaringen van getuigen onderwerp kan zijn van inhoudelijk debat. De rechtbank constateert dat de verdediging bij pleidooi dit debat niet is aangegaan en geen enkel concreet voorbeeld heeft gegeven waarin sprake zou zijn geweest van een dergelijke beïnvloeding. De rechtbank acht het verwijt daarom ongegrond. Stukken van de Raad van Toezicht van SGL over de jaren 2005-2010 De officier van justitie heeft zeven ordners overgelegd met opschriften SGL RvT jaren 2005 tot en met 2010. De ordners zijn verder voorzien van FIOD stickers met bijlagennummer 44992 en codes J-022, J-023, J-018, J-019, J-024, J-021 en J-020. De FIOD heeft aangegeven dat dit een kopie is van een eerder door de FIOD aan de Belastingdienst verstrekte kopie van door de FIOD bij SGL inbeslaggenomen RvT-stukken. De stukken die de FIOD inbeslaggenomen heeft bij SGL en die niet als document in het dossier zijn gevoegd, zijn na afronding van het onderzoek van de FIOD geretourneerd aan SGL, zodat deze niet meer konden worden overgelegd. De heer [getuige 4] is op het punt van de door SGL aan het onderzoeksteam verstrekte stukken van de Raad van Toezicht nader gehoord. De heer [getuige 4] heeft een foto getoond van het hardcopy dossier zoals dat bij SGL staat. Daarop staan soortgelijke ordners als ingebracht door de officier van justitie met soortgelijke FIOD stickers. Hij heeft verklaard dat de FIOD-stickers nog op het dossier zitten en dat in het dossier dat SGL terugkreeg van de FIOD een aantal originele stukken ontbrak. Dit sluit aan op het door de FIOD gerelateerde. Het verhoor heeft geen feiten en omstandigheden aan het licht gebracht op grond waarvan verondersteld moet worden dat de FIOD nog andere stukken ter beschikking heeft gehad en gebruikt voor haar onderzoek. Een andere vraag is of deze ordners alle RvT-stukken over 2005 – 2010 bevatten. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. Uit het verhoor en de door de heer [getuige 4] overgelegde overzichten en uitdraaien van gescande pdf’s van vastgestelde notulen van de RvT blijkt dat er bij SGL digitaal nog stukken aanwezig zijn die niet in de ordners zitten. De rechtbank heeft vastgesteld dat met de stukken die [getuige 4] ten tijde van het verhoor heeft overgelegd, de notulen van de vergaderingen van de RvT van SGL over de jaren 2005 – 2010 vrijwel compleet zijn. Alleen de notulen van de vergadering van 15 maart 2005 en van de vergaderingen van 12 februari, 24 maart en 15 oktober 2009 ontbreken. Nu er in het dossier geen aanwijzingen zijn dat in een van deze vergaderingen voor de strafzaak relevante informatie is besproken in de Raad van Toezicht, ziet de rechtbank geen aanleiding de zaak (verder) aan te houden voor nader onderzoek op dit punt. De verdediging heeft daar ook niet om gevraagd in de zaak van [verdachte] . Van ernstige tekortkomingen in het FIOD-onderzoek is in ieder geval geen sprake. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Er zijn na 10 november 2017 geen nieuwe feiten en omstandigheden gebleken die nopen terug te komen op de duidelijke beslissing hierover van 10 november 2017. Er zijn geen aanwijzingen dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van [verdachte] aan haar recht op een eerlijke behandeling van haar zaak is tekortgedaan. Overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken kan niet leiden tot niet‑ontvankelijkheid, maar hooguit tot strafvermindering. Op de vraag of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en zo ja, welke consequenties daaraan verbonden moeten worden wordt ingegaan in paragraaf 7. 4 De beoordeling van het bewijs De officieren van justitie hebben zich, zoals vervat in het schriftelijke requisitoir, op het standpunt gesteld dat alle feiten moeten worden bewezenverklaard. De raadsman heeft, overeenkomstig de overgelegde pleitnotities, integrale vrijspraak bepleit. De rechtbank oordeelt als volgt. 4.1 Vrijspraakoverwegingen ten aanzien van feit 3: oplichting Raad van Toezicht (feitonderdeel 26) In feit 3 van de tenlastelegging is aan [verdachte] – kort gezegd - tenlastegelegd dat zij samen met [medeverdachte] de Raad van Toezicht heeft opgelicht door deze Raad te bewegen tot afgifte van in totaal € 179.301,-, door aan deze Raad begrotingen SGL over de jaren 2008, 2009 en 2010 voor te leggen met daarin een op valse gronden veel hoger budget voor [naam BV] dan gerechtvaardigd was en door van dat budget geen onderbouwing en risicotaxatie te verstrekken noch jaarlijks informatie te verstrekken over de daadwerkelijk behaalde resultaten. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] aanstonds van dit feit moet worden vrijgesproken. De reden daarvoor is dat slechts van oplichting van de Raad van Toezicht sprake kan zijn als [verdachte] en [medeverdachte] de Raad van Toezicht zouden hebben bewogen tot afgifte van geld aan [naam BV] (hierna: [naam BV] ). De Raad van Toezicht heeft echter nooit geld aan [naam BV] verstrekt. Ze is ook niet het orgaan van SGL dat daartoe bevoegd is. Het enige dat de Raad van Toezicht in dit verband heeft gedaan, is het goedkeuren van de begrotingen. De officier van justitie heeft tijdens de zitting gepoogd dit manco te repareren door aan te geven dat zonder die goedkeuringen de desbetreffende budgetten niet aan [naam BV] verstrekt hadden kunnen worden. De rechtbank acht dit echter geen steekhoudend argument om daarom de Raad van Toezicht maar als de ‘afgever’ van het geld te beschouwen. Wat de officier van justitie waarschijnlijk heeft bedoeld, en waar ook zijn requisitoir op geënt lijkt, is dat SGL is opgelicht. Die verdenking tot oplichting, zo wordt uitvoerig uiteengezet in het FIOD-onderzoek, lijkt opgebouwd uit (
- a)het opzetten door [medeverdachte] van een structuur waarop de Raad van Toezicht en de accountant geen zicht hebben, (
- b)het via [verdachte] daarin verkrijgen van de (feitelijke) zeggenschap, (
- c)het met een valse samenwerkingsovereenkomst toekennen aan [naam BV] van een veel hoger budget dan zakelijk verdedigbaar was en (
- d)het misleiden van de Raad van Toezicht tot goedkeuring van dit budget door gebrekkige informatie te geven en/of essentiële informatie te onthouden. Hoewel het niet aan de rechtbank is om aan te geven hoe de tenlastelegging eruit had kunnen zien als alternatief voor de bestaande, dient deze uiteenzetting om aan te geven dat misleiding van de Raad van Toezicht in een eventuele oplichting wel een belangwekkende rol had kunnen spelen, maar dat die Raad daarmee nog steeds niet de opgelichte partij wordt. Een argument dat ondersteunt dat het veel logischer is om SGL als eventueel opgelichte partij te beschouwen dan de Raad van Toezicht, is dat de in feitonderdeel 27 te bespreken vals opgemaakte samenwerkingsovereenkomst niet bedoeld was om te gebruiken tegenover de Raad van Toezicht, maar als (valse) basis om SGL te bewegen tot afgifte van de in die overeenkomst genoemde voorschotten en bedragen. Een ander onderdeel uit dit feit van de tenlastelegging dat moeilijk te rijmen is met de feitelijke gang van zaken, is dat de Raad van Toezicht zou zijn bewogen tot afgifte van € 179.301,- aan [naam BV] . Uit de opbouw van dit bedrag en de verwijzingen naar documenten in het FIOD-dossier blijkt dat deze bedragen in wezen dezelfde zijn als de bedragen die in feit 4 als verduistering ten laste zijn gelegd. Het (niet steeds eenvoudig te herleiden) verschil wordt veroorzaakt doordat de periode in feit 3 beperkter in tijd is dan in feit 4 (waardoor het bedrag in feit 4 hoger is). Evident is dat als de Raad van Toezicht iets afgegeven heeft, het de toestemming is geweest tot afgifte van het gehele budget. Als aangenomen zou worden dat de ten laste gelegde oplichting alleen gericht was op de afgifte van deze specifieke bedragen, zou dat impliceren dat [verdachte] en/of medeverdachte [medeverdachte] op het moment van de gestelde oplichting al beoogde(
- n)om zich juist die bedragen via [naam BV] toe te eigenen. Voor dat oogmerk ontbreekt bewijs. Het is ook moeilijk voor te stellen dat [verdachte] en [medeverdachte] op het moment van het verkrijgen van de bedragen precies zouden weten welke bedragen zij daarna voor privédoeleinden wilden besteden. Als met de officier van justitie dat oogmerk wel aangenomen zou worden, is vervolgens niet vanzelfsprekend dat bedragen die eerst via oplichting onrechtmatig door [naam BV] zijn verkregen, vervolgens nog eens verduisterd kunnen worden. De voorgaande gebreken in feit 3 van de tenlastelegging leiden tot vrijspraak voor dit feit. De rechtbank ziet hierom geen noodzaak om de elementen van dit deel van de tenlastelegging nader te onderzoeken. Anders gezegd: de rechtbank ziet geen aanleiding om aan de hand van de bewijsmiddelen te onderzoeken of de Raad van Toezicht is misleid, zoals is ten laste gelegd, nu dat niet tot een bewezenverklaring van oplichting van die Raad van Toezicht kan leiden. 4.2 Juridisch kader verduistering in dienstbetrekking De rechtbank zal hieronder, omwille van de leesbaarheid en zonder vooruit te willen lopen op een bewezenverklaring van de strafbare feiten, uiteenzetten hoe zij de verschillende gevallen van verduistering die [verdachte] worden verweten, heeft beoordeeld. Ingevolge artikel 321 jo. 322 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is sprake van verduistering in dienstbetrekking wanneer iemand opzettelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort en dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of beroep of tegen geldelijke vergoeding onder zich heeft, zich wederrechtelijk toe-eigent. De vraag die bij verduistering vaak van belang is, is op welk moment gezegd kan worden dat van toe-eigening sprake is. In de jurisprudentie is daarvoor het criterium ontwikkeld dat daarvan sprake is zodra het besluit om de zaak naar eigen goeddunken ten nutte te maken, zich in daden heeft omgezet door er als heer en meester over te beschikken. In gevallen waarin een goed daadwerkelijk buiten de zeggenschap van de werkgever-eigenaar wordt gebracht, is dat moment vaak duidelijk te traceren. In deze zaak zou gezegd kunnen worden dat als [verdachte] besluit om kunstvoorwerpen van SGL in haar eigen woning op te hangen, de verduistering een feit is zodra zij die voorwerpen in haar woning heeft ondergebracht. Ingewikkelder is het als [verdachte] samen met [medeverdachte] als bestuurder van SGL een dienst of goed laat betalen die niet geleverd wordt of voor een lagere prijs en zij dat geld vervolgens aanwenden om een privéuitgave mee te doen. Dit doet zich bijvoorbeeld voor bij één van de paarden ( [naam paard 1] ), waarbij SGL een rekening betaalt voor kosten, maar de verdenking is dat [medeverdachte] en [verdachte] hiermee voor zichzelf een paard kochten. De verduistering is in dat geval ‘voltooid’ als de betaling aan de zogenaamde leverancier is voltooid en het geld uit de macht is van SGL. [verdachte] zou zich in die situatie het geld als het ware via een derde (longa manu) hebben toegeëigend (zij zal van dat feit worden vrijgesproken). Het paard dat zij voor dat geld van die derde verkrijgt, is dan weliswaar met dat verduisterde geld gekocht, maar is niet het verduisterde object. Nog verder verwijderd van de ‘klassieke’ verduistering is de situatie dat het verduisterde goed formeel eigendom blijft van bijvoorbeeld SGL, maar [verdachte] en [medeverdachte] er als heer en meester over beschikken of heersen. Dit doet zich in deze zaak voor bij paard [naam paard 6] , maar ook bij de verbouwingskosten. Hoewel de rechtbank deze situaties bij de behandeling van de desbetreffende feitonderdelen zal bespreken, geeft zij hier ter verduidelijking toch een voorbeeld. Onderdeel van de verduistering is het verwijt dat [verdachte] samen met [medeverdachte] een woning van SGL met geld van SGL inricht met de kennelijke bedoeling om als gebruiker van die woning van die inrichting te profiteren. De vraag is dan of gezegd worden dat het geld dat aan die inrichting is uitgegeven, is verduisterd. De rechtbank is van oordeel dat ook in een dergelijk geval kan worden aangenomen dat een verdachte als heer en meester over dat geld is gaan beschikken, mits: a. de desbetreffende uitgave redelijkerwijs niet te relateren is aan het doel waartoe medeverdachte [medeverdachte] in zijn functie bevoegdelijk over dat geld mocht beschikken, en b. het eigen belang bij de aanwending van dat geld duidelijk blijkt. Anders gezegd: het goed wordt verduisterd als het aan zijn bestemming wordt onttrokken, ten eigen nutte wordt aangewend en zo dus een ander doel krijgt. 