RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer: 03/995005-12 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 september 2018 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboortegegevens verdachte] , wonende te [adresgegevens verdachte] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.M.H. Römkens, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 19, 20, 22, 25, 26, 27 en 28 juni 2018. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officieren van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting vervolgens gesloten op de zitting van 21 augustus 2018. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht (bijlage I). De verdenking komt er, na wijziging tenlastelegging, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: feit 1: samen met een ander of anderen een factuur, brieven, een Aanvulling II Samenwerkingsovereenkomst Zorgfaciliteiten en een schriftelijke volmacht heeft vervalst; feit 2: samen met een ander of anderen als bestuurder van SGL geldbedragen en/of paarden, kunstvoorwerpen, horloges, onroerende goederen, audiovisuele apparatuur en fitnessapparatuur voor in totaal € 1.659.530,- heeft verduisterd van SGL; feit 3: samen met een ander of anderen de Raad van Toezicht van SGL heeft opgelicht voor in totaal € 179.301,-; feit 4: als feitelijk leidinggevende van [naam BV] samen met een medeverdachte, die manager back office en/of bedrijfsdirecteur van [naam BV] was, geldbedragen en/of paarden, loon werknemer en onroerende goederen voor in totaal € 235.023,- heeft verduisterd van [naam BV] . Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in de bewezenverklaring door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad. De rechtbank heeft ter terechtzitting de onderdelen van de tenlastelegging aan de hand van een behandelschema besproken, welk behandelschema aan dit vonnis is gehecht (bijlage II). De rechtbank zal in dit vonnis dezelfde volgorde aanhouden bij de bespreking van de onderdelen van de tenlastelegging, met uitzondering van feitonderdeel 26. 3De voorvragen 3.1 Het verzoek tot aanhouding en de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie 3.1.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bij pleidooi primair verzocht om nadere onderzoekshandelingen om de verdachte (hierna ook: [verdachte] ) in de gelegenheid te stellen de onjuiste conclusies van de Belastingdienst en de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) te weerleggen. Het onderzoek getuigt van vooringenomenheid. De FIOD en het Openbaar ministerie (OM) borduren voort op onjuiste conclusies van de Belastingdienst die nergens op zijn gebaseerd. Feitenonderzoek vindt niet plaats. Ontlastend materiaal wordt niet aan het dossier toegevoegd. Aan getuigen worden onjuiste conclusies voorgelegd. De verdediging moet toegang krijgen tot het digitale FIOD-dossier, de stukken die zien op de samenwerking tussen de Belastingdienst en de FIOD, de onderliggende, nog ontbrekende stukken van het KPMG-onderzoek, de zorginkoopdossiers van de jaren 2002-2010, de managementletters van de externe accountant met betrekking tot de jaren 2002-2010 en het gehele archief van de Raad van Toezicht (RvT) van Stichting Gehandicaptenzorg Limburg (SGL) over de periode 2002 -2010. De verdediging wil iedereen die betrokkenheid heeft gehad in de aanloop naar het onderzoek door de FIOD (opnieuw) horen. De door de verdediging eerder opgegeven getuigen moeten (opnieuw) worden gehoord en geconfronteerd met de juiste stukken en RvT-besluiten. Tot slot heeft de verdediging aangegeven dat zij inzage wil in de administraties van [getuige 3] en [getuige 8] . Het nader onderzoek is noodzakelijk voor de oordeelsvorming van de rechtbank over de ontvankelijkheid van de officier van justitie, het bewijs van het ten laste gelegde en de strafmaat. De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet‑ontvankelijk moet worden verklaard omdat (
- a)sprake is van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn en (
- b)de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd zodanige gebreken kent dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces is geschonden, waarbij de verdediging heeft verwezen naar de onderbouwing van de door de verdediging noodzakelijke geachte nadere onderzoekshandelingen. 3.1.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het OM kan worden ontvangen in de vervolging van [verdachte] . Van grove vormverzuimen en/of grove schending van andere processuele beginselen is geen sprake. Een overschrijding van de redelijke termijn kan niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM. De verdediging verzuimt (opnieuw) aan te geven wat de relevantie is van de door haar verzochte nadere onderzoekshandelingen voor de door de rechtbank te nemen beslissingen op grond van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De rechtbank heeft eerder in de procedure reeds korte metten gemaakt met het standpunt van de verdediging dat de aanvang van het onderzoek niet zou deugen. De verdediging is bezig met een zogenoemde ‘fishing expedition’. Het aanhoudingsverzoek moet dan ook worden afgewezen. 3.1.3 De beoordeling door de rechtbank Inleiding Verzoeken tot nadere onderzoekshandelingen en/of niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie zijn door de verdediging reeds meermalen gedaan met in essentie telkens dezelfde onderbouwing. Voor de beoordeling van het verzoek tot aanhouding en de ontvankelijkheid van de officier van justitie zal eerst het verloop van het onderzoek worden geschetst. Daarna zullen de beslissingen worden weergegeven die de rechtbank daarover al eerder heeft genomen. Vervolgens zullen de verzoeken in het licht van die eerder genomen beslissingen worden beoordeeld. Om misverstanden te voorkomen, wordt opgemerkt dat met het digitale FIOD-dossier wordt gedoeld op de digitale data die zijn verkregen bij de doorzoekingen op 4 juli 2012 en de daarop volgende vorderingen tot uitlevering. Onder meer bij SGL zijn digitale data (images van computers en netwerkdirectories) in beslag genomen. Aan deze data is onderzoek verricht door de FIOD. In de dataverzamelingen aangetroffen bewijsmiddelen zijn verwerkt in de processen-verbaal van de FIOD. Verloop van het onderzoek en eerder genomen beslissingen Het FIOD-onderzoek en het vooronderzoek door de rechter-commissaris In oktober 2011 is de FIOD een onderzoek gestart naar verdachten. Op 4 juli 2012 hebben in het kader van dit onderzoek op meerdere plaatsen doorzoekingen plaatsgevonden. Medeverdachte [medeverdachte] is in juli 2012 aangehouden en verhoord. [verdachte] is in november 2013 aangehouden en verhoord. De onderzoeksresultaten van de FIOD zijn geverbaliseerd in het dossier dat is gesloten op 14 oktober 2014. Een zevental personen heeft tegenover de FIOD geen verklaring willen afleggen. Vier van hen – de heren [naam 38] , [naam 39] , [naam adviseur 1] en [naam adviseur 2] , allen werkzaam bij de externe accountant van SGL in de desbetreffende periode – zijn in de maanden november, december 2014 en januari 2015 in opdracht van de rechter-commissaris alsnog door de FIOD gehoord. Twee voormalige leden van de Raad van Toezicht van SGL, de heren [naam 27] en [naam 40] , en de heer [naam oprichter] , bestuurder van de [naam stichting 1] ( [naam stichting 1] ) in de desbetreffende periode, wilden enkel ten overstaan van de rechter-commissaris getuigen. Deze verhoren hebben plaatsgevonden in maart 2015. Vervolgens is op initiatief van de officier van justitie regie gevoerd door de rechter-commissaris. De verdediging heeft een groot aantal onderzoekswensen geformuleerd bestaande uit het voegen van stukken en het horen van getuigen. De rechter-commissaris heeft een deel van die verzoeken toegewezen. Na voltooiing van de door de rechter‑commissaris toegewezen onderzoekshandelingen zijn de verdachten gedagvaard. De regiezitting van 6, 8 en 10 november 2017 De verdachte heeft voor de zitting schriftelijk laten weten alle verzoeken die tijdens het vooronderzoek door de verdediging aan de rechter-commissaris zijn gedaan en zijn geweigerd opnieuw aan de rechtbank voor te leggen. Op de regiezitting heeft de verdediging de verzoeken nader toegelicht. Primair heeft de verdediging op basis van de aangedragen argumenten de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie bepleit. De officier van justitie heeft zich daartegen verzet. De beslissing van de rechtbank van 10 november 2017 over de ontvankelijkheid van het OM Op de zitting van 10 november 2017 is als volgt beslist op het verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie: ‘Het verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring berust kort samengevat in de woorden van de rechtbank op het argument dat de wijze waarop het onderzoek is gevoerd, zodanige gebreken kent dat het recht op een eerlijk proces geschonden is. Dat komt volgens [verdachte] door het volgende: In de aanvang van het onderzoek heeft de FIOD de Belastingdienst aangestuurd; Daardoor had het boekenonderzoek van de Belastingdienst dat formeel gericht was op de [naam stichting 1] (verder: [naam stichting 1] ) en [naam BV] (verder: [naam BV] ) alleen maar tot doel verdachte te kunnen belasten; Daardoor was de controlerend ambtenaar bevooroordeeld en stond de uitkomst van het belastingonderzoek bij [naam BV] al vast voordat het onderzoek begon; In het belastingonderzoek van [naam BV] zijn aan verdachte geen vragen gesteld. Op basis van dit onderzoek is aan hem privé een aanslag voor de Inkomstenbelasting (IB) opgelegd zonder dat hij gehoord is; Het onderzoek van de Belastingdienst is een slecht onderzoek dat niet is gebaseerd op feiten. De inspecteur heeft op basis van dit onderzoek verdachte aanvankelijk voor het gebruik van de zorgmanege belast voor een bedrag van anderhalf miljoen euro, dat recentelijk in rechte is gecorrigeerd tot 17.000 euro op jaarbasis, bij welke gelegenheid het boekenonderzoek als bestuurlijk onbehoorlijk is gekwalificeerd en de conclusies geen stand hebben gehouden. De FIOD heeft voortgeborduurd op onderzoeksresultaten waarvan is gebleken dat zij nergens op zijn gebaseerd. Door de naar aanleiding van het FIOD-onderzoek ontstane negatieve