RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer: 03/661116-16 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 september 2018 in de strafzaak tegen [verdachte] gevestigd te [adresgegevens verdachte] , hierna: de [verdachte] . De verdachte wordt ter terechtzitting vertegenwoordigd door: [naam vertegenwoordiger] geboren te [geboortegegevens vertegenwoordiger] , wonende te [adresgegevens verdachte] , hierna: [naam vertegenwoordiger] . 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 29 juni 2018 en 23 augustus
- [naam vertegenwoordiger] is verschenen. De officier van justitie en [naam vertegenwoordiger] hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de [verdachte] : Feit 1: in de periode van 22 november 2011 tot en met 30 mei 2016 [slachtoffer] heeft belaagd; Feit 2: in de periode van 22 november 2011 tot en met 30 mei 2016 zich schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift ten aanzien van [slachtoffer] . 3De voorvragen [naam vertegenwoordiger] heeft in zijn pleidooi en laatste woord nadrukkelijk gewezen op falen van het Openbaar Ministerie (hierna: OM). Noch [naam vertegenwoordiger] , noch de [verdachte] heeft daar conclusies aan verbonden. Op basis van het op 29 juni 2018 gevoerde preliminair verweer, begrijpt de rechtbank dat de verdediging nogmaals de niet-ontvankelijkheid van het OM wil bepleiten. De rechtbank heeft op dit niet-ontvankelijkheidsverweer al reeds beslist op 29 juni 2018, zodat dit geen verdere bespreking behoeft. De rechtbank verwijst voor deze beslissing naar het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 juni
- 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat het tenlastegelegde bewezen zal worden verklaard, gelet op de aangiften van [slachtoffer] van 19 mei 2014, 7 oktober 2015 en 13 januari 2016, de verklaringen van [naam vertegenwoordiger] en het uittreksel van de Kamer van Koophandel van 15 juli
- De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 verwezen naar de uitspraken van de (toenmalige) Rechtbank Breda d.d. 22 december 2012, het (toenmalig) Gerechtshof Leeuwarden d.d. 12 december 2006 en de Hoge Raad d.d. 29 juni 2010 en ten aanzien van feit 2 naar de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 14 juni
- De wijze waarop de [verdachte] -de door haar gestelde- curatorfraude aan de kaak heeft willen stellen, overschrijdt alle grenzen van het betamelijke en had via de officiële wegen aangekaart dienen te worden. Zij heeft deze wegen voor een deel ook bewandeld en is daarbij in het ongelijk gesteld. 4.2 Het standpunt van de verdediging [naam vertegenwoordiger] heeft aangevoerd dat de gedragingen niet strafbaar zijn omdat de [verdachte] [slachtoffer] als curator en vennoot van het advocatenkantoor verwijten maakt en niet als privépersoon (feit 1) en omdat de [verdachte] de waarheid vertelt (feit 2). 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de [verdachte] dient te worden vrijgesproken en overweegt daartoe als volgt. Het opkomen tegen beweerdelijke curatorenfraude, past niet binnen de doelomschrijving van de [verdachte] . Daarmee kunnen de handelingen van [naam vertegenwoordiger] ook niet worden aangemerkt als handelingen van de [verdachte] . Ter terechtzitting heeft de verdediging een uittreksel uit de register van de Kamer van Koophandel overgelegd. Dit uittreksels is gedateerd op 00-00-
- De rechtbank stelt vast dat dit een niet-bestaande datum is. Per deze datum zou de doelstelling van de [verdachte] zijn gewijzigd in ‘ook als woordvoerder en belangenbehartiger optreden voor en namens betrokkenen en crediteuren en gedupeerden van bedrijfsfaillissementen waarbij de afhandeling door overheidsfunctionarissen en door hen aangestelde faillissementscuratoren niet volgens de wettige voorschriften zijn uitgevoerd’. De rechtbank stelt vast dat de tenlastegelegde feiten zijn aangevangen op 22 november 2011 door [naam vertegenwoordiger] . Dat wil zeggen dat [naam vertegenwoordiger] zijn persoonlijk handelen heeft aangevangen vóór
- Naar het oordeel van de rechtbank kan de aanpassing van 00-00-12 niet anders worden gezien dan een dekmantel voor [naam vertegenwoordiger] eigen handelen. Dit geldt temeer nu [naam vertegenwoordiger] ter terechtzitting heeft aangegeven nog een vereniging “achter de hand” te hebben voor het geval hij niet meer met de [verdachte] zou mogen opereren. Reeds om die reden is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van [naam vertegenwoordiger] redelijkerwijs niet aan de [verdachte] kunnen worden toegerekend en zal zij de [verdachte] dan ook integraal vrijspreken van het tenlastegelegde. 5De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde. Dit vonnis is gewezen door mr. V.P. van Deventer, voorzitter, mr. L. Feuth en mr. C.C.W.M. Aretz, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Geene, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 september
- Buiten staat mr. C.C.W.M. Aretz is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
- zij, in of omstreeks de periode van 22 november 2011 tot en met 30 mei 2016, in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft zij, verdachte, - veelvuldig aan die [slachtoffer] en/of zakelijke en/of privé-contacten van voornoemde [slachtoffer] en/of derden (lasterlijke) (mail)berichten (inhoudende - kort gezegd - dat voornoemde [slachtoffer] heeft gefraudeerd in zijn functie als curator in een faillissement) verstuurd;
- zij, in of omstreeks de periode van 22 november 2011 tot en met 30 mei 2016, in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door veelvuldig aan die [slachtoffer] en/of zakelijke en/of privé-contacten van voornoemde [slachtoffer] en/of derden (lasterlijke) (mail)berichten (inhoudende - kort gezegd - dat voornoemde [slachtoffer] heeft gefraudeerd in zijn functie als curator in een faillissement) te sturen. ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ
- ECLI:NL:GHLEE:2006:AZ
- ECLI:NL:HR:2010:BL
- ECLI:NL:HR:2011:BP0287.