4.3 SGL en [naam BV] 4.3.1 De doelstellingen van SGL en [naam BV] Blijkens haar statuten is het doel van de Stichting Gehandicaptenzorg Limburg (SGL) het ondersteunen van gehandicapten en chronisch zieken bij het bereiken en handhaven van door henzelf gewenste, maatschappelijk gerechtvaardigde leef- en bestaanswijzen. Onder gehandicapten en chronisch zieken worden hierbij verstaan personen die duurzame beperkingen in de zelfredzaamheid ondervinden door lichamelijke, cognitief-intellectuele en/of psychische gevolgen van ziekte, letsel of aangeboren gebrek. De stichting tracht haar doel te bereiken door: a. het beheren, administreren, begeleiden, ondersteunen en voor zover nodig het stichten en exploiteren van instellingen, al dan niet met een eigen rechtspersoonlijkheid; b. het behartigen van de gemeenschappelijke belangen van de stichting alsmede van de instellingen en rechtspersonen waaraan de stichting in het kader van de onder a. omschreven doelstelling diensten verleend dan wel waarover de stichting het beheer voert; c. het bevorderen van een samenhangend zorgbeleid, zowel plaatselijk als regionaal, onder meer door het samenwerken met andere instellingen op het gebied van intra- en extramurale zorg en aanverwante sectoren; d. alle andere wettige middelen, die tot het bereiken van het doel bevorderlijk kunnen zijn of daarmee in de ruimste zin verband houden. SGL verstrekt als zorgaanbieder zorg in de ruimste zin van het woord aan cliënten met een lichamelijke, zintuiglijke of meervoudige beperking, waaronder cliënten met een niet aangeboren hersenletsel, zogeheten “NAH-cliënten”. SGL ontvangt op basis van productieafspraken, die zij met zorgkantoren waaronder CZ Zorgkantoor als grootste zorgkantoor (circa 80%) maakt, jaarlijks vele miljoenen euro’s aan publieke (AWBZ) gelden om deze zorg te financieren (in 2010 circa 40 miljoen euro). De AWBZ-gelden worden verstrekt met een bepaald doel namelijk dat deze gelden gebruikt worden voor het leveren van zorg. Blijkens de statuten heeft [naam BV] ten doel: a. bedrijfsmatige activiteiten, waarbij op commerciële basis diensten worden aangeboden gericht op de ondersteuning van gehandicapten en chronisch zieken dan wel andere doelgroepen die bij de hiervoor ontwikkelde aanpak baat kunnen hebben; b. de exploitatie van gronden en andere onroerende zaken welke mede kunnen worden ingezet bij de bedrijfsmatige activiteiten gericht op de ondersteuning van gehandicapten en chronische zieken dan wel andere doelgroepen die bij de hiervoor ontwikkelde aanpak baat kunnen hebben; c. de exploitatie van agrarische- en dierbedrijven welke mede kunnen worden ingezet bij de bedrijfsmatige activiteiten gericht op de ondersteuning van gehandicapten en chronisch zieken dan wel andere doelgroepen die bij de hiervoor ontwikkelde aanpak baat kunnen hebben; d. het ontwikkelen van concepten die, direct of indirect, op korte of lange termijn, kunnen bijdragen aan nieuwe bedrijfsmatige activiteiten gericht op de ondersteuning van gehandicapten en chronische zieken dan wel andere doelgroepen die bij de hiervoor ontwikkelde aanpak baat kunnen hebben; e. het oprichten van en/of het deelnemen in en/of het samenwerken met en/of het besturen van en/of het financieren van andere ondernemingen of organisaties met gelijk of aanverwant doel; f. het oprichten van en/of het deelnemen in en/of het samenwerken met en/of het besturen van en/of het financieren van andere ondernemingen of organisaties met algemeen doel; g. het verstrekken en aangaan van geldleningen, het beheren van en het beschikken over registergoederen en het stellen van zekerheden, ook voor schulden van anderen; h. het verrichten van alle andere activiteiten die verband houden met hetgeen in dit artikel is opgenomen of daarvoor bevorderlijk kunnen zijn. [naam BV] is op 12 augustus 2005 opgericht door de [naam stichting 1] ( [naam stichting 1] ). [naam stichting 1] is op 21 juli 2005 opgericht door de heer [naam oprichter] . [naam stichting 1] was enig aandeelhouder en bestuurder van [naam BV] . SGL, [naam stichting 1] en [naam BV] waren met elkaar verweven via de [naam stichting 2] , een optieovereenkomst, statutaire bepalingen en deelname van bestuurders in elkaars besturen. [naam BV] bood – ten tijde hier van belang – dagbesteding aan in een zorgwinkel, een zorgboerderij en een manege. 4.3.2 De samenwerking tussen SGL en [naam BV] SGL is ingaande 1 april 2007 een deel van de door haar geleverde zorg gaan uitbesteden aan [naam BV] . Deze onderaanneming is overeengekomen bij verschillende samenwerkingsovereenkomsten. In de overeenkomsten wordt overwogen dat SGL zorg levert voor volwassenen met een lichamelijke, zintuiglijke of meervoudige beperking en daartoe voorzieningen zelf inzet dan wel van derden huurt, dat [naam BV] voorzieningen wenst te ontwikkelen en in te zetten, geschikt voor volwassenen met een lichamelijke, zintuiglijke of meervoudige beperkingen, dat SGL in beginsel bereid is deze voorzieningen voor een langere periode te huren en dat partijen deze overeenkomst aangaan om de samenwerking vorm en inhoud te geven. In de overeenkomsten is afgesproken dat [naam BV] zorg- en dienstverlening in het kader van dagbesteding en ondersteunende en activerende begeleiding zal aanbieden voor cliënten van SGL in de vorm van een zorgboerderij op de locatie ‘ [naam zorgboerderij] ’ in [plaats 2] , ‘ [naam manege] ’ in [woonplaats 2] en een winkel, de ‘ [naam winkel] ’ in Kerkrade. De zorgboerderij en de winkel maakten voorheen onderdeel uit van SGL. De manege is op 10 april 2007 aangekocht door [naam stichting 1] . De zorgconcepten die binnen [naam BV] ontwikkeld zouden worden golden als vernieuwend. De structuur waarbinnen een en ander uiteindelijk is opgezet ( [naam BV] en [naam stichting 1] ), is binnen SGL geïnitieerd door [medeverdachte] . Aanvankelijk werd tussen SGL en [naam BV] overeengekomen dat voor door [naam BV] geleverde zorg facturatie zou plaatsvinden op maandbasis achteraf. Met ingang van 2 april 2008 zijn partijen een budgetverhoging overeengekomen en maandelijkse bevoorschotting op basis van een capaciteitsafspraak waarbij partijen overeenkomen dat [naam BV] jaarlijks een overzicht van de gerealiseerde productie aan SGL zou doen toekomen. 4.3.3 Rol van [medeverdachte] en [verdachte] binnen SGL en [naam BV] Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat medeverdachte [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2001 tot 1 november 2010 enig gevolmachtigd lid van de Raad van Bestuur van SGL was met zelfstandige bevoegdheid om SGL te vertegenwoordigen. In de tenlastegelegde periode, vanaf 2005 tot zijn aftreden op 1 november 2010 was hij enig bestuurder. Op 11 februari 2008 is [medeverdachte] uit hoofde van zijn functie als bestuurder van SGL ook toegetreden tot het bestuur van [naam stichting 1] . [verdachte] is in 2005 in dienst getreden bij SGL als secretaresse van [medeverdachte] . In die tijd hebben [medeverdachte] en [verdachte] een relatie gekregen. Vanaf 9 april 2007 is [verdachte] in dienst getreden bij [naam BV] als manager backoffice. De heer [naam oprichter] , destijds nog enig bestuurder van [naam stichting 1] , heeft [verdachte] met ingang van 1 augustus 2007 een onbeperkte volmacht verstrekt [naam BV] te vertegenwoordigen. Met ingang van 1 juli 2009 was [verdachte] bedrijfsdirecteur bij [naam BV] . De rechtbank leidt uit de in dit onderzoek afgelegde getuigenverklaringen af dat [medeverdachte] nagenoeg absolute zeggenschap had om binnen SGL en [naam BV] te bepalen waaraan geldmiddelen werden uitgegeven. Zo is gebleken dat [medeverdachte] zich binnen SGL niet aan de procuratieregeling hield. [medeverdachte] heeft zelf verklaard dat hij “geregeld door alle procedures is gefietst”. Verschillende werknemers verklaren dat als [medeverdachte] vroeg om een betaling te doen of een handtekening te zetten, je hem niet tegensprak omdat je anders niet zeker was van je baan. Een voorbeeld waaruit blijkt dat [medeverdachte] geen kritiek verdroeg op wat hij deed en wilde, is af te leiden uit de verklaring van [getuige 5] . Deze verklaart dat nadat zijn collega [naam collega] aan de hand van een door hem opgestelde notitie zich kritisch had uitgelaten over de financiering van [naam BV] , [medeverdachte] (volgens die collega) die notitie door de kamer had gegooid en had geroepen wat ze zich wel verbeeldde (hoewel ze controller en accountant was) en dat daarna haar rol in het management was uitgespeeld. Uit de verklaringen van [getuige 6] en [getuige 7] blijkt dat [medeverdachte] het paardendossier bij SGL helemaal alleen beheerde. Ook [getuige 8] en [getuige 3] verklaren enkel met [medeverdachte] zaken gedaan te hebben. [verdachte] heeft verklaard dat als er binnen [naam BV] grote beslissingen moesten worden genomen zij dit eerst overlegde met [medeverdachte] . [medeverdachte] overlegt met [naam oprichter] en koppelt dat aan haar terug. Uit getuigenverklaringen komt ook naar voren dat [verdachte] formeel de directrice was, maar dat alle echte besluiten door [medeverdachte] genomen werden. Uit het dossier blijkt dat op papier sprake was van aparte instellingen (SGL, [naam BV] en [naam stichting 1] ) maar dat in de praktische uitvoering ook op lagere niveaus de zaken nogal eens door elkaar liepen. Zo verrichtten ook medewerkers van SGL wel werkzaamheden voor [naam BV] . 4.4 Vrijspraakoverwegingen ten aanzien van de kosten stalling, lessen, concoursbegeleiding manege [getuige 8] en terugstorting SGL (feitonderdeel 1): De verdenking is dat [verdachte] samen met [medeverdachte] als bestuurder van SGL kosten die in privé door haar, [medeverdachte] en diens dochter [naam dochter] bij [getuige 8] aan lesgeld, stalling van paarden en coucoursbegeleiding van [naam dochter] werden gemaakt, door SGL liet betalen. De basis waarop deze betalingen van SGL aan [getuige 8] steunen, is een overeenkomst van 10 februari 2005 tussen [getuige 8] en SGL. Uit de administratie van [getuige 8] blijkt dat ook paardrijlessen van en concoursbegeleiding voor met name [naam dochter] alsmede stallingskosten van paarden van [medeverdachte] (al dan niet te gebruiken door [naam dochter] ) onder deze overeenkomst aan SGL in rekening zijn gebracht. Uit de lesregistratie van [getuige 8] kan in enkele gevallen afgeleid worden dat ook [verdachte] bij [getuige 8] lessen heeft gevolgd die door SGL zijn betaald. In dit strafdossier is aangenomen dat [medeverdachte] en [verdachte] vanaf augustus 2006 een serieuze relatie hadden. In die maand is namelijk op de bankrekening van [medeverdachte] een bijschrijving van [verdachte] aangetroffen met als omschrijving dat huishoudgeld werd overgemaakt. Als ervan uitgegaan mag worden dat vanaf dat moment ( [verdachte] was immers ook de secretaresse van [medeverdachte] bij SGL) [verdachte] beter op de hoogte raakte van de wijze waarop [medeverdachte] zich geld en goederen van SGL toe-eigende, valt dat moment in dit geval nagenoeg samen met het moment waarop [medeverdachte] haar ‘meenam’ naar manege [getuige 8] voor het (dikwijls samen met hem) volgen van paardrijlessen. Buiten het feit dat zou kunnen worden vastgesteld dat haar lessen door SGL zijn betaald, zijn er voor het overige geen aanwijzingen voor haar aandeel in de verduistering. Wat uit de bewijsmiddelen blijkt is dat [medeverdachte] op het moment dat hij met [verdachte] een relatie had en zij paardrijlessen ging volgen, [medeverdachte] al anderhalf jaar alle stallingskosten voor zijn paarden en lessen/concoursbegeleiding voor hemzelf en [naam dochter] door SGL liet betalen. Niet onaannemelijk is dat [verdachte] aannam dat [medeverdachte] haar