publiciteit (‘miljoenenfraude in de zorg’) waren veel getuigen niet bereid om nog in het voordeel van verdachte te verklaren; Aan een aantal getuigen is daarenboven uitvoerig geciteerd uit de door controlerend ambtenaar [getuige 1] tegenover de FIOD afgelegde verklaring, welke verklaring niet is gebaseerd op juiste feiten, zoals al blijkt uit de gecorrigeerde aanslag IB; Vragen die de verdediging aan getuigen bij de rechter-commissaris wilde stellen over de hierboven beschreven gang van zaken werden belet; De FIOD heeft vanuit vooringenomenheid en tunnelvisie alleen die documenten gebruikt en aan het dossier toegevoegd die de beschuldigingen ondersteunen. Naast voormelde door de verdediging gestelde gebreken heeft de verdediging gewezen op het feit dat de redelijke termijn in deze zaak inmiddels ruimschoots is overschreden. De rechtbank zal deze argumenten per onderdeel bespreken en beoordelen. Ad i. De aanleiding voor het strafrechtelijk onderzoek is in het procesdossier beschreven in hoofdstuk 2 (blz. 24-29) van het algehele overzichtsproces-verbaal (OPV). De rechtbank vat de beschreven gebeurtenissen voor zover hier van belang als volgt samen: a. Op 20 november 2008 meldt een medewerkster van het CZ-Zorgkantoor de FIOD een door CZ ontvangen signaal over fraude bij SGL. AWBZ-gelden zouden ten onrechte worden gebruikt voor de aankoop van een manege en warmbloedpaarden. CZ had begin 2007 (van een journalist) en begin 2008 (via de NZa) ook signalen gehad over fraude bij SGL; b. De FIOD onderzoekt daarop open bronnen over SGL, [naam stichting 1] en [naam BV] ; c. De FIOD doet op 25 november 2008 navraag bij de Belastingdienst en verneemt dat er van SGL over 2004 een summier controlerapport is, dat in 2007 iemand anoniem heeft gemeld dat SGL op formeel onjuiste gronden een manege zou exploiteren en dat er bij [naam BV] , die de manege zou exploiteren, nog geen boekenonderzoek is geweest. d. De FIOD ontvangt op 20 januari 2009 een (op dat moment) anonieme brief uit handen van de voorzitter van het RIEC [naam voorzitter] , onder andere over het uitbaten door [naam BV] van een manege met 44 paarden waarvan er maar één of twee door gehandicapten bereden konden worden. Dit zou tot stand zijn gekomen met geld van SGL. [verdachte] zou met geld van SGL op grote schaal onroerend goed hebben gekocht en kostbare kunstvoorwerpen die voorheen bij SGL hingen, in zijn huis hebben hangen. e. Na overleg tussen FIOD en Belastingdienst op 22 januari 2009 heeft, vanwege het op dat moment ontbreken van concrete verdenkingen, de Belastingdienst besloten een boekenonderzoek te doen bij SGL. f. De FIOD heeft op 8 maart 2010 bij de Belastingdienst geïnformeerd naar de bevindingen van het onderzoek. Daarbij bleek dat er geen voortgang in het boekenonderzoek zat, waarbij de Belastingdienst de indruk had dat het onderzoek door SGL onnodig werd vertraagd en opgehouden. g. Op 8 juni 2010 kwam er een anonieme brief, naar achteraf blijkt afkomstig van [getuige 2] , binnen bij de Belastingdienst over [naam BV] , die voor de Belastingdienst reden was om bij [naam BV] een boekenonderzoek in te stellen. h. Via [naam voorzitter] werd medio juni 2010 bekend dat [getuige 2] de schrijver was van de anonieme brief. De FIOD besluit vervolgens op 27 augustus 2010 in overleg met het Openbaar Ministerie, mede omdat het boekenonderzoek werd tegengewerkt, om [getuige 2] en [getuige 3] (de verkoper van de manege aan [naam stichting 1] ) te horen. Dit is op 2 en 23 september 2010 gebeurd. [getuige 2] doet tijdens zijn verhoor aangifte van valsheid in geschrifte en verduistering tegen [verdachte] . i. In november 2010 vond er een bijeenkomst plaats tussen OM, FIOD en Belastingdienst, waarbij door de (contactambtenaar van
- de)Belastingdienst informatie werd uitgewisseld met de FIOD. j. Het voorgaande leidde tot een verdenking in maart 2011. De zaak is daarop aangemeld in het Tripartite Overleg. Deze overleggen vonden plaats op 7 april 2011 en 9 juni 2011. In het overleg van 9 juni 2011 werd besloten tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek, waarna in oktober 2011 het onderzoeksteam Mustang werd gevormd. Uit het OPV en de toelichting daarop van de officier van justitie op de zitting blijkt dat het traject tot de vorming van het onderzoeksteam vanuit de FIOD (zie hier sub
- j)wordt begeleid door de zogenaamde afdeling Account van de FIOD. Deze afdeling onderzoekt meldingen en aanwijzingen en werkt ze eventueel uit tot verdenkingen. Dat onderzoek vindt plaats door onderzoek in openbare registers en op internet (zie hier sub b). Een van hun informatiebronnen is ook de Belastingdienst (zie hier sub c). Als er nog geen verdenking is, kan de Belastingdienst besluiten om een controle onderzoek te verrichten (zie hier sub e). De FIOD kan verzoeken om de bevindingen van dat onderzoek te ontvangen (zie hier sub f). De FIOD kan ook zelf personen horen (zie hier sub h). Los daarvan kan de Belastingdienst ook zelf aan de hand van meldingen (zie hier sub
- g)besluiten om een boekenonderzoek uit te voeren (zie hier sub g). De toelichting door de officier van justitie dat de leden van het onderzoeksteam niet betrokken zijn geweest bij de vorming van de verdenking, wordt ondersteund door de verklaringen van de FIOD ambtenaren [naam FIOD ambtenaar 1] en [naam FIOD ambtenaar 2] dat zij pas vanaf oktober 2011 kennis krijgen van en betrokken raken bij dit onderzoek. Zij ontvangen dan het overzicht en de bevindingen van het Account-onderzoek en zetten hun eigen onderzoek daarop voort. Een van de vele onderzoekshandelingen die zij hebben gedaan, is het horen van [getuige 1] , die het boekenonderzoek bij [naam BV] heeft verricht. [getuige 1] beschrijft als getuige de aanleiding tot het boekenonderzoek bij [naam BV] (G03-01, blz. 2). Een van de vijf redenen voor dat onderzoek is de ‘klikbrief’ over misstanden bij [naam BV] (zie sub g). De rechtbank is van oordeel dat de in het OPV beschreven gang van zaken helder en transparant is. Van aansturing door de FIOD van het door de Belastingdienst verrichte onderzoek blijkt niet uit het procesdossier. Ad ii. en ad iii. De stelling van verdachte dat het onderzoek van de Belastingdienst door de FIOD is gestuurd en alleen maar tot doel had om hem te belasten, wordt door verdachte voornamelijk onderbouwd met de redenering dat als het onderzoek ‘eerlijk’ zou zijn uitgevoerd, gebleken zou zijn dat de beschuldigingen die er nu liggen, ongegrond zijn. Dat die beschuldigingen ongegrond zijn, blijkt volgens verdachte uit het gegeven dat zijn bijtelling IB inzake [naam BV] in rechte verminderd is van 1,5 miljoen euro naar 17 duizend euro. Dat het onderzoek bij [naam BV] slechts met het doel zou zijn ingesteld om informatie te krijgen over [verdachte] en dat van dat onderzoek de vooringenomenheid afstraalt, wordt door de rechtbank niet herkend. Ook de stelling dat het conceptrapport van de Belastingdienst en de door [getuige 1] afgelegde verklaringen in het strafrechtelijke onderzoek alleen meningen bevatten, wordt door de rechtbank niet herkend. Verschillende kwesties die in het rapport van de Belastingdienst over [naam BV] worden beschreven, houden tijdens het FIOD onderzoek stand en waren voor de officier van justitie voldoende concreet om ten laste te leggen. Het betreft ernstige verdenkingen. Of, en in hoeverre die verdenkingen gegrond zijn, is onderwerp van onderhavige strafprocedure. In dat onderzoek zijn de bewijsmiddelen zoals deze zich in het procesdossier bevinden, leidend. Of, en in hoeverre aanslagen IB worden opgelegd en standhouden die verband houden met onderwerpen die ook ten laste zijn gelegd, is voor de rechtbank in deze strafzaak niet maatgevend, alleen al om de reden dat niet op basis van dezelfde stukken wordt geoordeeld. De rechtbank heeft verder ook geen kennis van de genoemde aanslagen IB en de procedures inzake de inkomstenbelasting van verdachte. Kortom, van ongeoorloofde sturing door de FIOD of een “geheim” onderzoek naar [verdachte] is niet gebleken en de (uitkomsten van
- de)procedures rondom de inkomstenbelasting van [verdachte] in privé hebben geen bewijswaarde in de strafrechtprocedure tegen hem. Ad iv. In paragraaf 2.2 van het definitief rapport van onderzoek van de Belastingdienst bij [naam stichting 1] en [naam BV] van 15 maart 2013 (bijlage D-231) is het verloop van het onderzoek beschreven. Daaruit blijkt dat de Belastingdienst tijdens het onderzoek alleen gesproken heeft met de accountants en mevrouw [medeverdachte] . [medeverdachte] gaf desgevraagd herhaaldelijk aan dat zij [naam BV] vertegenwoordigde en dat verdachte door haar geïnformeerd werd. Ten tijde van het eerste verhoor van [getuige 1] door de FIOD op 10 november 2011 was het boekenonderzoek nog niet afgerond. [getuige 1] verklaart tijdens dit verhoor dat de uitvoering van het onderzoek gekenmerkt wordt door grote vertraging in het aanleveren van gevraagde gegevens, annuleren van afspraken en opeenvolgende vakanties van personen die bij het onderzoek betrokken zijn. Het conceptrapport dateert van na het verhoor van [getuige 1] . Dit conceptrapport is blijkens de definitieve versie door verdachte becommentarieerd. Uit het in het rapport beschreven verloop van het onderzoek (2.2) blijkt verder dat verdachte op verschillende momenten in de gelegenheid is gesteld om (nader) te reageren. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor de stelling van verdachte dat hij nooit de kans heeft gehad op het rapport van de Belastingdienst te reageren. Ter zitting heeft verdachte nog aangegeven dat hij zich bij de bespreking van zijn commentaar op het conceptrapport heeft laten vertegenwoordigen door adviseurs [naam adviseur 1] en [naam adviseur 2] , omdat [naam adviseur 2] hem gezegd zou hebben dat de Belastingdienst liever niet had dat hij bij dit gesprek aanwezig was. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de Belastingdienst een dergelijke mededeling zou hebben gedaan. Ad v. Op de zitting heeft de verdediging toegelicht dat het openbaar ministerie in persberichten gesproken heeft over ‘miljoenenfraude’ en dat dit getuigen bang gemaakt heeft om nog in het voordeel van verdachte te getuigen. De rechtbank merkt allereerst op dat of en in hoeverre sprake is van strafbare gedragingen door verdachte onderwerp is van dit strafrechtelijk onderzoek. Voorts merkt de rechtbank op dat bij de waardering van getuigenbewijs altijd scherp gelet moet worden of en in hoeverre getuigen belang kunnen hebben om een eventueel eigen aandeel in vermeend onjuist handelen van een verdachte te ontkennen of te bagatelliseren. Ad vi. De rechtbank merkt op dat het in het algemeen niet verkeerd is om getuigen te confronteren met bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van andere getuigen. Doorgaans gebeurt dit pas nadat de getuige zijn eigen verklaring heeft gegeven. Uit het dossier blijkt dat dit regelmatig op deze wijze is gebeurd. Verdachte heeft vooral moeite met het confronteren van getuigen met bevindingen uit het belastingonderzoek en/of de als getuige afgelegde verklaringen daarover door [getuige 1] , omdat hij de uitkomsten van dat onderzoek en de verklaringen van die getuige onjuist acht. De rechtbank acht echter de visie van verdachte op de juistheid van een bewijsmiddel niet dragend voor de toelaatbaarheid om een getuige met dat bewijsmiddel te confronteren. Of een getuige door (te vroege) confrontatie beïnvloed is in zijn verklaring en dit de betrouwbaarheid van diens getuigenverklaring aantast, kan onderwerp zijn van debat bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Ad vii. Uit de overwegingen tot nog toe blijkt dat de rechtbank de bezwaren van verdachte over de aanvang van het onderzoek en de wijze waarop het is uitgevoerd, ongegrond vindt. Kleine onjuistheden en onvolkomenheden in onderzoek kunnen in verband met de te behandelen ten laste gelegde feiten worden gecorrigeerd of gesanctioneerd. De uitgangsgedachte van verdachte is echter dat het hele onderzoek tegen hem is opgezet en uitgevoerd met het enkele doel om hem te beschadigen en te belasten. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de juistheid van die uitgangsgedachte. Heel veel door de verdediging gestelde vragen aan getuigen hadden tot doel om die uitgangsgedachte te onderbouwen. De rechtbank is van oordeel dat de rechter-commissaris om goede redenen die vragen heeft beperkt of belet. Ad viii. De rechtbank zal bij de bespreking van de onderzoekswensen nader ingaan op de verzochte nadere stukken. Daaruit zal blijken dat de rechtbank van oordeel is dat toevoeging van extra stukken slechts beperkt nodig is. Er zijn geen aanwijzingen dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren (ernstig) inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken kan niet leiden tot niet- ontvankelijkheid, maar hooguit tot strafvermindering.’ De beslissing van de rechtbank van 10 november 2017 over de door de verdediging verzochte nadere onderzoekshandelingen De rechtbank heeft beoordeeld of er (nog) verdedigingsbelang was bij de verzochte nadere onderzoekshandelingen. Dit belang is aanwezig geacht bij twee van de verzochte getuigen en, gelet op het verdachte onder 3 ten laste gelegde, bij kennisneming van de stukken van de RvT van SGL over de periode 2005 tot en met 2010 die het onderzoeksteam ter beschikking heeft gehad. De overige verzoeken zijn afgewezen. Voor zover de verzoeken zagen op de aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek is onder verwijzing naar de overwegingen over de ontvankelijkheid geoordeeld dat er geen aanleiding is tot nader onderzoek of voeging van stukken (het zogenoemde pre-weegdocument en AWR documenten), omdat er geen aanwijzingen waren dat in de stukken het voortraject, de redenen van wetenschap en de gemaakte keuzes onjuist zijn weergegeven. De overige verzoeken zijn afgewezen, omdat deze – kort gezegd – onvoldoende waren onderbouwd. Over de verzoeken tot inzage van stukken en het digitale FIOD-dossier is voorts overwogen dat hetgeen door de verdediging is aangevoerd – wat erop neerkomt dat de verdediging inzage wil om mogelijk ontbrekende, verdachte ontlastende processtukken te zoeken – onvoldoende reden is om inzage of voeging te gelasten. De zaak is verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van de toegewezen getuigen en de officier is opdracht gegeven om de stukken van de RvT van SGL over de periode 2005 tot en met 2010 die het onderzoeksteam ter beschikking heeft gehad aan het dossier toe te voegen. De zitting van 12 april 2018 Medio december 2017 heeft de officier van justitie RvT-stukken over de periode 2005 tot en met 2010 aan het dossier toegevoegd. De rechter-commissaris heeft de zaak geretourneerd naar de meervoudige kamer, omdat de verdediging zich op het standpunt stelde dat deze stukken incompleet waren en de verdediging voorafgaand aan de verhoren diende te beschikken over alle van belang zijnde stukken. Daarop is besloten een nadere zitting te houden op 12 april 2018. Daar is aan de orde geweest of de officier van justitie met de overgelegde stukken heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat de officier niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank. De verdediging heeft gemotiveerd gesteld dat de overgelegde RvT-stukken niet compleet zijn. Op deze zitting heeft de verdediging de rechtbank verder verzocht terug te komen op de op 10 november 2017 genomen beslissingen en de verzoeken van de verdediging alsnog integraal toe te wijzen. Dit laatste verzoek heeft de rechtbank afgewezen, omdat er geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren waren gebracht die daar aanleiding toe gaven. Om helder te krijgen wat het onderzoeksteam aan RvT-stukken ter beschikking heeft gehad en wat er mogelijk ontbreekt, is besloten op dit punt (naast de nog te horen getuigen) ook de secretaris van SGL te horen. De getuigenverhoren hebben plaatsgevonden op 23 en 24 mei 2018. De inhoudelijke behandeling op 19, 20, 22, 25, 26, 27 en 28 juni 2018 Voor aanvang van de inhoudelijke behandeling heeft de verdediging bij brief van 7 juni 2018, onder overlegging van het pre-weegdocument van 1 maart 2011, het verzoek herhaald tot het horen van de getuigen die bij het onderzoek van de Belastingdienst en de FIOD en de beweerde samenwerking tussen de Belastingdienst en de FIOD betrokken waren. Bij brief van 15 juni 2018 heeft de verdediging betoogd dat de door de officier van justitie overgelegde stukken niet de RvT-stukken van SGL zijn en dat de wijze waarop de officier van justitie de rechtbank wil doen geloven dat dit wel het geval is, dermate onbehoorlijk is dat dit tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging moet leiden. Het digitale FIOD-dossier moet volgens de verdediging dan ook alsnog aan de stukken worden toegevoegd. Vervolgens heeft de verdediging de rechtbank op de zitting van 19 juni 2018 verzocht om terug te komen op haar beslissingen en de gevraagde nadere onderzoekshandelingen toe te wijzen, gelet op de nieuwe informatie die blijkt uit het pre-weegdocument. De rechtbank heeft daarop geoordeeld dat zij geen verschillen van betekenis ziet tussen het pre‑weegdocument en wat over de aanleiding van het onderzoek is opgenomen in het OPV. Zij zag daarom geen aanleiding terug te komen op de genomen beslissingen. Daarbij is aangegeven dat hetgeen de verdediging stelt over mogelijke beïnvloeding van getuigen door het voorhouden van verdenkingen die uiteindelijk niet zijn opgenomen in de tenlastelegging, aspecten zijn die kunnen meewegen bij de beoordeling en de waardering van de getuigenverklaringen. Hiervoor is geen nader onderzoek nodig. Een beslissing over de al dan niet compleetheid van de stukken van de Raad van Toezicht en het alsnog aan het dossier toevoegen van RvT-stukken is aangehouden tot het moment van bespreking van dit onderdeel van de tenlastelegging. Op de zitting van 20 juni 2018 heeft de verdediging de rechtbank opnieuw verzocht te beslissen dat de verdediging toegang moet krijgen tot het digitale FIOD-dossier, omdat gedurende de behandeling van de zaak blijkt dat [verdachte] zich niet kan verdedigen zonder toegang tot deze stukken. Dit verzoek is afgewezen. Daarbij is overwogen dat voor zover het verzoek gestoeld is op antwoorden van [verdachte] op vragen van de rechtbank het verzoek niet voldoende is onderbouwd en voor zover het verzoek ziet op inzage in het gehele digitale FIOD-dossier, niet gebleken is van nieuwe feiten en omstandigheden. De verdediging heeft haar verzoek tot nadere onderzoekshandelingen vervolgens gedurende de verdere inhoudelijke behandeling meermalen herhaald, laatstelijk bij pleidooi. Uiteindelijk heeft de rechtbank besloten over de al dan niet compleetheid van de stukken van de Raad van Toezicht en de daaraan te verbinden consequenties te beslissen bij uitspraak. Het verzoek om nadere onderzoekshandelingen Aanleiding van het onderzoek en de rol van de FIOD en de Belastingdienst In de beslissing van 10 november 2017 is uitgebreid ingegaan op de aanleiding van het onderzoek zoals dat uit de stukken blijkt. Het door de verdediging later in de procedure ingebrachte pre-weegdocument bevat geen nieuwe informatie die afdoet aan de destijds op grond van deze informatie door de rechtbank getrokken conclusies. Ook hetgeen de verdediging hierover verder naar voren heeft gebracht geeft geen aanleiding tot nader onderzoek en/of bijstelling van het oordeel van de rechtbank. Er zijn geen aanwijzingen dat de FIOD het onderzoek van de Belastingdienst heeft aangestuurd. Beide onderzoeken hebben deels parallel gelopen, maar de rechtbank is nergens uit gebleken dat de rechten van [verdachte] als verdachte in zijn strafprocedure zijn geschonden. Evenmin heeft de rechtbank kunnen constateren dat de onderzoeksresultaten van het strafrechtelijk onderzoek zijn verkregen op een manier die de waarborgen op een eerlijk strafproces heeft geschonden. Het verzoek tot nader onderzoek naar de beweerde ontoelaatbare samenwerking tussen FIOD en Belastingdienst wijst de rechtbank daarom af. [verdachte] maakt zich erg boos over de rol die [getuige 2] bij de start van het onderzoek heeft gehad. De rechtbank kan hem daarin niet volgen. Uit de stukken blijkt dat [getuige 2] bij meerdere instanties (anoniem) melding heeft gedaan van misstanden die hij stelde te hebben gezien bij zijn voormalige werkgevers (SGL en [naam BV] ). [getuige 