de lessen aanbood. Van enige wetenschap aan haar zijde dat [medeverdachte] via verduistering die lessen door SGL liet betalen is niet gebleken. Om deze reden zal [verdachte] van dit (sub)feitonderdeel worden vrijgesproken. Een ander stuk in dit feitonderdeel betreft de verduistering van een terugbetaling op 23 mei 2006 van € 3.140,56 van [getuige 8] aan SGL. De aanname is dat die betaling door [getuige 8] op verzoek van [medeverdachte] is gedaan op de privérekening van [medeverdachte]. [verdachte] zal ook van dit (sub)feitonderdeel worden vrijgesproken, omdat niet is gebleken dat zij enige betrokkenheid bij of wetenschap van deze terugbetaling had. 4.5 Vrijspraakoverwegingen ten aanzien van [naam paard 2] (feitonderdeel 2) De verdenking komt erop neer dat het paard [naam paard 2] het privépaard van medeverdachte [medeverdachte] was, maar dat de aankoop van dit paard is betaald door SGL. [verdachte] zou hierbij een rol hebben gespeeld als medepleger. Om deze aankoop te verhullen zou er een factuur met bijbehorende specificatie valselijk zijn opgemaakt. Deze factuur en specificatie zouden zo zijn gemanipuleerd dat de kosten voor de aankoop van [naam paard 2] zijn uitgesmeerd over de overige paarden waardoor sommige van deze paarden, onterecht, tot een te hoog bedrag zijn opgenomen in de administratie van SGL. [verdachte] zou deze factuur en specificatie samen met [medeverdachte] hebben opgemaakt dan wel daaraan medeplichtig zijn. Uit digitaal onderzoek is gebleken dat de factuur en de specificatie die mogelijk valselijk zouden zijn opgemaakt om de aankoop van het paard [naam paard 2] te verhullen, zijn aangetroffen op de server van SGL en dat uit de bestandseigenschappen is gebleken dat de laatste wijzigingen zijn opgeslagen door de gebruikersaccountant “ [naam account] ”. [verdachte] heeft op de zitting verklaard dat zij die factuur niet heeft gemaakt. Zij acht het wel mogelijk dat zij die factuur voor het printen of kopiëren heeft geopend. In aanmerking genomen dat [verdachte] werkzaam was bij SGL als secretaresse is dit niet onaannemelijk. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank niet vast te stellen dat [verdachte] zelf de desbetreffende factuur (valselijk) heeft opgemaakt of dat zij wetenschap heeft gehad dat het om een valse factuur ging. De rechtbank zal [verdachte] daarom vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging. De rechtbank overweegt voorts dat het dossier verder geen aanwijzingen bevat dat [verdachte] enige betrokkenheid heeft gehad bij de aankoop van het paard [naam paard 2] . De rechtbank zal [verdachte] daarom ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken. 4.6 Vrijspraakoverwegingen ten aanzien van [naam paard 1] (feitonderdeel 3) De verdenking komt erop neer dat het paard [naam paard 1] het privépaard van [naam dochter] , dochter van medeverdachte [medeverdachte] was, maar dat de aankoop van dit paard is betaald door SGL. [verdachte] zou hierbij een medeplegende rol hebben gespeeld. Hetzelfde geldt voor de ontvangst van de verzekeringsuitkering voor [naam paard 1] . De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat dat [verdachte] enige betrokkenheid heeft gehad bij de aankoop van het paard [naam paard 1] en bij de ontvangst van de verzekeringsuitkering voor dit paard. De rechtbank zal [verdachte] daarom van deze onderdelen van de tenlastelegging vrijspreken. 4.7 Vrijspraakoverwegingen ten aanzien van [naam paard 3] en [naam paard 4] (feitonderdeel 4 en 6): De verdenking komt erop neer dat [medeverdachte] als bestuurder van SGL ervoor heeft gezorgd dat het erop leek dat [naam paard 5] (inclusief stallingskosten e.d.) voor € 10.500 is gekocht terwijl dit paard in werkelijkheid maar € 5.000,- kostte. De € 5.500,- die voor [naam paard 5] te veel is betaald en een bedrag van € 2.200,- dat [medeverdachte] naar [getuige 3] had laten overmaken in verband met de verzorging van de paarden, zou [medeverdachte] hebben verduisterd om daarmee [naam paard 3] en [naam paard 4] voor zichzelf te kunnen kopen. Om de aankoop van de paarden [naam paard 3] en [naam paard 4] te verhullen, zouden op naam van verkoper [getuige 3] (die daarvan niks wist) twee valse facturen zijn opgemaakt. De ene factuur heeft betrekking op de aankoop van [naam paard 5] voor een bedrag van € 10.500,00 en de andere factuur heeft betrekking op “4x stalling en zadelmak maken september-december 2006 extra in verband met verzorging na operatie” voor een bedrag van € 2.200,00. Het aandeel van [verdachte] bij de verduistering van de aankoopprijs voor [naam paard 3] en [naam paard 4] zou eruit bestaan dat zij die facturen heeft opgemaakt. Op de server van SGL zijn namelijk twee bestanden aangetroffen waarop deze facturen stonden. Uit de bestandseigenschappen is gebleken dat de laatste wijzigingen zijn opgeslagen door de gebruikersaccountant “ [naam account] ”. [verdachte] heeft op de zitting verklaard dat zij die facturen niet heeft gemaakt. Zij acht het wel mogelijk dat zij die facturen voor het printen of kopiëren heeft geopend. In aanmerking genomen dat verdachte [verdachte] werkzaam was bij SGL als secretaresse is dit niet onaannemelijk. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank niet vast te stellen dat verdachte [verdachte] zelf de desbetreffende facturen (valselijk) heeft opgemaakt of dat zij wetenschap heeft gehad dat het om valse facturen ging. De rechtbank zal de verdachte [verdachte] daarom vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging. De rechtbank overweegt voorts dat het dossier verder geen aanwijzingen bevat dat [verdachte] enige betrokkenheid heeft gehad bij de aankoop van de paarden [naam paard 3] en [naam paard 4] . De rechtbank zal [verdachte] daarom ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken. 4.8 Vrijspraakoverwegingen ten aanzien van [naam paard 5] (feitonderdeel 5) De verdenking is dat [verdachte] samen met [medeverdachte] het paard [naam paard 5] verduisterd heeft nadat het op 10 april 2007 door SGL aan [naam BV] is overgedragen. Uit de bewijsmiddelen is af te leiden dat [naam paard 5] al in augustus 2006 door SGL is gekocht. Diverse getuigen verklaren dat dit paard het paard van [naam dochter] was. De rechtbank overweegt dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat [verdachte] enige betrokkenheid heeft gehad bij de aankoop of verduistering van het paard [naam paard 5] . De rechtbank zal [verdachte] daarom ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken. 4.9 Vrijspraakoverwegingen ten aanzien van [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 3] (feitonderdeel 7): De verdenking komt er op neer dat de veulens [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 3] omstreeks 21 september 2006 door SGL gekocht en door [medeverdachte] verduisterd zijn. De rol van [verdachte] bij deze verduistering zou zijn dat zij op 29 juni 2009 een brief namens [naam BV] aan [naam 1] te Harderwijk schrijft waarbij de originele eigendomsbewijzen worden opgestuurd en waarin zij verzoekt de paarden [naam veulen 3] , [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 4] van de [naam 2] over te schrijven op naam van [medeverdachte] , [adres 1] , [woonplaats 1] . Deze brief is digitaal aangetroffen op een computer op [adres 1] in [woonplaats 1] . De rechtbank is van oordeel dat deze handeling die geruime tijd na de verduistering van de veulens is verricht, onvoldoende is om te mogen aannemen dat [verdachte] deze verduistering heeft medegepleegd. De rechtbank zal [verdachte] daarom van dit onderdeel vrijspreken. 4.10 [naam paard 6] (feitonderdeel 8): [verdachte] wordt ervan verdacht dat zij in de periode van 10 april 2007 tot en met 31 december 2011 bij [naam BV] samen met [medeverdachte] € 36.000,00 heeft verduisterd voor de aankoop van [naam paard 6] , dan wel dit paard heeft verduisterd. Bewijsmiddelen Uit de auditfiles van [naam BV] blijkt dat op 23 juli 2007 op de grootboekrekening “007500 Paarden” de navolgende mutaties zijn opgenomen: 007500Paarden € 36.000,00 Aan 140400 Crediteuren € 36.000,00 140400 Crediteuren € 36.000,00 Aan 100110 Rabobank 10.61.97.851 € 36.000,00. Als omschrijving bij deze mutaties staat vermeld “ [naam paard 6] 02.09516”. In het dossier bevindt zich een overzicht van grootboekrekening 007500 van [naam BV] waarop alle paarden staan vermeld die op enig moment zijn verkregen. Op dit overzicht staat onder het kopje “aankoop [naam BV] ” de naam “ [naam paard 6] 02.09516” vermeld met daarachter een bedrag van € 36.000,00. Getuige [getuige 9] heeft verklaard dat hij ergens half januari 2007 op de [naam manege] is begonnen als instructeur. In april heeft hij een arbeidscontract ondertekend. Hij zou de paardenverzorging op zich nemen en ook het personeel aansturen voor de verzorging van de paarden. Verder moest hij de meisjes die paardreden lesgeven. Dat waren [naam 3] , [naam 4] , [naam dochter] en [getuige 12] . Tot de dag van zijn ontslag heeft hij het idee gehad dat de manege omgebouwd zou worden tot een zorgmanege. Tot op het moment van zijn ontslag heeft hij daar niets van gezien. Het leek meer een privé speeltuin. [medeverdachte] reed paard en zelfs [verdachte] . Hij is op [adres 2] komen wonen, want volgens [medeverdachte] moest er altijd iemand op de manege zijn. [getuige 9] denkt dat hij er tot 17 oktober 2007 heeft gewoond. Hij heeft er in heel de periode dat hij daar werkte en woonde niets van gezien dat ze er een manege voor gehandicapten van wilden maken. Overdag gaf hij les aan [naam 3] en [naam 4] en zorgde hij ervoor dat de paarden goed verzorgd werden en ’s avonds moest hij dan terugkomen om de dochter van [medeverdachte] en haar vriendin [getuige 12] les te geven zodat zij op concours konden rijden. Hij vroeg zich geregeld af wat dit met Stichting Gehandicaptenzorg te maken had. [getuige 9] heeft verder verklaard dat [verdachte] de vriendin van [medeverdachte] was en dat zij directrice was van de manege, een zorgboerderij [naam zorgboerderij] en één of andere knutseltoestand in Kerkrade. De gehandicapten die bij [naam zorgboerderij] kwamen konden absoluut niet omgaan met de paarden bij [naam BV] . Hooguit 1 of 2 als je ze goed africhtte. De meeste van de paarden waren niet geschikt om zelfs een gehandicapte bij in de buurt te laten. [getuige 9] heeft regelmatig gezegd dat de paarden bij [naam BV] niet geschikt waren voor gehandicapten. Maar volgens hem was dat ook nooit de bedoeling geweest van [medeverdachte] want op dat soort paarden kon zijn dochter geen wedstrijden rijden. [medeverdachte] bepaalde de gang van zaken bij [naam BV] . Dat geldt voor alles. Het beleid en de dagelijkse gang van zaken. [getuige 9] verklaart dat hij de opdracht van [medeverdachte] heeft gekregen om een paard te zoeken waar [naam dochter] wedstrijden mee kon rijden. Zij rijdt daar nu nog mee. Hij heeft het paard uiteindelijk gevonden in Someren. Hij is daar met een stalruiter in eerste instantie geweest en later met [medeverdachte] , zijn dochter, [naam 4] en de familie van [medeverdachte] . Een half jaar geleden heeft ze nog met dat paard wedstrijden gereden. Dat staat ook in de uitslagen. [naam BV] heeft dat paard betaald. Volgens [getuige 9] heette het paard [naam paard 6] en heeft het zo'n € 40.000,- gekost. In die zes jaar dat het paard [naam paard 6] bij [naam BV] is, heeft er nooit iemand anders op gereden. Getuige [getuige 10] heeft verklaard dat hij van 2005 tot 2009 ongeveer bij [naam BV] heeft gewerkt. Hij was daar medewerker op stal en later algemeen bedrijfsleider. [getuige 10] heeft verklaard dat die manege niet is aangekocht of gemaakt voor gehandicaptenzorg. Het geld dat geïnvesteerd werd in de manege is nauwelijks gebruikt om de manege geschikt te maken voor cliënten. [getuige 10] heeft verklaard dat dit niet tegen hem is gezegd maar dat was te merken als je kijkt waar de uitgaven naar toegingen. Het geld ging naar fokkerij, benodigdheden voor de dressuurpaarden, aanschaf en training van de paarden en vervoer naar de wedstrijden. Als de dochter van [medeverdachte] de hobby tennissen had gehad dan was er