2] is vervolgens benaderd door de FIOD en heeft een verklaring afgelegd. Mede op basis van deze verklaring is een redelijk vermoeden van schuld aan strafbare feiten ontstaan tegen de verdachten en is het onderzoek gestart. [getuige 2] verklaart over misstanden, die ernstig zijn en nader onderzoek rechtvaardigen. Veel van wat [getuige 2] heeft verklaard, heeft tijdens het onderzoek bevestiging gevonden in andere bewijsmiddelen. De rechtbank vindt dan ook dat [getuige 2] lof verdient voor het feit dat hij naar buiten is getreden met de misstanden die hij bij SGL en [naam BV] (hierna: [naam BV] ) zag en de rol die [verdachte] daarin volgens [getuige 2] speelde. Hij heeft het ook niet gelaten bij anonieme beschuldigingen. Hij is uit de anonimiteit getreden. [getuige 2] is tijdens het onderzoek door de FIOD nogmaals gehoord en heeft later ook een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris. Het onderzoek door de FIOD In de beslissing van 10 november 2017 is ingegaan op wat [verdachte] heeft gesteld over de confrontatie van getuigen met de verklaring van [getuige 1] en de wijze waarop het OM deze zaak in de media heeft neergezet in 2012. Daarbij is overwogen dat eventuele beïnvloeding van getuigen door te vroege confrontatie met andere bewijsmiddelen of de invloed van berichten in de media op verklaringen van getuigen onderwerp kan zijn van inhoudelijk debat. De rechtbank constateert dat de verdediging bij pleidooi dit debat niet is aangegaan en geen enkel concreet voorbeeld heeft gegeven waarin sprak zou zijn geweest van een dergelijke beïnvloeding. De rechtbank acht het verwijt daarom ongegrond. Stukken van de Raad van Toezicht van SGL over de jaren 2005-2010 De officier van justitie heeft zeven ordners overgelegd met opschriften SGL RvT jaren 2005 tot en met 2010. De ordners zijn verder voorzien van FIOD stickers met bijlagennummer 44992 en codes J-022, J-023, J-018, J-019, J-024, J-021 en J-020. De FIOD heeft aangegeven dat dit een kopie is van een eerder door de FIOD aan de Belastingdienst verstrekte kopie van door de FIOD bij SGL inbeslaggenomen RvT-stukken. De stukken die de FIOD inbeslaggenomen heeft bij SGL en die niet als document in het dossier zijn gevoegd, zijn na afronding van het onderzoek van de FIOD geretourneerd aan SGL, zodat deze niet meer konden worden overgelegd. De heer [getuige 4] is op het punt van de door SGL aan het onderzoeksteam verstrekte stukken van de Raad van Toezicht nader gehoord. De heer [getuige 4] heeft een foto getoond van het hardcopy dossier zoals dat bij SGL staat. Daarop staan soortgelijke ordners als ingebracht door de officier van justitie met soortgelijke FIOD stickers. Hij heeft verklaard dat de FIOD-stickers nog op het dossier zitten en dat in het dossier dat SGL terugkreeg van de FIOD een aantal originele stukken ontbrak. Dit sluit aan op het door de FIOD gerelateerde. Het verhoor heeft geen feiten en omstandigheden aan het licht gebracht op grond waarvan verondersteld moet worden dat de FIOD nog andere stukken ter beschikking heeft gehad en gebruikt voor haar onderzoek. Een andere vraag is of deze ordners alle RvT-stukken over 2005 – 2010 bevatten. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. Uit het verhoor en de door de heer [getuige 4] overgelegde overzichten en uitdraaien van gescande pdf’s van vastgestelde notulen van de RvT blijkt dat er bij SGL digitaal nog stukken aanwezig zijn die niet in de ordners zitten. De rechtbank heeft vastgesteld dat met de stukken die [getuige 4] ten tijde van het verhoor heeft overgelegd, de notulen van de vergaderingen van de RvT van SGL over de jaren 2005 – 2010 vrijwel compleet zijn. Alleen de notulen van de vergadering van 15 maart 2005 en van de vergaderingen van 12 februari, 24 maart en 15 oktober 2009 ontbreken. Nu er in het dossier geen aanwijzingen zijn dat in een van deze vergaderingen voor de strafzaak relevante informatie is besproken in de Raad van Toezicht, ziet de rechtbank geen aanleiding de zaak (verder) aan te houden voor nader onderzoek op dit punt. Inzage in het digitale FIOD-dossier Er is geen noodzaak gebleken alsnog het digitale FIOD-dossier beschikbaar te maken en ter inzage aan de verdediging te geven. De overige verzoeken De overige herhaalde verzoeken tot nadere onderzoekshandelingen worden afgewezen. Er is niet gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die nopen op het eerdere standpunt terug te komen en er is overigens ook geen noodzaak gebleken tot nog nader onderzoek. De verdediging blijft herhalen dat als getuigen maar met de juiste feiten zouden zijn geconfronteerd, zal blijken dat deze strafzaak schromelijk overdreven is. De ‘juiste feiten’ waar de getuigen mee moeten worden geconfronteerd, worden niet geconcretiseerd en al helemaal niet onderbouwd. De verdediging blijft de feiten waarvan [verdachte] wordt beschuldigd bovendien ruimer trekken dan tenlastegelegd. De rechtbank heeft de verdediging er herhaaldelijk op gewezen dat [verdachte] het beleid dat onder zijn leiding door SGL is gevoerd, niet wordt verweten. Hij staat terecht voor verduistering, oplichting en valsheid in geschrifte. Over het door hem bij SGL gevoerde beleid is hem geen strafrechtelijk verwijt gemaakt en de onderzoekswensen die hier betrekking op hebben wijst de rechtbank ook om die reden af. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Er zijn na 10 november 2017 geen nieuwe feiten en omstandigheden gebleken die nopen terug te komen op de duidelijke beslissing op dit punt van 10 november 2017. Er zijn geen aanwijzingen dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken kan niet leiden tot niet‑ontvankelijkheid, maar hooguit tot strafvermindering. Op de vraag of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en zo ja, welke consequenties daaraan verbonden moeten worden wordt ingegaan in paragraaf 7. 3.2 De geldigheid van de dagvaarding 3.2.1 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard. Het ten laste gelegde is dermate obscuur dat [verdachte] zich daar niet tegen kan verzetten, omdat slechts totaalbedragen worden genoemd die zouden zijn verduisterd en niet blijkt waar die bedragen op zien. Daarnaast is niet duidelijk hoe [verdachte] iets kan hebben verduisterd als de goederen waar het om gaat gewoon in de administraties van SGL en [naam BV] zijn verantwoord. 3.2.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] verweten strafbare feiten correct en duidelijk zijn gespecificeerd in de dagvaarding. 3.2.3 De beoordeling door de rechtbank In ten laste gelegde verduisteringen (feiten 2 en 4) en oplichting (feit 3) wordt weliswaar niet volledig uitgesplitst waar de bedragen en/of goederen die zouden zijn verduisterd of via oplichting zouden zijn verkregen op zien, maar in combinatie met de verwijzingen in de tenlastelegging naar de uitwerking in het dossier, is duidelijk waar [verdachte] van wordt beschuldigd. Er is tijdens de inhoudelijke behandeling ook niet gebleken van enige verwarring bij [verdachte] op dit punt. Het andere door de raadsman naar voren gebrachte argument is een inhoudelijk argument waarom zijn inziens geen sprake kan zijn van verduistering. Dit raakt de geldigheid van de dagvaarding niet en zal bij de bespreking van het bewijs en de beoordeling daarvan worden besproken. De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding voldoende feitelijk is omschreven en voldoet aan de eisen die artikel 261 Sv. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en is van oordeel dat de dagvaarding geldig is. 4 De beoordeling van het bewijs De officieren van justitie hebben zich, zoals vervat in het schriftelijke requisitoir, op het standpunt gesteld dat alle feiten moeten worden bewezenverklaard. De raadsman heeft, overeenkomstig de overgelegde pleitnotities, integrale vrijspraak bepleit. De rechtbank oordeelt als volgt 4.1 Vrijspraakoverwegingen over feit 3: oplichting Raad van Toezicht (feitonderdeel 26) In feit 3 van de tenlastelegging is aan [verdachte] – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij samen met [medeverdachte] de Raad van Toezicht heeft opgelicht. Hij zou namelijk deze Raad hebben bewogen tot afgifte van in totaal € 179.301,-, door aan deze Raad begrotingen SGL over de jaren 2008, 2009 en 2010 voor te leggen met daarin een op valse gronden veel hoger budget voor [naam BV] dan gerechtvaardigd was en door van dat budget geen onderbouwing en risicotaxatie te verstrekken noch jaarlijks informatie te verstrekken over de daadwerkelijk behaalde resultaten. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] van dit feit moet worden vrijgesproken. De reden daarvoor is dat slechts van oplichting van de Raad van Toezicht sprake kan zijn als de Raad van Toezicht zou zijn bewogen tot afgifte van geld aan [naam BV] . De Raad van Toezicht heeft echter nooit geld aan [naam BV] verstrekt. Ze is ook niet het orgaan van SGL dat daartoe bevoegd is. Het enige dat de Raad van Toezicht in dit verband heeft gedaan, is het goedkeuren van de begrotingen. De officier van justitie heeft tijdens de zitting gepoogd dit manco te repareren door aan te geven dat zonder die goedkeuringen de desbetreffende budgetten niet aan [naam BV] verstrekt hadden kunnen worden. De rechtbank acht dit echter geen steekhoudend argument om daarom de Raad van Toezicht maar als de ‘afgever’ van het geld te beschouwen. Wat de officier van justitie waarschijnlijk heeft bedoeld, en waar ook zijn requisitoir op geënt lijkt, is dat [verdachte] SGL heeft opgelicht. Die verdenking tot oplichting, zo wordt uitvoerig uiteengezet in het FIOD-onderzoek, lijkt opgebouwd uit (
- a)het opzetten van een structuur waarop de Raad van Toezicht en de accountant geen zicht hebben, (
- b)het met en/of via [medeverdachte] daarin verkrijgen van de (feitelijke) zeggenschap, (
- c)het via een valse samenwerkingsovereenkomst toekennen aan [naam BV] van een veel hoger budget dan zakelijk verdedigbaar was en (