een tennisbaan gekomen. Uiteindelijk bepaalde [medeverdachte] de gang van zaken. [getuige 10] dacht toen dat [naam paard 5] en [naam paard 6] van [naam dochter] waren. [naam paard 7] , [naam paard 8] , [naam paard 4] , [naam paard 2] , [naam veulen 1] , [naam paard 9] , [naam paard 10] , [naam paard 11] en [naam veulen 6] van [medeverdachte] . Zo zei hij dat. Hij zei dan dat hij die paarden had gekocht. Hij zei wel eens “dat is die van mij”. [naam dochter] trainde de paarden op [naam paard 5] en [naam paard 6] . [getuige 10] denkt dat de paarden zijn aangeschaft voor de dochter en niet voor de zorg voor cliënten. Hij denkt dat omdat de paarden niet geschikt zijn voor gehandicapten. Zelfs niet voor de paralympics. De paarden werden bereden door [naam dochter] en zij kwam daarmee uit op wedstrijden. Als iemand anders op deze paarden wilde rijden was dat not done. Dat waren de paarden van [naam dochter] . Getuige [getuige 11] heeft verklaard dat zij in 2005 is geselecteerd voor het Nederlands Paralympisch dressuurteam. Zij heeft toen op diverse nationale en internationale wedstrijden gereden met haar eigen paarden. Haar sponsorcontract met SGL is getekend op de Jumping Indoor Maastricht in 2009. Op de vraag of zij de paarden [naam paard 6] en [naam paard 5] kent, antwoordt [getuige 11] dat [naam paard 5] haar helemaal niets zegt. [naam paard 6] kent zij wel. [naam paard 6] heeft zij wel eens op een wedstrijd gezien onder [naam dochter] . Het was een paard waarvan zij erg onder de indruk was en zij graag had bereden. Het is maar de vraag of zij hem zou hebben kunnen bereiden maar met [naam paard 6] zou zij ontzettend blij zijn geweest. [naam paard 6] is haar niet door [medeverdachte] aangeboden. [medeverdachte] maar ook [naam dochter] hebben haar verteld dat [naam paard 6] het paard van [naam dochter] was. Getuige [getuige 12] heeft verklaard dat [medeverdachte] aangaf dat hij een aantal paarden wilde laten opleiden door een aantal ruiters, toevallig waren dit allemaal amazones, met de bedoeling dat deze paarden uiteindelijk bereden zouden worden door gehandicapte ruiters op topniveau. Dat is ergens in 2005 geweest. Het doel was uiteindelijk dat dergelijke ruiters op de Paralympics zouden gaan acteren. Zij heeft met deze andere amazones toen een sponsorcontract gekregen. Op de vraag of [naam dochter] ook een sponsorcontract had, antwoordt [getuige 12] van niet. Zij had ook het idee dat de lessen die [naam dochter] bij [getuige 8] heeft gevolgd gewoon privé lessen waren. Voor haar was de situatie van [naam dochter] en die van de rest van de amazones ook echt anders. Zij kregen aan de hand van een sponsorcontract een paard toegewezen waarbij heel nauwkeurig werd gekeken of er een klik was tussen paard en amazone. [naam dochter] kreeg gewoon les op haar paard dat al van haar was. Volgens [getuige 12] kreeg ze eerst les op [naam paard 13] . Daarna op het paard [naam paard 14] dat ook wel [naam paard 14] werd genoemd. Volgens [getuige 12] waren deze paarden gewoon van [naam dochter] . Ook de paarden [naam paard 5] en [naam paard 6] , die laatste werd ook wel [naam paard 6] genoemd, zijn door [naam dochter] uitgezocht en volgens [getuige 12] heeft [medeverdachte] die paarden ook voor haar gekocht. [getuige 12] weet niet beter dat dit privépaarden van [naam dochter] zijn geweest. Getuige [naam dochter] heeft verklaard dat haar hobby paardrijden is. Paardrijden met een doel, namelijk deelnemen aan dressuurwedstrijden. Zij heeft verklaard dat zij vast rijdt op twee paarden: [naam paard 5] en [naam paard 6] . Deze paarden zijn van [naam BV] . [verdachte] heeft verklaard dat zij op 10 april 2007 bij [naam BV] is begonnen als manager backoffice en is gestart met het opzetten van de administratie. Ze heeft voor [naam BV] de salarisadministratie verzorgd, de inkoop- en de verkoopadministraties en de betalingen daarvan. Verder heeft ze de jaarrekeningen klaargemaakt van [naam BV] . Tijdens de doorzoekingen in het pand [adres 1] in [woonplaats 1] (woonhuis [medeverdachte] en kantoorpand [naam BV] ) en het pand [adres 3] te [woonplaats 2] (woonhuis van [naam dochter] ) is een aantal schriftelijke bescheiden aangetroffen. Met name in de woning van [naam dochter] is een grote hoeveelheid inschrijvings- en startcoupons van de KNHS op naam van [naam dochter] aangetroffen. Dit betreffen deelnames van [naam dochter] met onder meer het paard “ [naam paard 6] ” op diverse dressuurwedstrijden. Een deel van deze bewijzen over de jaren 2008 tot en met 2011 zitten als bijlage D-746 in het dossier. Bewijsoverweging: Uit de besproken bewijsmiddelen blijkt in het algemeen dat de [naam manege] weinig weg had van een zorgmanege. [getuige 9] spreekt van een privéspeeltuin en [getuige 13] zegt dat als de dochter van [medeverdachte] had getennist, dan zou er een tennisbaan gekomen zijn. Meerdere getuigen zeggen dat de warmbloedpaarden niet door gehandicapten te bereiden waren. De enige ‘gehandicapte’ die er wellicht voor in aanmerking kwam, de getuige [getuige 11] , verklaart dat ze graag op [naam paard 6] had willen rijden, maar de kans niet kreeg. Uit de diverse verklaringen blijkt vervolgens duidelijk dat het paard [naam paard 6] alleen werd aangeschaft om als trainings- en wedstrijdpaard van [naam dochter] te dienen. [getuige 9] verklaart dat hij met dat doel een paard moest zoeken en ook dat na aankoop nooit iemand anders op dat paard gereden heeft. [getuige 10] , [getuige 11] en [getuige 12] verklaren dat ze dachten dat [naam paard 6] het paard van [naam dochter] was. Er mocht niemand anders op [naam paard 6] rijden, dat was “not done”, aldus [getuige 10] . [getuige 11] verklaart zelfs dat [medeverdachte] en [naam dochter] haar ook vertelden dat dit paard van [naam dochter] was. Daarmee staat voldoende vast dat [medeverdachte] zich (als vader van [naam dochter] ) als heer en meester over dit paard heeft gedragen. Ook hier is de vraag wat er verduisterd is: is dat de aankoopprijs van [naam paard 6] of is dat [naam paard 6] zelf? Hoewel duidelijk blijkt dat al vanaf het moment van aankoop de bedoeling was om een paard exclusief voor [naam dochter] te kopen en de aankoop van dat paard geheel buiten de doelstelling van [naam BV] viel, is het paard wel door [naam BV] betaald en officieel aan haar geleverd. De rechtbank vindt het daarom meer in overeenstemming met de civiele werkelijkheid om ervan uit te gaan dat de verduistering feitelijk plaats heeft gevonden na de levering. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] deze verduistering samen en in vereniging met [medeverdachte] heeft gepleegd. [verdachte] was manager backoffice bij [naam BV] . Zij wist met welk doel [naam paard 6] werd aangekocht en heeft aan die aankoop meegewerkt. [verdachte] heeft zich in die tijd en ook niet daarna op enige wijze gedistantieerd van de wijze waarop [medeverdachte] en [naam dochter] zich als heer en meester over het paard [naam paard 6] gingen gedragen. 4.11 Vrijspraakoverwegingen ten aanzien van de verkoop [naam paard 2] , [naam paard 4] en [naam paard 3] door verdachte aan [naam BV] (feitonderdeel 9) De verdenking komt erop neer dat door de paarden [naam paard 2] , [naam paard 4] en [naam paard 3] aan [naam BV] te verkopen, verdachten [medeverdachte] en [verdachte] zich schuldig hebben gemaakt aan verduistering. Van verduistering is alleen sprake als bewezen kan worden geacht dat de paarden privé bleven en de overdracht een dekmantel vormde om de verkrijging/onttrekking van het zogenaamde verkoopbedrag te maskeren. In feitonderdeel 10 is onder de verduistering van stalling- en veeartskosten door de officier van justitie aangenomen dat na de overdracht van [naam paard 2] , [naam paard 4] en [naam paard 3] , deze ook daadwerkelijk eigendom van [naam BV] zijn geworden. Immers, die stalling- en veeartskosten worden niet als door [medeverdachte] en [verdachte] voor privé (paarden) verduisterd aangemerkt. Ook voor het overige is er onvoldoende bewijs dat [medeverdachte] na de overdracht van deze paarden zich als heer en meester over deze paarden is blijven gedragen en/of dat deze paarden geen enkele bijdrage konden leveren aan de doelstelling van [naam BV] . Daarmee is niet bewezen dat het in de tenlastelegging begrepen bedrag van € 23.000,- verduisterd is en zal [verdachte] van dit feitonderdeel worden vrijgesproken. 4.12 Kosten verzekering, dierenarts, stalling (feitonderdeel 10) [verdachte] wordt ervan verdacht dat zij in de periode van 10 april 2007 tot en met 31 december 2011 bij [naam BV] samen met [medeverdachte] € 86.655,38 heeft verduisterd door de kosten van verzekering, dierenarts en stalling van paarden die aan verdachten in privé toebehoorden ten laste te brengen van [naam BV] . Deze kosten hebben betrekking op de paarden [naam paard 14] , [naam paard 13] , [naam paard 1] , [naam paard 2] , [naam paard 4] , [naam paard 3] , [naam veulen 1] , [naam veulen 2] , [naam paard 5] , [naam paard 6] , [naam paard 15] , [naam veulen 4] , [naam veulen 3] en [naam paard 17] . Het bedrag van € 86.655,38 is opgebouwd uit € 22.164,12 aan verzekeringspremies, € 2.334,39 voor het zadelmak maken van [naam veulen 1] , € 29.102,87 voor door [naam BV] betaalde dierenartskosten aan privépaarden van verdachte en € 33.054,00 voor het zonder enige betaling stallen van privépaarden op de zorgmanege van [naam BV] . Bewijsmiddelen [naam paard 14] / [naam paard 14] In het dossier bevindt zich een overzicht van grootboekrekening 007500 van [naam BV] waarop de paarden staan vermeld die van SGL zijn overgenomen en in 2008 zijn geactiveerd. Op dit overzicht staat [naam paard 14] niet vermeld. Getuigen [getuige 12] en [getuige 10] hebben verklaard dat [naam paard 14] oftewel [naam paard 14] het paard van [medeverdachte] was waarop [naam dochter] al reed toen ze nog bij [getuige 8] lessen volgde. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij [naam paard 14] in privé heeft gekocht of van iemand heeft overgenomen. In het dossier bevindt zich een brief afkomstig van [naam 5] BV d.d. 21 mei 2007 gericht aan [naam BV] , [adres 4] , [vestigingsplaats] . In deze brief wordt de ontvangst van de verklaring inzake de terugkoop van het paard [naam paard 14] van verzekeringsnemer [medeverdachte] bevestigd en wordt de verzekering beëindigd per 19‑04‑2007. [naam paard 13] In het dossier bevindt zich een overzicht van grootboekrekening 007500 van [naam BV] waarop de paarden staan vermeld die van SGL zijn overgenomen en in 2008 zijn geactiveerd. Op dit overzicht staat [naam paard 13] niet vermeld. Getuigen [getuige 12] en [getuige 10] hebben verklaard dat [naam paard 13] het paard van [medeverdachte] was waarop [naam dochter] al reed toen ze nog bij [getuige 8] lessen volgde. Getuige [getuige 8] heeft verklaard dat [medeverdachte] [naam paard 13] heeft aangeschaft voor [naam dochter] en dat [naam paard 13] via de privérekening van [medeverdachte] is betaald. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij [naam paard 13] in privé heeft gekocht of van iemand heeft overgenomen. [naam paard 1] Getuigen [getuige 8], [getuige 12] en [getuige 10] hebben verklaard dat [naam paard 1] het paard van [naam dochter] was. [naam paard 2] Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij het paard [naam paard 2] voor € 13.000,- heeft gekocht van [naam 8] en vervolgens voor € 15.000 verkocht aan [medeverdachte] . [getuige 14] , zoon van [getuige 3] , die aanwezig was bij het vierde verhoor van [getuige 3] op 5 november 2013, heeft verklaard dat [medeverdachte] zelf alles heeft geregeld met betrekking tot het paard [naam paard 2] . [medeverdachte] gaf bij hen aan dat hij ergens buiten hen om een paard had gekocht en [medeverdachte] gaf hen de opdracht om € 13.000 te betalen aan [naam 8] . [medeverdachte] heeft tegen hen gezegd dat zij het paard bij SGL in rekening konden brengen. [medeverdachte] heeft verklaard dat het paard [naam paard 2] van hemzelf is geweest. Hij heeft een blauwe maandag het idee gehad om ook op een paard te gaan zitten. Hij heeft ook les gehad. Hij wilde op dat vlak ook iets van expertise opbouwen. Hij heeft dit paard uiteindelijk verkocht aan [naam BV] . Getuigen [getuige 8], [getuige 9], [getuige 10] en [getuige 15] hebben verklaard dat [naam paard 2] het paard van [medeverdachte] was. [naam paard 3] en [naam paard 4] Tijdens de doorzoeking van het pand [adres 1] te [woonplaats 1] is onder meer een kopie van een stamboekbewijs aangetroffen betreffende [naam paard 3] , afgegeven op 20 september 2006. Op dit stamboekbewijs staat als eigenaar vermeld: de heer [medeverdachte] . Ook is een kopie van een stamboekbewijs aangetroffen betreffende [naam paard 4] , afgegeven op 20 september 2006. Op dit stamboekbewijs staat eveneens als eigenaar vermeld: de heer [medeverdachte] . Tijdens de doorzoeking van het pand [adres 1] te [woonplaats 1] zijn verder polisbladen in beslag genomen van EFO Paardenverzekering betreffende de paarden [naam paard 3] en [naam paard 4] . Op de polisbladen staat vermeld dat de ingangsdatum van de verzekering van beide paarden 1 september 2006 betreft, dat het beide Friese paarden zijn en dat verzekernemer verdachte [medeverdachte] is. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij de paarden [naam paard 3] en [naam paard 4] van ene [naam 6] heeft gekocht. De paarden [naam paard 2] , [naam paard 3] en [naam paard 4] zijn door [medeverdachte] op 14 augustus 2007 voor € 23.000,00 verkocht aan [naam BV] [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 3] : In de administratie van [getuige 3] zijn vijf koopovereenkomsten aangetroffen waaruit blijkt dat [getuige 3] op 21 september 2006 vijf veulens heeft gekocht. Het gaat om de veulens met catalogusnummers 53, 17, 27, 28 en 35. Aan de koopovereenkomst van nummer 53 is in de administratie van [getuige 3] een briefje gehecht met daarop geschreven “tegoed van SGL (volgt opsomming van de bedragen met daaronder) € 22.260,-”. Kopieën van deze koopovereenkomsten zijn aangetroffen in de woning van [medeverdachte] , [adres 1] te [woonplaats 1] . Volgens het veilingboekje en aantekening op de kopieën van de overeenkomsten aangetroffen in [adres 1] betreft het hier de volgende veulens: Catalogusnummer 53 [naam veulen 1] Catalogusnummer 17 [naam veulen 2] Catalogusnummer 27 [naam veulen 5] Catalogusnummer 28 [naam veulen 6] Catalogusnummer 35 [naam veulen 3]. Deze veulens zijn aangekocht voor bedragen inclusief veilingkosten van respectievelijk € 3.975,-, € 5.035,-, € 3.445,-, € 3.975,- en € 5.830,-. In de woning van [medeverdachte] in [adres 1] te [woonplaats 1] zijn de pagina’s van het veilingboekje die betrekking hebben op [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 3] aangetroffen. Uit een bankafschrift van [getuige 3] van 4 oktober 2006 blijkt dat door [getuige 3] op 25 september 2006 vijf betalingen zijn verricht aan de Stg. [naam stichting 3] . Deze bedragen komen overeen met de bedragen van de genoemde koopovereenkomsten. Op de bankafschriften staat bij de betreffende afschrijvingen met pen genoteerd “SGL”. Bij SGL is een memo aangetroffen d.d. 22 september 2006 afkomstig van [medeverdachte] en gericht aan [getuige 6] , betreffende “overname veulens/boerderijproject”. De tekst van deze memo luidt als volgt: “ [getuige 6] , gaarne overmaken naar dhr. [getuige 3] , [adres 5] te [woonplaats 2] een bedrag van € 22.260,00 o.v.v. "overname veulens". Het betreft 4 veulens t.b.v. ons boerderijproject; specificatie met levensnummers en namen volgt, de [onleesbaar woord] moeten nog gechipt worden. Met dank, [medeverdachte] .” Uit eerdergenoemd bankafschrift van [getuige 3] blijkt dat op 22 september 2006 een bedrag van € 22.260,00 is overgemaakt naar [getuige 3] van de rekening [rekeningnummer 1] op naam van SGL met omschrijving “overname veulens”. In het dossier bevindt zich een overzicht van grootboekrekening 007500 van [naam BV] waarop de paarden staan vermeld die van SGL zijn overgenomen en in 2008 zijn geactiveerd. Op dit overzicht staan [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 3] niet vermeld. In de woning van [medeverdachte] , [adres 1] te [woonplaats 1] , zijn vijf facturen aangetroffen afkomstig van [naam BV] en gericht aan [medeverdachte] . Deze facturen zijn respectievelijk gedateerd 18 september 2007, 25 september 2007
(2x), 30 oktober 2007 en 31 december
- Het gefactureerde bedrag bedraagt telkens in totaal € 384,00 inclusief BTW, ten behoeve van “stallingsgelden stal [naam paard 5] ” en “verzorging en voer wei [naam paard 11] , [naam veulen 2] en [naam veulen 1] ”. Uit zes bankafschriften van de ING rekening van [medeverdachte] met rekeningnummer [rekeningnummer 2] blijkt dat op 15 augustus, 14 september, 15 oktober, 15 november en 14 december 2007 telkens bedragen van € 300,00 en € 84,00 zijn overgemaakt op rekening [rekeningnummer 3] , zijnde het bankrekeningnummer van [naam BV] . Bij SGL is een e-mailbericht aangetroffen afkomstig van [medeverdachte] en gericht aan [naam locatiemanager] [naam zorgboerderij] [naam BV] d.d. 19 september 2007, voorzien van het onderwerp “RE: Voorstel Productieverhoging 2007 [naam BV] ”. De tekst van dit e-mailbericht luidt onder meer als volgt: “[…] Nadien hebben we geformuleerd dat iedere medewerker een paard van zichzelf mag stallen dat hij zelf rijdt. Dat geldt voor iedereen die op de manege werkt (niet voor anderen). Ondergetekende betaalt derhalve voor de stalling van zijn vee op de manege maandelijks een bedrag (zelfs via een machtiging) van € 384, -- . Daarmee is dan ook de integriteitsdiscussie naar/over [naam dochter] geslecht. In dat kader heeft [verdachte] het paard [naam paard 15] aangeschaft. Dat om ook te voorkomen dat ook over haar, discussie ontstaat. Als ze paardrijdt, is dat immers op haar eigen paard.[…]” In het dossier bevindt zich een brief van [verdachte] namens [naam BV] , gericht aan [naam 1] te Harderwijk d.d. 29 juni 2009 waarbij de originele eigendomsbewijzen worden opgestuurd en het verzoek wordt gedaan om de paarden [naam veulen 3] , [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 4] van de [naam 2] over te schrijven op naam van [medeverdachte] , [adres 1] , [woonplaats 1] . Deze brief is aangetroffen in de op de locatie [adres 1] te [woonplaats 1] veiliggestelde digitale data. Tijdens de doorzoeking van het pand [adres 1] te [woonplaats 1] zijn drie stamboekbewijzen aangetroffen betreffende de paarden [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 3] , afgegeven op 6 juli 2009, op naam gesteld van [medeverdachte] . Over [naam veulen 3] bevindt zich in het dossier een schriftelijk bescheid, zijnde een brief d.d. 29 juni 2009 afkomstig van [verdachte] en gericht aan [naam 1] , waarin wordt verzocht om de stamboekpapieren van o.a. [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 3] op naam van [medeverdachte] [adres 1] [woonplaats 1] over te schrijven. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat [medeverdachte] hem wel eens de opdracht heeft gegeven om paarden voor hem te kopen bij veilingen. [medeverdachte] kocht deze weer van hem. Dat was voor hetzelfde bedrag als waarvoor [getuige 3] het paard bij de veiling kocht. [getuige 3] heeft verder verklaard dat hij [naam veulen 2] ( [naam veulen 2] ), [naam veulen 1] ( [naam veulen 1] ), [naam veulen 3] ( [naam veulen 3] ), [naam veulen 5] en [naam veulen 6] op veilingen heeft aangeschaft voor [medeverdachte] . Op de vraag of de paarden door SGL gekocht zijn of door [medeverdachte] privé verklaart [getuige 3] dat dat nooit uitgesproken is. Zij gingen er vanuit dat de paarden gekocht werden voor SGL. Op de vraag of het logisch was om dit soort warmbloedpaarden aan te schaffen voor gehandicapten verklaart [getuige 3] dat dat niet zo is. Het zijn eerder paarden die gehandicapten maken, dan dat je er gehandicapten op laat rijden. Verzorgen van een paard zou nog kunnen maar er zijn zoveel andere paarden, zoals koudbloedpaarden, die veel geschikter zijn om zorg mee te verlenen. Die veulens die zij gekocht hebben voor [medeverdachte] zijn nooit gefokt om zorg voor gehandicapten mee te doen. Die paarden zijn gefokt voor de sport. [naam paard 5] is op 14 augustus 2006 door SGL aangekocht van [getuige 3] . Uit de voorraadlijst van [naam BV] blijkt dat [naam paard 5] door SGL op 1 januari 2008 voor de zogenaamde aankoopprijs ad € 10.500,- is overgedragen aan [naam BV] . Hoewel in de voorraadlijst de datum 1 januari 2008 is genoteerd als overdrachtsdatum, zijn alle paarden van SGL feitelijk per 10 april 2007 overgegaan, omdat dit de datum is waarop [naam BV] actief werd en de manege van [getuige 3] werd aangekocht. De rechtbank gaat er van uit dat de aankoopprijs van [naam paard 5] door SGL in augustus 2006 tot een bedrag van € 10.500,- verhoogd was teneinde (een gedeelte van) de aankoopprijs van [naam paard 3] en [naam paard 4] te kunnen verduisteren. [naam paard 5] is vervolgens per 31 december 2007 voor die prijs overgedragen aan [naam BV] . Op de inventarislijst van [naam BV] is dit paard vermeld als op 1 januari 2008 van SGL overgenomen. [naam dochter] verklaart over [naam paard 5] dat zij vast reeds op twee paarden, te weten [naam paard 5] en [naam paard 6] . Die paarden waren van [naam BV] , maar waren niet geschikt voor cliënten. Uit een stallingsfactuur van dressuurstal De Beukenvallei te Leende van 17 maart 2013 blijkt dat trainingskosten voor [naam paard 5] in rekening worden gebracht aan [naam dochter] . [getuige 16] verklaart als getuige dat [naam dochter] (op de [naam manege] ) uitsluitend haar eigen paarden [naam paard 5] en [naam paard 6] bereed en dat zij er altijd van uitgegaan is dat dit haar paarden waren. [getuige 12] verklaart als getuige dat [naam paard 5] en [naam paard 6] door [naam dochter] zijn uitgezocht en dat volgens haar [medeverdachte] die paarden voor haar heeft gekocht. Zij weet niet beter dan dat dit privépaarden van [naam dochter] zijn geweest. Voor de maanden augustus tot en met december 2007 heeft [naam BV] vijf facturen verstrekt aan [medeverdachte] voor onder andere stallingskosten voor [naam paard 5] . Het totale factuurbedrag is steeds € 384,-. [medeverdachte] schrijft in een mail aan [naam locatiemanager] [naam zorgboerderij] op 19 september dat hij ‘voor de stalling van zijn vee’ maandelijks een bedrag van € 384,- betaalt. [naam paard 6] Hierboven (onder feitonderdeel 8) is bewezen verklaard dat [verdachte] en [medeverdachte] verduisterd hebben en zich als heer en meester over dat paard gedragen hebben. [naam paard 15] In het dossier bevindt zich een overzicht van de paarden van [naam BV] . Op dit overzicht staat het paard [naam paard 15] niet vermeld, terwijl dit paard zich tijdens de schouw wel op de manege bevond. Bij SGL is een e-mailbericht aangetroffen afkomstig van [medeverdachte] en gericht aan [naam locatiemanager] [naam zorgboerderij] [naam BV] van 19 september 2007, voorzien van het onderwerp “RE: Voorstel Productieverhoging 2007 [naam BV] ”. De tekst van dit e-mailbericht luidt onder meer als volgt: “[…] Daarmee is dan ook de integriteitsdiscussie naar/over [naam dochter] geslecht. In dat kader heeft [verdachte] het paard [naam paard 15] aangeschaft. Dat om ook te voorkomen dat ook over haar, discussie ontstaat. Als ze paardrijdt, is dat immers op haar eigen paard.[…]” Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [verdachte] verklaarde dat het paard [naam paard 15] een paard van haar zelf was. [naam veulen 4] In het dossier bevindt zich een een brief van 29 juni 2009 van [verdachte] aan [naam 1] , waarin wordt verzocht om de stamboekpapieren van o.a. [naam veulen 4] van de [naam 2] op naam van [medeverdachte] , [adres 1] [woonplaats 1] over te schrijven. van de [naam 2] wordt ook wel [naam veulen 4] genoemd. [naam paard 17] en [naam paard 18] [naam veulen 3] is de moeder van [naam paard 17] (geboren op 20 mei 2010) en [naam paard 18] (geboren op 5 mei 2011). In het dossier bevinden zich dekbewijzen van [naam veulen 3] waarop deze geboortes zijn vermeld en waarop [medeverdachte] als geregistreerde met zijn privé e-mailadres dan wel als geadresseerde met zijn adres [adres 1] [woonplaats 1] is genoemd. In het overzicht van de paarden van [naam BV] staan de paarden [naam paard 17] en [naam paard 18] niet vermeld. Verzekeringspremies [naam paard 6] en [naam paard 13] In het dossier bevindt zich een overzicht waarboven staat “Mutaties rekening nummer 430051 Verzekering paarden [naam BV] jaren 2007 tot en met 2010”. Daaruit blijkt dat voor [naam paard 6] op 18 september 2007 € 4.306,70, op 14 augustus 2008 € 4.318,41, op 13 augustus 2009 € 4.318,41, op 5 augustus 2010 € 4.318,41 en op 18 augustus 2011 € 4.406,78 is betaald. Daaruit blijkt verder dat op 14 september 2009 een bedrag van € 495,41 voor [naam paard 13] is betaald. In totaal betreft dit een bedrag aan verzekeringspremies van € 22.164,
- Zadelmak maken [naam veulen 1] In de grootboekrekening van [naam BV] “0700303 Paarden Buitenhuis” blijkt dat voor het zadelmak maken van [naam veulen 1] op 31 december 2009 € 1.750,79 en op 21 januari 2010 € 583,60 is betaald. Dierenartskosten Bij [naam BV] is de grootboekrekening “430054 Dierenarts” aangetroffen. De FIOD heeft daaruit per jaar die kosten gefilterd die betrekking hebben op de hierboven besproken paarden. De totalen per jaar zijn opgeteld voor de jaren 2007 tot en met 2011 € 29.102,
- Stallingskosten paarden De FIOD heeft overzichten gemaakt van de stallingskosten van de paarden [naam paard 14] , [naam paard 13] , [naam paard 1] , [naam paard 2] , [naam paard 4] , [naam paard 3] , [naam veulen 1] , [naam veulen 2] , [naam paard 5] , [naam paard 6] , [naam paard 15] , [naam veulen 4] , [naam veulen 3] en [naam paard 17] vanaf het moment van de samenwerkingsovereenkomst tussen SGL en [naam BV] -mand, 10 april 2007 tot en met
- Voor de berekening van de kosten is de FIOD uitgegaan van het bedrag aan stalling dat [medeverdachte] in 2007 enkele maanden heeft betaald voor het paard [naam paard 5] , te weten € 84,00 per maand. De FIOD heeft voor [naam paard 14] alleen stallingskosten berekend over de jaren 2007 en 2008, omdat de laatste keer dat voor dit paard dierenartskosten zijn gemaakt (blijkend uit grootboekrekening 430054) 2 januari 2009 was en onbekend is wanneer het paard de manege heeft verlaten. De FIOD heeft voor [naam paard 13] de stallingskosten berekend vanaf 10 april 2007 tot aan de laatste vermelding in de grootboekrekening dierenarts van [naam BV] op 5 maart
- Voor [naam paard 1] zijn de stallingskosten berekend vanaf 10 april 2007 tot en met 14 augustus
- Op 28 augustus 2007 heeft voor [naam paard 1] de verzekeringsuitkering plaatsgevonden. De stallingskosten voor [naam paard 2] , [naam paard 3] en [naam paard 4] zijn berekend vanaf 10 april 2007 tot en met 14 augustus 2007, de datum dat de paarden door [medeverdachte] zijn verkocht aan [naam BV] . Voor [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam paard 5] zijn de maanden dat door [medeverdachte] stallingskosten zijn voldaan buiten beschouwing gelaten. Voor [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam paard 5] zijn de stallingskosten berekend vanaf 10 april 2007 tot en met 31 juli 2007 en vanaf 1 januari 2008 tot en met 31 december
- De FIOD heeft de stallingskosten voor [naam paard 6] berekend vanaf augustus 2007, de maand volgende op de maand waarin [naam paard 6] is aangekocht tot en met 31 december
- De eerste vermelding van [naam paard 15] op grootboekrekening ‘430054 Dierenarts’ is 3 augustus
- De FIOD heeft de stallingskosten voor [naam paard 15] daarom berekend van 15 augustus 2007 tot en met 31 december
- De stallingskosten komen voor 2007 op € 4.452,00, voor 2008 op € 6.216,00, voor 2009 op € 6.048,00, voor 2010 op € 7.644,00 en voor 2011 op € 8.694,00, in totaal € 33.054,
- [verdachte] heeft verklaard dat zij op 10 april 2007 bij [naam BV] is begonnen als manager backoffice en is gestart met het opzetten van de administratie. Toen ze begon was er geen locatiemanager. In 2007 is wel een locatiemanager genaamd [naam locatiemanager] in dienst gekomen. Daarna is er nog een andere locatiemanager geweest die leiding had over de verschillende locaties en dat was [getuige 2] . Toen hij wegging heeft zij die functie overgenomen. Ze heeft toen de titel directeur gekregen, omdat ze niet meer alleen de administratie deed. Dat is ergens in 2009 geweest. Het was snel nadat [getuige 2] was vertrokken. Desgevraagd verklaart [verdachte] dat zij de baas is van [naam BV] in haar functie als directrice. Ze heeft voor [naam BV] de salarisadministratie verzorgd, de inkoop- en de verkoopadministraties en de betalingen daarvan. Verder heeft ze de jaarrekeningen klaargemaakt van [naam BV] . Bewijsoverweging: De rechtbank leidt uit deze bewijsmiddelen af dat de paarden [naam paard 14] , [naam paard 13] , [naam paard 1] , [naam paard 2] , [naam paard 4] , [naam paard 3] , [naam veulen 1] , [naam veulen 2] , [naam paard 5] , [naam paard 6] , [naam paard 15] , [naam veulen 4] , [naam veulen 3] en [naam paard 17] in de perioden dat de hiervoor vermelde kosten zijn gemaakt privépaarden van [medeverdachte] en/of [verdachte] waren. Van deze veertien paarden waren er nog negen aanwezig op [naam manege] tijdens de schouw op 4 juli
- Voorts blijkt uit diverse boekhoudkundige stukken dat de kosten van verzekering voor [naam paard 6] , het zadelmak van [naam veulen 1] en ogenschijnlijk alle dierenartskosten voor de privépaarden allemaal door [naam BV] betaald zijn. Van de stallingskosten heeft de officier van justitie desgevraagd aangegeven dat dit besparingen zijn, zodat zij niet kunnen worden verduisterd. De rechtbank oordeelt hierover anders. De verzorging van paarden kost geld (onder andere voer, stro, schoonmaakkosten van de hokken). Deze kosten zijn door [naam BV] voldaan. Het gaat dus feitelijk niet om “besparingen”, maar om kosten die voor de paarden van [medeverdachte] en [verdachte] zijn gemaakt en waarvoor zij [naam BV] hebben laten betalen. De hoogte van deze kosten blijkt niet uit het dossier. Het bedrag waarmee de FIOD de kosten heeft bepaald (€ 84,- per maand) acht de rechtbank een schatting aan de lage kant. Het bedrag van deze kosten kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook ten minste op het door de FIOD berekende bedrag worden vastgesteld en bewezenverklaard. [verdachte] heeft voormelde privékosten laten betalen door [naam BV] . Zij deed bij [naam BV] onder andere de administratie. Als partner van [medeverdachte] en directrice van [naam BV] heeft zij geweten dat de paarden privé waren en als zodanig op de manege gestald stonden. Zij heeft ook gevraagd om een wijziging van de tenaamstellingen van paarden. [verdachte] liet [naam BV] ook de kosten voor haar eigen paard [naam paard 15] betalen. Door kosten die moesten worden gemaakt voor eigen paarden te laten betalen door [naam BV] hebben [verdachte] en [medeverdachte] deze gelden verduisterd. Hiermee kon immers geen zorg meer geleverd worden door [naam BV] . De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] bij [naam BV] samen met [medeverdachte] door kosten voor privépaarden te laten betalen door [naam BV] een bedrag van € 86.655,38 heeft verduisterd onder de verzwarende omstandigheid dat [verdachte] deze gelden uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich had. 4.13 Vrijspraakoverwegingen ten aanzien van audiovisuele apparatuur (feitonderdeel 11) De verdenking komt erop neer dat in juni 2006 [verdachte] en [medeverdachte] voor € 14.034,00 aan audiovisuele apparatuur hebben gekocht, die betaald werd door SGL, terwijl deze apparatuur privé werd gebruikt. Uit het dossier blijkt dat door [medeverdachte] op 3 juni 2006 audiovisuele apparatuur is besteld, welke apparatuur is geleverd op zijn privéadres destijds, te weten [adres 6] , [woonplaats 3] . Tijdens de doorzoeking op 4 juli 2012 is deze apparatuur aangetroffen in het pand [adres 1] te [woonplaats 1] , het gezamenlijk woonadres van [medeverdachte] en [verdachte] . Voor zover sprake is van verduistering, is dit gebeurd op het moment dat de apparatuur werd geleverd op het adres in [woonplaats 3] . [verdachte] woonde op dat moment niet op dat adres en heeft daar ook nooit gewoond. Omdat het dossier verder geen aanknopingspunten bevat waaruit blijkt dat [verdachte] enige betrokkenheid heeft gehad bij de aankoop en verduistering van deze apparatuur, zal de rechtbank [verdachte] van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken. 4.14 Fitnessapparatuur (feitonderdeel 12) [verdachte] wordt ervan verdacht dat zij in de periode van 1 februari 2005 tot 1 november 2010 bij SGL samen met [medeverdachte] € 2.989,21 heeft verduisterd met de aankoop van een loopband ‘Run Forma LT’ bij [naam 9] BV dan wel de desbetreffende loopband heeft verduisterd. Bewijsmiddelen Bij digitaal onderzoek aan de gegevensdragers die zijn aangetroffen op de locatie [adres 1] in [woonplaats 1] is een e-mailbericht aangetroffen, verzonden op 24 september 2008 door [getuige 17] , inkoper van SGL, naar [medeverdachte] met als onderwerp “FW: offerte loopband” en de tekst: “Hoi [medeverdachte] , bijgaand vind je 2 offertes. 1 voor een professioneel apparaat (model excite jog) en 1 voor een zeer goed apparaat tbv thuisgebruik (model de Run Forma (8uur p.w.)).” Bij [naam 9] BV is e‑mailverkeer aangetroffen tussen [getuige 17] , inkoper van SGL, en [naam 10] en [naam 11] van [naam 9] BV, dat heeft plaatsgevonden tussen 24 september 2008 en 3 oktober
- Op 3 oktober 2008 heeft [getuige 8] [naam 11] gemaild: “Beste [naam 11] , we willen kiezen voor de Home products Cardio Run Forma LT. Gelieve mij een nieuwe aanbieding te sturen met korting. Bij het afleveradres zal het apparaat ofwel naar de 1e verdieping of naar de kelder gebracht moeten worden, dus altijd trappen op of omlaag. Alvast bedankt. Met vriendelijke groeten, [getuige 17] , Inkoper SGL”. Dit e-mailbericht is ook in de administratie van SGL aangetroffen, waarbij op de rechterbovenzijde met pen de navolgende tekst is geschreven: “Dit n.a.v. mondeling antwoord [medeverdachte] d.d. 2/10/
- Bestel de goedkoopste versie”. Bij [naam 9] BV is een door [getuige 8] en [medeverdachte] ondertekende inkooporder van SGL aangetroffen van 13 oktober
- Het betreft een inkooporder voor “1 stuk home products – cardio, Run forma LT (loopband), artikelnummer D7453LNALOOGONLS” ter waarde van € 2.317,
- Afgesproken wordt dat de levering op de 1ste etage of de kelder van SGL [woonplaats 1] , [adres 1] , [woonplaats 1] dient plaats te vinden, voor de prijs van € 194,38 netto. Daarnaast wordt afgesproken dat de dag voor levering mevrouw [verdachte] moet worden verwittigd. Bij [naam 9] BV is een vrachtbrief van [naam 9] BV aangetroffen van 14 november 2008 waarop is vermeld dat het apparaat geleverd moet worden op de 1e etage op het adres [adres 1] in [woonplaats 1] . Op de vrachtbrief is aangetekend dat het apparaat is uitgepakt en geïnstalleerd en dat de groene knopinstructie is gegeven. Er is getekend voor ontvangst door [verdachte] . De loopband weegt blijkens de vrachtbrief 178 kilo. In de administratie van SGL is een factuur aangetroffen van [naam 9] BV van 20 november 2008, gericht aan SGL, over de levering van een “Run Forma LT” op het adres [adres 1] , [woonplaats 1] voor een bedrag van in totaal € 2.989,12 inclusief BTW. Uit de administratie van [naam 9] BV blijkt dat op 20 december 2008 door SGL een bedrag van € 2.989,12 is betaald voor de levering en installatie van de Run Forma loopband. Uit de auditfiles van SGL 2008 blijkt dat voor de aankoop van een Run Forma bij de firma [naam 9] op 20 november 2008 een mutatie heeft plaatsgevonden onder “Inrichting collectieve ruimten” van € 2.989,21 “aan crediteuren” en op 17 december 2008 eenzelfde bedrag van “crediteuren” aan “Rek. nr. betalingen onderweg”. Getuige [getuige 17] heeft over deze aanschaf verklaard dat deze levering hem is opgevallen, omdat het geleverde naar een woonlocatie moest. [medeverdachte] heeft hem mondeling gevraagd om een aantal offertes op te vragen. Zij hebben een voorkeursleverancier voor deze goederen en dat is [naam 9] BV. Deze leverancier levert ook goederen voor de revalidatiepraktijk. Dat is vaak zeer geavanceerde, zeer prijzige apparatuur. [getuige 