- d)het misleiden van de Raad van Toezicht tot goedkeuring van dit budget door gebrekkige informatie te geven en/of essentiële informatie te onthouden. Hoewel het niet aan de rechtbank is om aan te geven hoe de tenlastelegging eruit had kunnen zien als alternatief voor de bestaande, dient deze uiteenzetting om aan te geven dat misleiding van de Raad van Toezicht in een eventuele oplichting wel een belangwekkende rol had kunnen spelen, maar dat die Raad daarmee nog steeds niet de opgelichte partij wordt. Een argument dat ondersteunt dat het veel logischer is om SGL als eventueel opgelichte partij te beschouwen dan de Raad van Toezicht, is dat de in feitonderdeel 27 te bespreken vals opgemaakte samenwerkingsovereenkomst niet bedoeld was om te gebruiken tegenover de Raad van Toezicht, maar als (valse) basis om SGL te bewegen tot afgifte van de in die overeenkomst genoemde voorschotten en bedragen. Een ander onderdeel uit dit feit van de tenlastelegging dat moeilijk te rijmen is met de feitelijke gang van zaken, is dat de Raad van Toezicht zou zijn bewogen tot afgifte van € 179.301,- aan [naam BV] . Uit de opbouw van dit bedrag en de verwijzingen naar documenten in het FIOD-dossier blijkt dat deze bedragen in wezen dezelfde zijn als de bedragen die in feit 4 als verduistering ten laste zijn gelegd. Het (niet steeds eenvoudig te herleiden) verschil wordt veroorzaakt doordat de periode in feit 3 beperkter in tijd is dan in feit 4 (waardoor het bedrag in feit 4 hoger is). Evident is dat als de Raad van Toezicht iets afgegeven heeft, het de toestemming is geweest tot afgifte van het gehele budget. Als aangenomen zou worden dat de ten laste gelegde oplichting alleen gericht was op de afgifte van deze specifieke bedragen, zou dat impliceren dat [verdachte] op het moment van de gestelde oplichting al beoogde om zich juist die bedragen via [naam BV] toe te eigenen. Voor dat oogmerk ontbreekt bewijs. Het is ook moeilijk voor te stellen dat [verdachte] op het moment van het verkrijgen van de bedragen precies zou weten welke bedragen hij daarna voor privédoeleinden wilde besteden. Als met de officier van justitie dat oogmerk wel aangenomen zou worden, is vervolgens niet vanzelfsprekend dat bedragen die eerst via oplichting onrechtmatig door [naam BV] zijn verkregen, vervolgens nog eens verduisterd kunnen worden. De voorgaande gebreken in feit 3 van de tenlastelegging leiden tot vrijspraak voor dit feit. De rechtbank ziet hierom geen noodzaak om de elementen van dit deel van de tenlastelegging nader te onderzoeken. Anders gezegd: de rechtbank ziet geen aanleiding om aan de hand van de bewijsmiddelen te onderzoeken of de Raad van Toezicht is misleid, zoals is ten laste gelegd, nu dat niet tot een bewezenverklaring van oplichting van die Raad van Toezicht kan leiden. 4.2 Juridisch kader verduistering in dienstbetrekking De rechtbank zal hieronder, omwille van de leesbaarheid en zonder vooruit te willen lopen op een bewezenverklaring van de strafbare feiten, uiteenzetten hoe zij de verschillende gevallen van verduistering die [verdachte] worden verweten, heeft beoordeeld. Ingevolge artikel 321 jo. 322 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is sprake van verduistering in dienstbetrekking wanneer iemand opzettelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort en dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of beroep of tegen geldelijke vergoeding onder zich heeft, zich wederrechtelijk toe-eigent. De vraag die bij verduistering vaak van belang is, is op welk moment gezegd kan worden dat van toe-eigening sprake is. In de jurisprudentie is daarvoor het criterium ontwikkeld dat daarvan sprake is zodra het besluit om zich de zaak naar eigen goeddunken ten nutte te maken, zich in daden heeft omgezet door er als heer en meester over te beschikken. In gevallen waarin een goed daadwerkelijk buiten de zeggenschap van de werkgever-eigenaar wordt gebracht, is dat moment vaak duidelijk te traceren. In deze zaak zou gezegd kunnen worden dat als [verdachte] besluit om kunstvoorwerpen van SGL in zijn eigen woning op te hangen, de verduistering een feit is zodra hij die voorwerpen in zijn eigen woning heeft ondergebracht. Ingewikkelder is het als [verdachte] als bestuurder van SGL opdracht geeft een dienst of goed te betalen die niet geleverd wordt of voor een lagere prijs en hij dat geld vervolgens aanwendt om een privéuitgave mee te doen. Dit doet zich bijvoorbeeld voor bij één van de paarden, waarbij SGL een rekening betaalt voor kosten, maar de verdenking is dat [verdachte] hiermee voor zichzelf een paard kocht. De verduistering is in dat geval ‘voltooid’ als de betaling aan de zogenaamde leverancier is voltooid en het geld uit de macht is van SGL. Verdachte heeft zich in die situatie het geld als het ware via een derde (longa manu) toegeëigend. Het paard dat hij voor dat geld van die derde verkrijgt, is dan weliswaar met dat verduisterde geld gekocht, maar is niet het verduisterde object. Nog verder verwijderd van de ‘klassieke’ verduistering is de situatie dat het verduisterde goed formeel eigendom blijft van SGL, maar [verdachte] er als heer en meester over beschikt of heerst. Dit doet zich in deze zaak voor bij paard [naam paard 6] , maar ook bij de verbouwingskosten. Hoewel de rechtbank deze situaties bij de behandeling van de desbetreffende feitonderdelen zal bespreken, geeft zij hier ter verduidelijking toch een voorbeeld. Onderdeel van de verduistering is het verwijt dat [verdachte] een woning van SGL met geld van SGL inricht met de kennelijke bedoeling om als gebruiker van die woning van die inrichting te profiteren. De vraag is dan of gezegd worden dat het geld dat aan die inrichting is uitgegeven, is verduisterd. De rechtbank is van oordeel dat ook in een dergelijk geval kan worden aangenomen dat verdachte als heer en meester over dat geld is gaan beschikken, mits: a. de desbetreffende uitgave redelijkerwijs niet te relateren is aan het doel waartoe verdachte in zijn functie bevoegdelijk over dat geld mocht beschikken, en b. het eigen belang bij de aanwending van dat geld duidelijk blijkt. Anders gezegd: het goed wordt verduisterd als het aan zijn bestemming wordt onttrokken, ten eigen nutte wordt aangewend en zo dus een ander doel krijgt. 4.3 SGL en [naam BV] 4.3.1 De doelstellingen van SGL en [naam BV] Blijkens haar statuten is het doel van de Stichting Gehandicaptenzorg Limburg (SGL) het ondersteunen van gehandicapten en chronisch zieken bij het bereiken en handhaven van door henzelf gewenste, maatschappelijk gerechtvaardigde leef- en bestaanswijzen. Onder gehandicapten en chronisch zieken worden hierbij verstaan personen die duurzame beperkingen in de zelfredzaamheid ondervinden door lichamelijke, cognitief-intellectuele en/of psychische gevolgen van ziekte, letsel of aangeboren gebrek. De stichting tracht haar doel te bereiken door: a. het beheren, administreren, begeleiden, ondersteunen en voor zover nodig het stichten en exploiteren van instellingen, al dan niet met een eigen rechtspersoonlijkheid; b. het behartigen van de gemeenschappelijke belangen van de stichting alsmede van de instellingen en rechtspersonen waaraan de stichting in het kader van de onder a. omschreven doelstelling diensten verleend dan wel waarover de stichting het beheer voert; c. het bevorderen van een samenhangend zorgbeleid, zowel plaatselijk als regionaal, onder meer door het samenwerken met andere instellingen op het gebied van intra- en extramurale zorg en aanverwante sectoren; d. alle andere wettige middelen, die tot het bereiken van het doel bevorderlijk kunnen zijn of daarmee in de ruimste zin verband houden. SGL verstrekt als zorgaanbieder zorg in de ruimste zin van het woord aan cliënten met een lichamelijke, zintuiglijke of meervoudige beperking, waaronder cliënten met een niet aangeboren hersenletsel, zogeheten “NAH-cliënten”. SGL ontvangt op basis van productieafspraken, die zij met zorgkantoren waaronder CZ Zorgkantoor als grootste zorgkantoor (circa 80%) maakt, jaarlijks vele miljoenen euro’s aan publieke (AWBZ) gelden om deze zorg te financieren (in 2010 circa 40 miljoen euro). De AWBZ-gelden worden verstrekt met een bepaald doel namelijk dat deze gelden gebruikt worden voor het leveren van zorg. Blijkens de statuten heeft [naam BV] ten doel: a. bedrijfsmatige activiteiten, waarbij op commerciële basis diensten worden aangeboden gericht op de ondersteuning van gehandicapten en chronisch zieken dan wel andere doelgroepen die bij de hiervoor ontwikkelde aanpak baat kunnen hebben; b. de exploitatie van gronden en andere onroerende zaken welke mede kunnen worden ingezet bij de bedrijfsmatige activiteiten gericht op de ondersteuning van gehandicapten en chronische zieken dan wel andere doelgroepen die bij de hiervoor ontwikkelde aanpak baat kunnen hebben; c. de exploitatie van agrarische- en dierbedrijven welke mede kunnen worden ingezet bij de bedrijfsmatige activiteiten gericht op de ondersteuning van gehandicapten en chronisch zieken dan wel andere doelgroepen die bij de hiervoor ontwikkelde aanpak baat kunnen hebben; d. het ontwikkelen van concepten die, direct of indirect, op korte of lange termijn, kunnen bijdragen aan nieuwe bedrijfsmatige activiteiten gericht op de ondersteuning van gehandicapten en chronische zieken dan wel andere doelgroepen die bij de hiervoor ontwikkelde aanpak baat kunnen hebben; e. het oprichten van en/of het deelnemen in en/of het samenwerken met en/of het besturen van en/of het financieren van andere ondernemingen of organisaties met gelijk of aanverwant doel; f. het oprichten van en/of het deelnemen in en/of het samenwerken met en/of het besturen van en/of het financieren van andere ondernemingen of organisaties met algemeen doel; g. het verstrekken en aangaan van geldleningen, het beheren van en het beschikken over registergoederen en het stellen van zekerheden, ook voor schulden van anderen; h. het verrichten van alle andere activiteiten die verband houden met hetgeen in dit artikel is opgenomen of daarvoor bevorderlijk kunnen zijn. [naam BV] is op 12 augustus 2005 opgericht door de [naam stichting 1] ( [naam stichting 1] ). [naam stichting 1] is op 21 juli 2005 opgericht door de heer [naam oprichter] . [naam stichting 1] was enig aandeelhouder en bestuurder van [naam BV] . SGL, [naam stichting 1] en [naam BV] waren met elkaar verweven via de [naam stichting 2] , een optieovereenkomst, statutaire bepalingen en deelname van bestuurders in elkaars besturen. [naam BV] bood – ten tijde hier van belang – dagbesteding aan in een zorgwinkel, een zorgboerderij en manege. 