17] kan zich niet herinneren dat [medeverdachte] heeft medegedeeld waarom hij deze offertes moest aanvragen. Als hij naar de loopband kijkt die is besteld, dan is dat niet een model dat gebruikelijk zou zijn aangeschaft voor de revalidatiepraktijk. Getuige [getuige 18] heeft over deze aanschaf verklaard dat er binnen SGL nooit opdracht is gegeven om deze loopband te verplaatsen naar een locatie van SGL of [naam BV] . [medeverdachte] heeft verklaard dat de loopband is betaald door SGL betaald en dat hij niets in privé heeft verrekend. [medeverdachte] en [verdachte] hebben beiden ter zitting verklaard dat zij vanaf eind 2007 samen woonachtig zijn geweest op het adres [adres 1] te [woonplaats 1] . Bewijsoverweging: Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte] inkoper [getuige 17] een voor thuisgebruik goede loopband heeft laten bestellen bij [naam 9] en dat [medeverdachte] deze loopband heeft laten bezorgen op zijn privéadres. Tegenover [getuige 17] heeft hij het blijkens de opmaak van verschillende documenten doen voorkomen dat het hier een woonlocatie van SGL betrof. Dat [verdachte] van een en ander op de hoogte was, blijkt uit het feit dat met haar contact moest worden opgenomen voor de aflevering en uit het feit dat zij de loopband in ontvangst heeft genomen. Uit de vrachtbrief blijkt dat de loopband in de woning is geïnstalleerd en dat bij aflevering uitleg is gegeven over de werking van de loopband. Dat de loopband zou zijn aangeschaft om te worden gebruikt op de manege bij de daar door [naam BV] aangeboden dagbesteding, is niet aannemelijk geworden. Evenmin acht de rechtbank aannemelijk de verklaringen van [medeverdachte] en [verdachte] dat de loopband eerst zou zijn uitgeprobeerd in de eigen woning in [adres 1] en vervolgens naar de manege zou zijn overgebracht. Voor deze gang van zaken is geen enkele aanwijzing te vinden in het dossier, anders dan de verklaringen van [medeverdachte] en [verdachte] . De loopband is niet geschikt voor professioneel gebruik en niet valt in te zien waarom in dat geval de loopband op het privéadres van [medeverdachte] en [verdachte] is geleverd. Gelet op deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] op naam en voor rekening van SGL een loopband hebben gekocht die zij zich vervolgens hebben toegeëigend door deze bij hen thuis te laten afleveren en plaatsen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] tezamen en in vereniging met [medeverdachte] een loopband ter waarde van € 2.989,21 heeft verduisterd onder de verzwarende omstandigheid dat [medeverdachte] deze loopband uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had. 4.15 Kunst [verdachte] wordt verweten dat zij in de periode van 1 februari 2005 tot en met 1 november 2010 samen met [medeverdachte] kunst heeft verduisterd met een totale waarde van € 70.639,-. Het betreft kunst die door SGL is gekocht en die is aangetroffen in de woning van [medeverdachte] en [verdachte] en in [naam manege] . Bewijsmiddelen Uit het dossier komt naar voren dat [medeverdachte] vaak namens SGL kunst aanschafte. Een deel van deze kunst werd gekocht bij Galerie [naam galerie] te Neeroeteren-Maaseik en soms deed hij dat samen met [verdachte] . Getuige [getuige 19] heeft verklaard dat [medeverdachte] vanaf eind 2005 in zijn zaak kwam. Gewoonlijk kwam hij rond de jaarwisseling en dan nog eens halverwege het jaar. Het gebeurde dat [medeverdachte] alleen kwam, soms samen met [verdachte] . Van [medeverdachte] moest [getuige 19] dan de factuur maken op naam van SGL. [getuige 19] heeft daar praktisch nooit andere mensen van ontmoet. De enige andere waar hij contact mee heeft gehad, is de heer [getuige 5] . Alles wat [medeverdachte] en [verdachte] ooit hebben meegenomen, aldus [getuige 19] , is gefactureerd en steeds aan SGL. [medeverdachte] en [verdachte] hebben nooit privé aankopen gedaan. [getuige 19] noteerde in zijn administratie het leveringsadres. Hieruit blijkt dat er regelmatig kunst werd afgeleverd bij het woonhuis van [medeverdachte] en [verdachte] in [woonplaats 1] . In december 2011 deed SGL een inventarisatie van de door haar gekochte kunstvoorwerpen. Het verloop van deze inventarisatie blijkt uit het KPMG-rapport. Het boekhoudkundig onderzoek werd uitgevoerd door medewerkers van SGL in samenwerking met [naam 12] (hierna: [naam 12] ). Uit dit onderzoek bleek dat er in de periode van 20 december 2002 tot 20 september 2010 145 kunststukken door SGL werden aangeschaft met een totale waarde van € 569.610,
- KPMG trof daarnaast nog voor een bedrag van € 23.178,00 aan kunst in de boekhouding van SGL aan. Getuige [getuige 20] van [naam 12] heeft verklaard dat zij op 24 oktober 2011 de woning van [medeverdachte] in [woonplaats 1] bezochten. Ze werden door [medeverdachte] binnengelaten en naar de bibliotheek/werkkamer in de kelder geleid en zijn verder niet in het pand geweest. [medeverdachte] vertelde aan de mensen van [naam 12] dat er in de rest van het pand geen kunst van SGL aanwezig was. Toen ze er aankwamen, aldus [getuige 20] , wierpen ze een blik in de tuin en zagen ze dat er aantal kunstobjecten stond die mogelijk aan SGL toebehoorden. Door het ontbreken van een administratie was onbekend waar de kunstwerken zich bevonden. [naam 12] stelde daarom in februari/maart 2012 een lijst op van 41 locaties van SGL waar de kunst zou kunnen zijn. Daarvan werden 25 locaties bezocht.Sommige locaties, waaronder [naam manege] , werden niet bezocht, omdat daar volgens [medeverdachte] geen kunst aanwezig was. De aangetroffen kunst werd gefotografeerd en geregistreerd en op dat moment werd voor een bedrag van € 260.554,- aan kunst niet gevonden. Op 4 juli 2012 zijn de locaties [adres 1] in [woonplaats 1] en [adres 2] in [woonplaats 2] door de FIOD doorzocht. In [adres 1] in [woonplaats 1] zijn de volgende kunstvoorwerpen aangetroffen: Deze voorwerpen stonden in de privévertrekken van [medeverdachte] en [verdachte] en zijn betaald door SGL. Verder zijn in [adres 1] in [woonplaats 1] de volgende kunstvoorwerpen aangetroffen: Getuige [getuige 20] van [naam 12] heeft verklaard, nadat haar foto’s zijn getoond die zijn genomen tijdens de doorzoeking, dat zij op de foto’s nog een voorwerp herkende dat eigendom van SGL was. Het betreft het volgende kunstvoorwerp: In [adres 2] in [woonplaats 2] zijn de volgende kunstvoorwerpen aangetroffen: Uit de aantekeningen van [getuige 19] blijkt dat de objecten met codes O-02, O-11, O-23, O‑24, O-65 en O-73 door [getuige 19] in [woonplaats 1] zijn afgeleverd. [getuige 19] heeft voor het eerst op 16 november 2017 een in [woonplaats 1] aangetroffen kunstwerk afgeleverd in [adres 1] [woonplaats 1] . [medeverdachte] heeft verklaard dat er buiten het schaakspel nooit iets met SGL is verrekend voor aangekochte kunst. Ter zitting heeft [medeverdachte] daaraan toegevoegd dat er nooit een registratie is geweest of een overeenkomst van bruikleen voor de kunstvoorwerpen van SGL die bij hem en in de manege van [naam BV] zijn aangetroffen. Bewijsoverweging: In totaal bedraagt de in de woning van [verdachte] en [medeverdachte] en op de manege aangetroffen en door SGL betaalde kunst: € 14.500 + € 6.284,00 + € 3.200,00 + € 56.655,34 = € 80.639,
- Van dit bedrag heeft de officier van justitie een bedrag van € 10.000,- niet ten laste gelegd voor een schaakspel dat [medeverdachte] op rekening van SGL kocht, maar dat hij in januari 2011 aan SGL terugbetaalde. Dit schaakspel komt overigens niet voor op de lijsten met kunstvoorwerpen die in [woonplaats 1] dan wel [woonplaats 2] zijn aangetroffen (en maakt dus geen deel uit van het bedrag van € 80.639,34). In de tenlastelegging leidt dit tot een totaalbedrag aan verduisterde kunst van € 70.639,
- De rechtbank constateert dat uit de inventarisatielijst van [naam 12] blijkt dat de voorwerpen O-79 (€ 12.499,94), O-80 (€ 3.200,-), O-81 (€ 3.200,-) en het voorwerp 35 (Unica graal 414: € 3.200,-) op 31 december 2004 zijn gekocht. Deze datum valt buiten de tenlastegelegde pleegperiode van 1 februari 2005 tot en met 1 november
- Van deze voorwerpen kan om die reden niet worden bewezen dat ze zijn verduisterd in de pleegperiode. Daarom moet [verdachte] van verduistering van deze kunst (met een waarde van € 22.099,94) worden vrijgesproken. De voorwerpen O-05 (€ 1.500,-), O-14 (€ 1.749,-) en O-68 (€ 2.150,-) komen niet voor op de inventarisatielijst van SGL en er bevinden zich geen facturen van deze voorwerpen in het dossier. Van deze kunstvoorwerpen kan dus niet worden vastgesteld dat ze eigendom zijn geweest van SGL en dat ze van SGL zijn verduisterd. De rechtbank zal [verdachte] daarom ook van verduistering van deze kunstvoorwerpen vrijspreken, waarmee de waarde van de verduisterde kunst nog eens met € 5.399,- wordt verminderd. Het totaalbedrag van de in [woonplaats 1] en [woonplaats 2] aangetroffen en door SGL in de ten laste gelegde periode betaalde kunst bedraagt dus: € 53.140,40 (80.639,34 minus € 22.099,94 minus € 5.399,-). Uit het dossier komt het beeld naar voren dat [medeverdachte] doorgaans degene was die kunstaankopen door SGL initieerde. Regelmatig kocht hij als bestuurder van SGL persoonlijk kostbare kunstvoorwerpen die door SGL werden betaald. In de periode 2002-2010 gaat het om een bedrag van meer dan € 500.000,-. Een deel van deze kunstvoorwerpen liet hij (soms direct na aankoop) plaatsen in de privévertrekken van zijn woning in [woonplaats 1] en op de manege van [naam BV] in [woonplaats 2] . Deze plaatsing in de woning van [medeverdachte] en [verdachte] of in de manege van [naam BV] werd niet gemeld aan SGL; er werd ook geen administratie bij SGL van bijgehouden. Door deze gang van zaken werden de kunstvoorwerpen van SGL buiten het zicht en buiten de zeggenschap van SGL gebracht. Hieruit blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte] zich over deze kunststukken van SGL als heer en meester zijn gaan gedragen. In sommige gevallen was het al bij aankoop de bedoeling van verdachten zich deze toe te eigenen: [medeverdachte] en/of [verdachte] lieten ze na aankoop namelijk rechtstreeks afleveren aan hun woonhuis. De stelling van [verdachte] dat geen sprake was van verduistering, omdat in de woonkamer ook wel eens werd vergaderd, schuift de rechtbank terzijde. Nog los van het feit dat van een structureel zakelijk gebruik van de woonkamer niet is gebleken, staat vast dat de kunstvoorwerpen in de woning in [woonplaats 1] verspreid waren over de ruimtes die behoorden tot de woonvertrekken van [medeverdachte] en [verdachte] . Er mag dan ook vanuit worden gegaan dat deze daar dienden voor hun persoonlijk woongenot. Alles wijst erop dat [verdachte] en [medeverdachte] zichzelf de kunstvoorwerpen toe‑eigenden door ze in hun woning te plaatsen zonder dat SGL daar weet van of zicht op had. De SGL-kunst op de manege (een locatie van [naam BV] ) was daar volgens [medeverdachte] en [verdachte] aanwezig, omdat het plan bestond om op [adres 2] een winkel te beginnen met kunstvoorwerpen, deels gemaakt door cliënten van [naam BV] . Deze verklaring treft geen doel. De stelling dat er voornemens waren daar een winkel te starten vindt geen steun in de dossierstukken en geeft bovendien geen antwoord op de vraag waarom dit rechtvaardigt dat kunst van SGL, waarnaar al langere tijd werd gezocht en met een waarde van tienduizenden euro’s, daar aanwezig was. Vóór 1 december 2007 woonden [verdachte] en [medeverdachte] nog niet samen in [woonplaats 1] . Uit de dossierstukken is niet gebleken van betrokkenheid van [verdachte] bij de verduistering van kunst die voorafgaand aan die datum is gekocht. In zoverre zal de rechtbank [verdachte] hiervan vrijspreken. De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de kunstvoorwerpen die met ingang van 16 november 2007 (de datum waarop [getuige 19] voor het eerst een kunstwerk aflevert in [woonplaats 1] ) zijn gekocht en die zijn aangetroffen in de woning in [woonplaats 1] , door [medeverdachte] samen met [verdachte] zijn verduisterd. [verdachte] is immers regelmatig meegegaan met [medeverdachte] om bij [getuige 19] kunst te kopen. Uit het dossier blijkt voorts dat [medeverdachte] en [verdachte] ook omstreeks die datum samen op het adres in [woonplaats 1] gingen wonen. Het betreft de voorwerpen O-02 (€ 2,300,-), O‑11 (€ 1.500,-), O-23 (€ 2.550,) en O‑24 (€350,) (totaal: € 6,700,). Ditzelfde geldt voor de kunstvoorwerpen die [medeverdachte] en [verdachte] bij [getuige 19] hebben aangeschaft op of na 1 december 2007 én bij hen thuis in [woonplaats 1] zijn afgeleverd én tijdens de huiszoeking in de [naam manege] zijn aangetroffen. Het betreft de kunststukken: O-65 (€ 5.650,-),O-71 (€ 2.100,-), O-73 (€ 1.800,) en O-74 (€ 7.250,40) (totaal: € 16.800,40). De totale waarde van de voor [verdachte] bewezen verklaarde verduisterde objecten bedraagt € 23.500,