4.3.2 De samenwerking tussen SGL en [naam BV] SGL is ingaande 1 april 2007 een deel van de door haar geleverde zorg gaan uitbesteden aan [naam BV] . Deze onder aanneming is overeengekomen bij verschillende samenwerkingsovereenkomsten. In de overeenkomsten wordt overwogen dat SGL zorg levert voor volwassenen met een lichamelijke, zintuiglijke of meervoudige beperking en daartoe voorzieningen zelf inzet dan wel van derden huurt, dat [naam BV] voorzieningen wenst te ontwikkelen en in te zetten, geschikt voor volwassenen met een lichamelijke, zintuiglijke of meervoudige beperkingen, dat SGL in beginsel bereid is deze voorzieningen voor een langere periode te huren en dat partijen deze overeenkomst aangaan om de samenwerking vorm en inhoud te geven. In de overeenkomsten is afgesproken dat [naam BV] zorg- en dienstverlening in het kader van dagbesteding en ondersteunende en activerende begeleiding zal aanbieden voor cliënten van SGL in de vorm van een zorgboerderij op de locatie ‘ [naam zorgboerderij] ’ in [plaats 2] , ‘ [naam manege 2] ’ in [woonplaats 2] en een winkel, de ‘ [naam winkel] ’ in [vestigingsplaats] . De zorgboerderij en de winkel maakten voorheen onderdeel uit van SGL. De manege is op 10 april 2007 aangekocht door [naam stichting 1] . De zorgconcepten die binnen [naam BV] ontwikkeld zouden worden, golden als vernieuwend. De structuur waarbinnen een en ander uiteindelijk is opgezet ( [naam BV] en [naam stichting 1] ), is binnen SGL geïnitieerd door [verdachte] . Aanvankelijk werd tussen SGL en [naam BV] overeengekomen dat voor door [naam BV] geleverde zorg facturatie zou plaatsvinden op maandbasis achteraf. Met ingang van 2 april 2008 zijn partijen een budgetverhoging overeengekomen en maandelijkse bevoorschotting op basis van een capaciteitsafspraak waarbij partijen overeenkomen dat [naam BV] jaarlijks een overzicht van de gerealiseerde productie aan SGL zou doen toekomen. 4.3.3 Rol van [verdachte] en [medeverdachte] binnen SGL en [naam BV] Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat [verdachte] in de periode van 1 januari 2001 tot 1 november 2010 enig gevolmachtigd lid van de Raad van Bestuur van SGL was met zelfstandige bevoegdheid om SGL te vertegenwoordigen. In de tenlastegelegde periode, vanaf 2005 tot zijn aftreden op 1 november 2010 was hij enig bestuurder. Op 11 februari 2008 is [verdachte] uit hoofde van zijn functie als bestuurder van SGL ook toegetreden tot het bestuur van [naam stichting 1] . [medeverdachte] is in 2005 in dienst getreden bij SGL als secretaresse van [verdachte] . In die tijd hebben [verdachte] en [medeverdachte] een relatie gekregen. Vanaf 9 april 2007 is [medeverdachte] in dienst getreden bij [naam BV] als manager backoffice. De heer [naam oprichter] , destijds nog enig bestuurder van [naam stichting 1] , heeft [medeverdachte] met ingang van 1 augustus 2007 een onbeperkte volmacht verstrekt [naam BV] te vertegenwoordigen. Met ingang van 1 juli 2009 was [medeverdachte] bedrijfsdirecteur bij [naam BV] . De rechtbank leidt uit de in dit onderzoek afgelegde getuigenverklaringen af dat [verdachte] nagenoeg absolute zeggenschap had om binnen SGL en [naam BV] te bepalen waaraan geldmiddelen werden uitgegeven. Zo is gebleken dat [verdachte] zich binnen SGL niet aan de procuratieregeling hield. [verdachte] heeft zelf verklaard dat hij “geregeld door alle procedures is gefietst”. Verschillende werknemers verklaren dat als [verdachte] vroeg om een betaling te doen of een handtekening te zetten, je hem niet tegensprak, omdat je anders niet zeker was van je baan. Een voorbeeld waaruit blijkt dat [verdachte] geen kritiek verdroeg op wat hij deed en wilde, is af te leiden uit de verklaring van [getuige 5] . Deze verklaart dat, nadat zijn collega [naam collega] aan de hand van een door hem opgestelde notitie zich kritisch had uitgelaten over de financiering van [naam BV] , [verdachte] (volgens die collega) die notitie door de kamer gooide en riep wat ze zich wel verbeeldde (hoewel ze controller en accountant was) en dat daarna haar rol in het management was uitgespeeld. Uit de verklaringen van [getuige 6] en [getuige 7] blijkt dat [verdachte] het paardendossier bij SGL helemaal alleen beheerde. Ook [getuige 8] en [getuige 3] verklaren enkel met [verdachte] zaken gedaan te hebben. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat als er binnen [naam BV] grote beslissingen moesten worden genomen zij dit eerst overlegde met [verdachte] . [verdachte] overlegt met [naam oprichter] en koppelt dat aan haar terug. Uit getuigenverklaringen komt ook naar voren dat [medeverdachte] formeel de directrice was, maar dat alle echte besluiten door [verdachte] genomen werden. Uit het dossier blijkt dat op papier sprake was van aparte instellingen (SGL, [naam BV] en [naam stichting 1] ) maar dat in de praktische uitvoering ook op lagere niveau’s de zaken nogal eens door elkaar liepen. Zo verrichtten ook medewerkers van SGL wel werkzaamheden voor [naam BV] . 4.4 Kosten stalling, lessen, concoursbegeleiding [naam manege 1] en terugstorting SGL (feitonderdeel 1): [verdachte] wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 1 februari 2005 tot 1 november 2010 bij SGL samen met [medeverdachte] € 23,695,55 heeft verduisterd door stallingskosten, lessen en concoursbegeleiding te laten betalen door SGL en een bedrag over te laten maken op zijn eigen rekening. Bewijsmiddelen In de administratie van [getuige 8] te [woonplaats 1] (verder: [getuige 8] ) is een brief van SGL van 10 februari 2005 aangetroffen met als onderwerp “overeenkomst”. Deze brief is gericht aan [naam manege 1] en is ondertekend door [verdachte] als bestuurder. De brief is voor akkoord getekend door [getuige 8] . In deze brief is een aantal afspraken voor een periode van vijf jaar vastgelegd tussen SGL en [naam manege 1] . Deze zien onder andere op stalling en verzorging (€ 6.240,-), lessen met [naam paard 19] en [naam paard 14] (€ 3.300,-) en concoursbegeleiding (€ 3.600,- ). Afgesproken wordt dat er per maand een voorschot van € 1.220,- euro wordt betaald. Op de specificatie van grootboekrekening 430050 “Promotiekosten en drukwerk” van SGL over het jaar 2005 staan onder de kop “Aanschaf en stalling” maandbijdragen vermeld van € 1.220,- aan [naam manege 1] in de periode februari tot en met december 2005 voor een totaalbedrag van € 17.205,00. In de auditfiles 2006 van SGL heeft de FIOD de volgende betalingen aangetroffen voor [naam manege 1]: 01-01-2006 "Maandbijdrage [getuige 18] & [naam manege 1] " € 1.220,00 27-01-2006 " [naam manege 1] maandbijdr febr" € 1.220,00 10-02-2006 " [naam manege 1] plaats/verzorg j" € 6.230,00 27-03-2006 "Maandbijdrage april [naam manege 1] " € 3.115,00 01-04-2006 " [naam manege 1] mrt 6 ING 49" € 3.115,00 28-04-2006 " [naam manege 1] maandbijdr mei" € 3.115,00 31-05-2006 " [naam manege 1] maandbijdr ju" € 3.115,00 19-06-2006 " [naam manege 1] ondersteuningltr" € 22.000,00 23-06-2006 " [naam manege 1] termijn juli" € 3.115,00 28-07-2006 " [naam manege 1] maandbijdr aug 2" € 3.115,00 01-09-2006 " [naam manege 1] maandbijdr sept" € 3.115,00 10-10-2006 " [naam manege 1] ; oktober" € 3.115,00 27-10-2006 " [naam manege 1] maandbijdr nov" € 3.115,00 SUBTOTAAL € 58.705,00 Getuige [getuige 7], administratief medewerkster bij SGL, heeft op 27 november 2013 verklaard dat er bij SGL geen paardendossier was, maar dat zij op eigen initiatief binnen de administratie wel een en ander hebben bijgehouden, gewoon extracomptabel. [verdachte] bepaalde alles als het ging om de paarden. Hij gaf de opdracht tot betaling van alle uitgaven op paardengebied. In 2005 werden de paarden onder andere gestald bij [getuige 8] . Getuige [getuige 6], voormalig intern controller bij SGL, heeft verklaard dat het hele paardendossier werd getrokken door [verdachte] . Hij was de initiatiefnemer. Hij was degene die de paarden kocht. Zij kregen kattenbelletjes (briefjes) of facturen over de paarden van [verdachte] . De bedragen over [naam manege 1] werden vaak betaald, omdat ze door 'kattenbelletjes' die opdracht kregen, waarbij later via [verdachte] de specificaties volgden. Hij gaf ook wel eens een mondelinge opdracht maar dan wilde [getuige 6] dat [verdachte] dit schriftelijk deed en dan kreeg hij de zogenaamde ‘kattenbelletjes’. De administratie kreeg dit en moest dat doen. Stallingskosten: In de administratie van [getuige 8] is een tiental handgeschreven pagina’s aangetroffen. Daarop hield [getuige 8] voor de jaren 2005 en 2006 bij welke diensten hij voor SGL verrichtte en tegen welke kosten. Op enkele van die bladen is geadministreerd welke paarden er in welke maand bij [getuige 8] gestald stonden. Uit deze pagina’s blijkt dat dat de paarden [naam paard 14] , [naam paard 13] , [naam paard 2] en [naam paard 1] in de hierna vermelde perioden bij [naam manege 1] zijn gestald en dat voor deze paarden de volgende stallingsgelden verschuldigd waren: [naam paard 14] : februari tot en met december 2005: € 260,00 per maand Totaal: € 2.860,00 januari tot en met november 2006: € 260,00 per maand Totaal: € 2.860,00 [naam paard 13] : februari tot en met mei 2006 € 260,00 per maand Totaal: € 1.040,00 oktober 2006 € 156,00 per maand Totaal: € 156,00 november 2006 € 260,00 per maand Totaal: € 260,00 [naam paard 2] : december 2005 € 103,99 per maand Totaal: € 103,99 januari tot en met november 2006: € 260,00 per maand Totaal: € 2.860,00 [naam paard 1] : juni tot en met november 2006: € 260,00 per maand Totaal: € 1.560,00 Het totaalbedrag dat in 2005 en 2006 door [getuige 8] aan SGL aan stallingskosten in rekening is gebracht voor deze paarden, is dus € 11.699,99. In de auditfiles van SGL hebben de verbalisanten geen mutaties aangetroffen waaruit blijkt dat de paarden [naam paard 13] en [naam paard 14] (dan wel [naam paard 14] ) op enig moment het eigendom zijn geweest van SGL. [verdachte] heeft op 19 november 2013 verklaard dat hij de paarden [naam paard 13] , [naam paard 14] en [naam paard 1] in privé heeft gekocht of van iemand heeft overgenomen. Getuige [getuige 8] heeft