- 4.16 Vrijspraakoverwegingen ten aanzien van horloges (feitonderdeel 14) Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [verdachte] enige betrokkenheid heeft gehad bij de verduistering van horloges die zijn gekocht op naam van SGL. De rechtbank zal daarom [verdachte] van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken. 4.17 Werknemer (feitonderdeel 15) [verdachte] wordt ervan verdacht dat zij in de periode van 10 april 2007 tot en met 31 december 2011 samen met [medeverdachte] € 33.620,00 heeft verduisterd bij [naam BV] met indienstneming van [getuige 21] . Bewijsmiddelen In het dossier bevinden zich een arbeidsovereenkomst en loonstaten die betrekking hebben op het dienstverband dat is aangegaan tussen [naam BV] en [getuige 21] . Uit de arbeidsovereenkomst blijkt dat [getuige 21] met ingang van 22 oktober 2007 in dienst trad bij [naam BV] als instructeur. Deze overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd tot 21 oktober 2008 voor acht uur per week, met een salaris van € 65,79 per uur. Deze arbeidsovereenkomst is door medeverdachte [verdachte] namens [naam BV] en door [getuige 21] ondertekend. Uit de loonstaten blijkt dat [getuige 21] in 2007 netto afgerond € 3.837,- heeft verdiend en in 2008 netto afgerond € 18.957,-, zijnde in totaal € 22.794,-. Bruto is dit een bedrag van afgerond € 33.620,-. Dit bedrag komt overeen met het bedrag in de tenlastelegging. Getuige [getuige 21] heeft verklaard dat hij is benaderd door [naam dochter] , de dochter van [medeverdachte] , of [getuige 12] , een vriendin van [naam dochter] . Er is door één van de meiden gevraagd om aan hen les te geven. Hij heeft 9 uur per week les gegeven. Hij heeft eerst een proefles gegeven aan [getuige 12] en [naam dochter] . Dat klikte en hij is vervolgens aangenomen door [medeverdachte] . Dat was op de manege. [medeverdachte] heeft aangegeven dat zijn hoofdtaak was het lesgeven aan [naam dochter] en [getuige 12] . [verdachte] heeft het contract ondertekend omdat zij bedrijfsleidster was en deze zaken afhandelde. [getuige 21] heeft verder verklaard dat op het moment dat hij daar kwam werken er nog geen gehandicapte ruiters waren die de ruitersport zouden gaan beoefenen. In de gehele periode dat hij bij [naam BV] heeft gewerkt heeft hij ook geen gehandicapte ruiters gezien die de ruitersport daar hebben beoefend. [getuige 21] had de verwachting dat de doelstelling van het bedrijf was om gehandicapten op een hoog niveau te laten paardrijden, omdat een aantal paarden rijklaar moesten worden gemaakt. Dat er uiteindelijk geen gehandicapten van dat niveau bij [naam BV] zijn terechtgekomen, vond hij jammer want daar had hij natuurlijk wel op gerekend. [medeverdachte] was de persoon die bij [naam BV] alles aanstuurde, het beleid voerde en met ideeën kwam en [verdachte] was meer belast met de uitvoering daarvan. Getuige [naam dochter] heeft op 4 juli 2012 verklaard dat [getuige 21] haar paardrijles heeft gegeven. Dat is ongeveer vijf jaar geleden geweest. [getuige 21] heeft ook les gegeven aan [getuige 12] . De lessen zijn betaald door haar vader. [getuige 21] heeft geen les gegeven aan cliënten. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat [naam dochter] en [getuige 12] ruiter les kregen van [getuige 21] . [getuige 21] was een subtopruiter van Nederland. Hij gaf privéles aan [naam dochter] en [getuige 12] . Hij heeft nooit lesgegeven aan cliënten. Getuige [getuige 12], die een sponsorcontract had bij SGL en tot eind 2008 bij [naam BV] heeft gereden, heeft verklaard dat bij [naam BV] in het begin ongeveer 5 à 6 cliënten per dag de manege bezochten om de paarden te verzorgen. Naderhand is dat teruggelopen. Het paardrijden op niveau is nooit van de grond gekomen. Er zijn geen gehandicapte ·ruiters van niveau bij [naam BV] gaan rijden. De paarden die op initiatief van [medeverdachte] door sponsorruiters naar een hoger niveau zijn gebracht, zijn uiteindelijk niet bereden door gehandicapte ruiters. Ze heeft geen inspanningen gezien bij [naam BV] om gehandicapte ruiters van topniveau "binnen" de manege te krijgen. Geen advertenties of iets dergelijke waarbij dergelijke topruiters werden gevraagd. Wat ze weet, is dat er een site was waarop een en ander stond vermeld en dat er af en toe open zondagen waren, waarbij mensen konden komen kijken welke activiteiten konden plaatsvinden op de manege. Zij heeft verder verklaard dat [getuige 21] ruiter van naam is in Nederland en van zo iemand wil eigenlijk iedereen wel les hebben. Zij heeft [getuige 21] niet benaderd om te komen werken bij [naam BV] als instructeur. Voor zover zij zich kan herinneren, heeft [medeverdachte] [getuige 21] gevraagd om te komen werken als instructeur. [getuige 21] heeft alleen [naam dochter] en haar ( [getuige 12] ) lesgegeven. Het was de bedoeling om [naam dochter] en haar naar een hoger niveau te brengen. Waarom [naam dochter] en zij naar een hoger niveau moesten worden gebracht, is nooit echt uitgesproken. Het was wel duidelijk dat als het paard waarop zij reed door een gehandicapte ruiter op niveau bereden zou kunnen worden dat zou dit gebeuren. Maar zoals zij al vertelde, is dat in haar periode niet gebeurd en heeft zij die inspanningen om dergelijke ruiters binnen te halen bij [naam BV] ook niet gezien. Op de vraag of op een gegeven moment [getuige 21] , die toch een aanzienlijke naam heeft binnen de paardensport, is gebruikt om gehandicapte ruiters op niveau aan te trekken, antwoordt [getuige 12] dat zij dat zeker nooit zo heeft gezien. Hij was er om hen te begeleiden en om op [naam BV] te rijden. [getuige 12] heeft verder verklaard dat [medeverdachte] het voor het zeggen had bij [naam BV] , dat bleek uit alles want hij bepaalde alles. Hij had als bestuurder ook een bepaalde dominantie en die had [verdachte] , die in de ogen van [getuige 12] alleen op papier directeur was, niet. Getuige [getuige 16] heeft verklaard dat in de manege topruiters, zoals [naam 13] , [getuige 21] en [naam 14] uit [adres 1] , les hebben gegeven aan [naam dochter] . Die topruiters deden niets anders in de manege. Getuige [getuige 11], amazone met een lichamelijke beperking die een sponsorcontract heeft gehad met SGL, heeft verklaard dat zij een paard en lesgeld heeft gehad van SGL en eenmalig een kledingpakket met logo van SGL. Het is nooit de bedoeling geweest dat daar de naam [naam BV] op kwam te staan. Ze weet niet waarom. Het was de bedoeling dat ze een voorbeeldfunctie zou gaan vervullen en laten zien aan mensen met een beperking dat je kunt schitteren op je eigen niveau. Ze wilde niet alleen reclame maken voor SGL tijdens wedstrijden, maar ook aan mensen met een beperking laten zien wat je kunt bereiken in de sport. Daar waren ze best enthousiast over. Reclame heeft zij op wedstrijden wel kunnen doen, omdat ze het logo droeg en ook een trainingsset had met het logo van SGL, maar het aspect om aan mensen met een beperking te laten zien wat je in de sport kunt bereiken, is er niet van gekomen. Ze heeft ooit een demonstratie gegeven op de manege in [woonplaats 2] maar dat was helemaal niet voor mensen met een beperking. Ze heeft daar gereden voor personeel van SGL die daar zijn komen kijken met aanhang en kinderen. Op de vraag of [medeverdachte] ooit tegen haar heeft gezegd dat er warmbloedpaarden op de manege aanwezig waren die door amazones, zoals [naam dochter] , naar een hoog dressuurniveau werden gebracht zodat ze uiteindelijk door gehandicapte ruiters of amazones op topniveau konden worden uitgebracht, heeft zij verklaard dat [medeverdachte] of iemand anders haar dat nooit heeft verteld. Ze kan niet plaatsen waarom haar één van die andere paarden niet is aangeboden. Er is nooit tegen haar gezegd "kom eens kijken op de manege om eens te kijken naar de paarden om te zien of één van deze paarden een optie is". Blijkens de doelstelling van [naam BV] zijn de activiteiten van [naam BV] gericht op de ondersteuning van gehandicapten en chronisch zieken dan wel andere doelgroepen die bij de hiervoor ontwikkelde aanpak baat kunnen hebben. Bewijsoverweging: Uit voormelde bewijsmiddelen blijkt dat dat [getuige 21] door [medeverdachte] en [verdachte] in oktober 2007 is aangesteld bij [naam BV] met als taak het geven van paardrijlessen aan [naam dochter] , de dochter van [medeverdachte] , en [getuige 12] . Tijdens zijn dienstverband heeft hij vrijwel niets anders gedaan dan les geven aan [naam dochter] en haar vriendin [getuige 12] . SGL ontplooide sponsoractiviteiten voor de promotie van de mogelijkheden van gehandicapten. [getuige 12] had in dat kader van [medeverdachte] een sponsorcontract met SGL gekregen om paarden in te rijden voor gehandicapte ruiters van niveau. Wat daar ook van zij, uit de bewijsmiddelen blijkt dat binnen [naam BV] nooit serieus werk is gemaakt van het aantrekken van ruiters en amazones van goed niveau met een lichamelijke beperking. Niet in de periode waarin [getuige 21] les heeft gegeven op de manege, maar ook niet daarna. Zelfs aan [getuige 11] (een topruiter met een lichamelijke beperking) is geen aanbod gedaan om op de manege een rol van betekenis te spelen in dit kader, terwijl dit voor de hand had gelegen en [getuige 11] dat ook heel graag had gedaan. [getuige 11] is niet eens de mogelijkheid geboden op de manege te rijden. De stelling van [medeverdachte] dat het op de manege (mede) de bedoeling was om gehandicapten de mogelijkheid te bieden op hoog niveau paard te rijden, vindt dan ook geen ondersteuning in de feiten. [naam dochter] had bovendien geen sponsorcontract en de sponsoring ging uit van SGL, niet van [naam BV] . Wanneer deze omstandigheden worden bezien in het licht van de doelstelling van [naam BV] , moet worden geconcludeerd dat niet valt niet in te zien waarom [naam BV] [getuige 21] heeft gecontracteerd. Dit is enkel te verklaren vanuit het doel [naam dochter] , als dochter van [medeverdachte] , lessen te laten volgen bij een ruiter van naam. Op deze manier hebben [verdachte] en [medeverdachte] geld van [naam BV] besteed aan een doel dat niets met de bedrijfsvoering van [naam BV] te maken had en privé is geweest. [verdachte] kon uit hoofde van haar dienstbetrekking bij [naam BV] met bijbehorende volmacht om op te treden namens bestuurder [naam stichting 1] , beschikken over de geldmiddelen van [naam BV] . [medeverdachte] had blijkens de stukken in feite de leiding binnen [naam BV] . Door [getuige 21] in dienst te nemen bij [naam BV] om les te geven aan de dochter van [medeverdachte] en haar vriendin [getuige 12] hebben [verdachte] en [medeverdachte] de loonkosten verduisterd die [naam BV] heeft moeten betalen voor dit dienstverband. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] tezamen en in vereniging met [medeverdachte] met de indienstneming van [getuige 21] € 33,620,00 heeft verduisterd onder de verzwarende omstandigheid dat zij deze gelden uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich had. 4.18 [adres 7] [plaats 1] (feitonderdeel 16) [medeverdachte] wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 1 februari 2005 tot 1 november 2010 bij SGL samen met [verdachte] € 1.107.924,00 heeft verduisterd met de verbouwing en inrichting van het pand aan de [adres 7] in [plaats 1] . Bewijsmiddelen Dit pand is in 2005 door SGL (vertegenwoordigd door [medeverdachte] ) gekocht van de heer [naam verkoper] voor € 520.000,00 inclus