op 12 maart 2014 verklaard dat hij weet dat [naam paard 13] door [verdachte] in privé is aangekocht. Hij heeft dit opgezocht in de bankstukken en hij heeft gezien dat [naam paard 13] via de privérekening van [verdachte] is betaald. [naam paard 13] heeft [verdachte] aangeschaft voor [naam dochter] . [verdachte] reed zelf ook paard. [verdachte] reed in eerste instantie paard op paarden van de manege bij [getuige 8] . Daarna heeft hij bij [getuige 8] een eigen paard gestald. Dat paard heette [naam paard 2] . [getuige 8] heeft verder verklaard dat hij het paard [naam paard 14] niet kent. Hij weet alleen dat het paard [naam paard 14] er was geplaatst en dat SGL de stalling, dat liep via een contract met SGL, betaalde. In eerste instantie heeft [verdachte] de stalling en dergelijke van [naam paard 13] privé betaald, maar naderhand, toen de contracten tussen SGL en [getuige 8] zijn opgesteld, zijn die kosten daarin meegenomen en heeft SGL de kosten van stalling voor [naam paard 13] betaald. [getuige 8] heeft verklaard dat er twee contracten zijn geweest met SGL. SGL betaalde eerst maandelijks een bedrag van ongeveer € 1.220,-. Naderhand zijn daar meer paarden bijgekomen en is het contract aangepast waardoor er maandelijks € 3.115,- door SGL aan [getuige 8] zou worden overgemaakt. [getuige 8] verklaart aan de hand van zijn bankbescheiden dat hij ziet dat hij in januari 2006 nog een betaling heeft ontvangen van € 1.220,-, maar dat hij 10 februari 2006 een betaling heeft ontvangen van € 6.230,- waarbij als omschrijving staat vermeld "Plaatsing en verzorging januari 2006 en februari 2006". Vanaf dat moment zal dus het nieuwe contract in werking zijn getreden. Getuige [getuige 12] heeft op 10 april 2014 verklaard dat [naam paard 13] , [naam paard 14] en daarna [naam paard 1] paarden van [verdachte] zijn geweest. Ook was [naam paard 2] een paard van hem. [naam dochter] kreeg eerst les op [naam paard 13] . Daarna op het paard [naam paard 14] dat ook wel [naam paard 14] werd genoemd. Getuige [getuige 10] heeft op 22 november 2013 verklaard dat [naam dochter] voor [naam paard 5] en [naam paard 6] het paard [naam paard 13] had. Daarna kreeg [naam dochter] het paard [naam paard 14] . Dit paard had een heupprobleem en is toen weggegaan. Daarna kwam [naam paard 1] . Die had een probleem in de rug of nek en die is toen ook afgevoerd. Daarna kwamen [naam paard 5] en [naam paard 6] . Bewijsoverweging stallingskosten: Uit deze bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat in opdracht van [verdachte] door SGL aan [getuige 8] de kosten voor stalling zijn betaald voor [naam paard 13] , [naam paard 14] , [naam paard 2] (verder: [naam paard 2] ) en [naam paard 1] , terwijl het hier paarden van [verdachte] zelf betrof. Voor [naam paard 13] en [naam paard 14] blijkt dit uit de hierboven weergegeven bewijsmiddelen, voor [naam paard 2] en [naam paard 1] blijkt dit uit voormelde bewijsmiddelen en voorts uit de hierna te bespreken feitonderdelen 2 en 3. [verdachte] kon uit hoofde van zijn functie als bestuurder van SGL beschikken over gelden van SGL. Uit de verklaringen van [getuige 7] en [getuige 6] blijkt dat [verdachte] alle betalingsopdrachten die op het paardendossier zagen heeft gegeven. Door stallingskosten van eigen paarden te laten betalen door SGL heeft verdachte zich deze gelden wederrechtelijk toegeëigend. De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] deze stallingskosten verduisterd heeft onder de verzwarende omstandigheid dat hij deze gelden uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had. Lessen: Uit de eerder genoemde overeenkomst tussen [naam manege 1] en SGL blijkt dat het tarief voor een privéles € 16,50 bedroeg. Per 1 mei 2006 is dit tarief verhoogd naar € 17,50 per les. In de administratie van [getuige 8] zijn lijsten aangetroffen die betrekking hebben op de verantwoording van de gegeven lessen in 2005 door [naam manege 1] in het kader van de samenwerking met SGL. Aan de hand van deze lijsten heeft de FIOD overzichten gemaakt van lessen die aan [naam dochter] zijn gegeven. Uit dat overzicht blijkt dat [naam dochter] in 2005 voor € 1.707,75 aan privélessen en voor € 462,00 aan groepslessen heeft gevolgd. Zij volgde in 2005 dus voor een totaalbedrag van € 2.169,75 aan lessen. In de administratie van [getuige 8] zijn verder twee verschillende versies van lijsten aangetroffen die betrekking hebben op de verantwoording van de gegeven lessen in 2006 door [naam manege 1] in het kader van de samenwerking met SGL. In de lijst D-674A is het (naast anderen) steeds [naam dochter] die lessen volgt. In de lijst D-674B tot en met 29 november 2006, staan vanaf 5 augustus 2006 ook de namen “ [medeverdachte] ” en “ [verdachte] en [medeverdachte] ” waar in de lijst D-674A de namen “ [getuige 12] ”, “ [naam 3] ” en “ [naam dochter] ” staan ingevuld. Ook van deze lijsten heeft de FIOD overzichten gemaakt. Daaruit blijken [naam dochter] , [medeverdachte] en [verdachte] in 2006 voor € 3.985,25 aan paardrijlessen te hebben gevolgd bij [naam manege 1] . Getuige [getuige 8] heeft verklaard dat er in de contracten met SGL ook privélessen van [verdachte] , [naam dochter] , zijn dochter, en van [medeverdachte] zaten. Zij heet [medeverdachte] met de voornaam. Waarom zij er ook kwam paardrijden kon hij niet meteen plaatsen. [verdachte] heeft nooit contant een les betaald en [getuige 8] heeft ook nooit via de bank privélessen van hem voor het paardrijden betaald gekregen. De lijsten onder de nummers D-674B zijn de kladlijsten die [getuige 8] heeft gemaakt op het moment dat de les daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dat leidt hij onder meer af uit het feit dat hij hierop minder netjes heeft geschreven, nog wel eens een doorhaling heeft geplaatst of onderaan pagina's een extra les heeft vermeld. D-674A is de lijst die hij naderhand, aan de hand van D-674B heeft opgemaakt. Daar heeft hij alles netjes opgeschreven en die lijsten waren bestemd voor de accountant. Als hem gevraagd wordt waarom hij de namen veranderd heeft, weet hij dat niet meer maar kan het volgens hem niet anders zijn dan dat hij dat op verzoek van [verdachte] heeft gedaan. Getuige [getuige 28] heeft verklaard dat zij werkzaam is voor de [naam manege 1] en dat [verdachte] hier ook paard heeft gereden. Hij heeft op een gegeven moment een eigen paard gekocht. Dat heette [naam paard 2] . Hij heeft ongeveer een half jaar tot een jaar voorafgaande aan de aankoop van [naam paard 2] hier lessen gevolgd op diverse manegepaarden. Getuige [getuige 12] heeft verklaard dat zij met de andere amazones een sponsorcontract heeft gekregen. Op de vraag of [naam dochter] ook een sponsorcontract had, antwoordt [getuige 12] van niet. Zij had ook het idee dat de lessen die [naam dochter] bij [getuige 8] heeft gevolgd gewoon privélessen waren. Voor haar was de situatie van [naam dochter] en die van de rest van de amazones ook echt anders. Zij kregen aan de hand van een sponsorcontract een paard toegewezen waarbij heel nauwkeurig werd gekeken of er een klik was tussen paard en amazone. [naam dochter] kreeg gewoon les op haar paard dat al van haar was. Bewijsoverweging lessen: Uit deze bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat SGL paardrijlessen aan [getuige 8] betaald heeft die aan [naam dochter] , [medeverdachte] en [verdachte] zelf gegeven zijn. [verdachte] heeft aangevoerd dat die lessen werden genomen om expertise op te bouwen in verband met de over te nemen [naam manege 2] . Dit zou passen binnen de strategie om een (zorg)manege te starten. De rechtbank acht dit ongeloofwaardig. Het is onwaarschijnlijk dat de bestuurder van SGL in zijn vrije tijd paardrijlessen gaat volgen om expertise op te doen die noodzakelijk zou zijn bij het aanbieden van zorg op een manege. Hetzelfde geldt voor [medeverdachte] , die in die tijd secretaresse van [verdachte] was. Dat de rijlessen van [verdachte] en [medeverdachte] pasten binnen de strategie van het opzetten van een zorgmanege door SGL middels [naam BV] heeft bovendien geen bevestiging gevonden in notities, notulen van vergaderingen of andere beleidsstukken bij SGL. Voorts valt niet in te zien waarom [getuige 8] de namen van [verdachte] en [medeverdachte] in dat geval niet in de “officiële” lessenverantwoording had kunnen opnemen. Voor [naam dochter] gaat het argument van het “opdoen van expertise” hoe dan ook niet op, omdat [naam dochter] geen enkele formele bemoeienis met SGL of [naam BV] en de zorgmanege had. [verdachte] heeft dus SGL de maandelijkse voorschotten aan [getuige 8] laten betalen, waarin ook de lessen aan [naam dochter] , [medeverdachte] en [verdachte] begrepen waren. Door privélessen van zichzelf, zijn dochter en zijn partner [medeverdachte] te laten betalen door SGL heeft [verdachte] zich deze gelden wederrechtelijk toegeëigend. Hij kon uit hoofde van zijn functie beschikken over gelden van SGL. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [verdachte] de bedragen voor die lessen verduisterd heeft onder de verzwarende omstandigheid dat hij deze gelden uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had. Concoursbegeleiding: In de administratie van [getuige 8] zijn lijsten aangetroffen die betrekking hebben op concoursbegeleiding van onder meer [naam dochter] in 2005 en in 2006. Aan de hand van deze lijsten heeft de FIOD een overzicht opgesteld van de wedstrijden die [naam dochter] in 2005 en 2006 heeft gereden. Uit de eerdergenoemde overeenkomst tussen [naam manege 1] en SGL blijkt dat de vergoeding voor [getuige 8] voor de begeleiding per wedstrijd € 60,00 bedraagt. De totale kosten voor concoursbegeleiding van [naam dochter] bedroegen in de jaren 2005 en 2006 € 2.700,00. Bewijsoverweging concoursbegeleiding: Net als bij de paardrijlessen acht de rechtbank bewezen dat de beslissing om de kosten van concoursbegeleiding van [naam dochter] bij [getuige 8] door SGL te laten betalen, afkomstig is van [verdachte] . Hij heeft als enige de contacten van SGL met [getuige 8] begeleid. Als enig bestuurder van SGL kon [verdachte] beschikken over de gelden van SGL. Uit de door [getuige 7] en [getuige 6] afgelegde verklaringen volgt dat de administratie betalingen die verband hebben gehouden met de aankoop, stalling en verzorging van paarden heeft verricht in opdracht van [verdachte] . Daarom is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] het bedrag aan kosten dat gemoeid is met de concoursbegeleiding van [naam dochter] verduisterd heeft onder de verzwarende omstandigheid dat hij deze gelden uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had. Terugstorting SGL Bij de bespreking van de stallingskosten is al gewezen op de tien handgeschreven pagina’s waarop [getuige 8] de aan SGL geleverde diensten administreerde. Op een van deze pagina’s staat bij de datum “10-2” een bedrag van € 6.230,00 vermeld, dat overeenkomt met de betaling van SGL aan [getuige 8] op 10 februari 2006 die is aangetroffen in de auditfiles van SGL. Op genoemde handgeschreven pagina staat bij het bedrag € 6.230,00 een verwijzing met een pijl naar de datum “16-5-2006”, waarbij staat vermeld terugstorting € 3.140,56. Uit een afschrift van de ING rekening met nummer [rekeningnummer 2] , zijnde de ING bankrekening van [verdachte] , blijkt dat op deze rekening op 23 mei 2006 een bedrag van € 3.140,56 is overgemaakt van rekening 0146501608 onder vermelding van “ [naam manege 1] [adres 1] [woonplaats 1] 0034”. Getuige [getuige 8] heeft verklaard dat de verrekening van 22 mei 2005 (de rechtbank begrijpt: 2006) betrekking had op het stallen van de paarden en de lessen die hij gaf. Deze kosten waren dus door SGL betaald. SGL betaalde altijd deze kosten en volgens de berekening had [getuige 8] voor de stalling en dergelijke te veel ontvangen. Hij heeft dat rekeningnummer van [verdachte] doorgegeven gekregen. Hij heeft een bedrag van € 3.140,56 overgemaakt. [verdachte] heeft hem nooit medegedeeld dat hij per ongeluk een bedrag van ruim € 3.000 op diens privérekening had overgemaakt. Bewijsoverweging terugstorting: Uit de in de bewijsmiddelen weergegeven gang van zaken blijkt dat [verdachte] het aan SGL toekomende bedrag van € 3.140,56 aan zichzelf heeft laten overmaken. Daarmee heeft [verdachte] zichzelf verrijkt met geld van SGL. [verdachte] was degene die namens SGL de contacten met [getuige 8] onderhield en opdracht gaf tot betalingen aan [getuige 8] . Hij heeft ter zitting aangegeven dat dit niet correct is geweest en niet transparant. Hij stelt dat hij het bedrag echter naar de ruitervereniging van [naam manege 1] heeft overgemaakt. [verdachte] heeft deze stelling niet onderbouwd met stukken, zoals een bankafschrift. Wat verdachte (overigens voor het eerst ter zitting) stelt schuift de rechtbank dan ook ter zijde. De rechtbank kan de redenering ook niet volgen. Niet valt in te zien welk legitiem belang van SGL zou worden gediend met het overmaken van het bedrag aan de ruitervereniging van [naam manege 1] . De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bedrag van € 3.140,56 van SGL verduisterd heeft onder de verzwarende omstandigheid dat hij dit bedrag uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had. Conclusie feitonderdeel 1: Op grond van voornoemde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de periode van 10 februari 2005 tot en met november 2006 met het laten betalen door SGL van de stalling van eigen paarden, de paardrijlessen van zijn dochter, [medeverdachte] en hemzelf bij [naam manege 1] en de concoursbegeleiding door [naam manege 1] van de wedstrijden van zijn dochter en het laten storten van een geldbedrag dat SGL toekwam op zijn eigen rekening een bedrag van € 23.695,55 heeft verduisterd onder de verzwarende omstandigheid dat hij deze gelden uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had. De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] dit samen met [medeverdachte] heeft gedaan. Het dossier bevat onvoldoende bewijs dat [medeverdachte] bij deze verduisteringen een dusdanige rol heeft vervuld dat zij als medepleger is aan te merken. 4.5 [naam paard 2] (feitonderdeel 2) [verdachte] wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 1 februari 2005 tot 1 november 2010 bij SGL samen met [medeverdachte] € 15.000,00 heeft verduisterd door de aankoop van [naam paard 2] , dan wel dit paard heeft verduisterd en dat hij in de periode van 1 december 2005 tot en met 5 december 2010 samen met [medeverdachte] een factuur van [getuige 3] met bijbehorende specificatie valselijk heeft opgemaakt. Bewijsmiddelen: In het pand [adres 1] in [woonplaats 1] is een memo van 1 december 2005 aangetroffen afkomstig van [verdachte] en gericht aan [getuige 6] over “paarden en stalling”. De tekst van deze memo luidt als volgt: , gaarne overmaken aan dhr. [getuige 3] , [adres 5] uit [woonplaats 2] een bedrag van € 138.800 (honderdachtendertigduizendachthonderd euro). Een specificatie van het bedrag (hoe opgebouwd) krijg je z.s.m. Met dank, [verdachte] ”. Tevens staat op deze memo het nummer “ [rekeningnummer 4] ”. Deze memo is ook aangetroffen bij SGL met daarbij door [verdachte] getekende verzendbestanden die onder meer betrekking hebben op een bedrag van € 138.800,00. Uit deze verzendbestanden blijkt dat het nummer [rekeningnummer 4] het rekeningnummer van [getuige 3] is en dat voornoemd bedrag op 2 december 2005 is overgemaakt van de rekening van SGL naar de rekening van [getuige 3] met omschrijving “paarden en stalling”. Ook uit een bankrekeningafschrift van [getuige 3] (verder: [getuige 3] ) van de Rabobank met volgnummer 0185 en bladnummer 0001 van 4 januari 2006, betreffende rekeningnummer [rekeningnummer 4] , blijkt dat op 2 december 2005 een bedrag van € 138.800,00 is bijgeschreven vanaf de rekening van SGL. Op dat bankafschrift zijn met pen enkele opmerkingen geplaatst die vermoedelijk op deze boeking betrekking hebben. Bij het bedrag van € 138.800,00 is namelijk een pijl geplaatst naar de geschreven opmerking die als volgt luidt: “Opbr. Paarden [getuige 14] (verkocht aan SGL)”. Daarnaast is met pen bij het bedrag een omcirkeld sterretje geplaatst met een geschreven tekst, waaruit blijkt dat het bedrag ziet op “stalling paarden november en december 2005 a 1.700,-, de rest is aankoop paarden + vooruitbetaling stalling”. [getuige 3] heeft naast dit bankafschrift een handgeschreven A4tje verstrekt waarbij aan de rechterbovenzijde omkaderd de naam SGL staat vermeld. Uit de tekst van dit blad blijkt dat het bedrag van € 138.800,00 is opgebouwd uit de “verkoop van 4 paarden van [getuige 14] ” voor € 36.000,00, “10 paarden van [getuige 3] .” voor een totaalbedrag van € 79.000,00 en “Stallingskosten” voor € 23.800,-. In een specificatie van de tien paarden is ook [naam paard 2] opgenomen voor een bedrag van € 15.000,00 met daarachter genoteerd “( [medeverdachte] )”. Uit het bankafschrift van [getuige 3] met volgnummer 0185 en bladnummer 0002 van 4 januari 2006, betreffende rekeningnummer [rekeningnummer 4] , blijkt dat op 13 december 2005 een bedrag van € 13.000,00 is overgemaakt aan “ [naam 8] ”. Als omschrijving staat vermeld “ [naam paard 2] ”. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat de € 138.800,- die te zien is op het bankafschrift verder is uitgeschreven op het handgeschreven A4-tje. Die € 138.800,- hadden betrekking op 4 paarden die door zijn zoon [getuige 14] zijn verkocht aan SGL en 10 paarden die door [getuige 3] zijn verkocht aan SGL. Deze 10 paarden zijn nader gespecificeerd. [getuige 3] wil daarbij nog wel opmerken dat hij het paard [naam paard 2] nooit heeft gezien. Dit paard is betaald door [getuige 3] in opdracht van [verdachte] . In [adres 1] zijn een factuur voor een bedrag van € 138.800,00 en de specificatie daarvan aangetroffen. De factuur van 1 december 2005 is afkomstig van [getuige 3] en is gericht aan SGL. Deze factuur is voorzien van een accordering en handtekening van [verdachte] . Het bedrag van € 138.800,00 is in de specificatie opgebouwd uit de kosten voor de aankoop van dertien paarden in welke opsomming [naam paard 2] ontbreekt. Deze factuur en specificatie zijn niet aangetroffen in de administratie van SGL. Bij digitaal onderzoek aan de bestanden die zijn veiliggesteld vanaf de server van SGL is op een server van SGL waarop computerdata van [naam BV] en SVL BV stonden (digitaal) ook een factuur d.d. 1‑12‑2005 en een specificatie van het op die factuur genoemde bedrag aangetroffen in de directory ‘…/oude documenten/ [naam account] /diversen/’. Deze factuur en specificatie zijn gelijk aan de op [adres 1] aangetroffen hierboven genoemde schriftelijke bescheiden. Bij dit digitaal onderzoek zijn de bestandseigenschappen van deze bestanden onderzocht en gebleken is dat de factuur op 17-5-2006 en de specificatie op 14 -2-2007 voor het laatst opgeslagen zijn door het gebruikersaccount “ [naam account] ”. [getuige 3] heeft verklaard dat het juist is dat hij in ieder geval in 2005 en 2006 diverse warmbloedpaarden heeft verkocht aan [verdachte] , die nagenoeg allemaal zijn betaald door SGL. [getuige 3] heeft geen facturen opgemaakt. Hij heeft wel notities gemaakt over de verkoop van paarden. Deze paarden stonden ook gewoon bij [getuige 3] gestald. Dan kreeg [verdachte] of [medeverdachte] van [getuige 3] een briefje met de kosten die hij hun voor de stalling in rekening bracht. Alles is wel per bank betaald, dus dat is terug te vinden. [getuige 3] heeft verklaard dat hij de factuur en de specificatie niet kent, dat hij ze nooit eerder heeft gezien en dus ook niet heeft opgemaakt. [getuige 3] heeft verklaard dat hij denkt dat de kopende partij deze stukken heeft opgemaakt aan de hand van briefjes met de kosten van de paarden en dergelijke. [getuige 3] heeft verklaard dat het door hem verstrekte handgeschreven A4’tje is opgemaakt door zijn dochter Mariet. Dat moet goed zijn. De bedragen van de paarden die staan op de specificatie kan hij niet plaatsen. De bovenste paarden zijn aanzienlijk duurder dan dat hij zich kan herinneren. Zijn dochter is altijd zorgvuldig met bedragen en administratie dus die gegevens moeten kloppen. [getuige 14] , die aanwezig was bij het vierde verhoor van zijn vader [getuige 3] op 5 november 2013, onderschrijft wat zijn vader verklaart (hierboven opgenomen) en heeft daarnaast verklaard dat [verdachte] zelf alles heeft geregeld voor het paard [naam paard 2] . [verdachte] gaf bij hen aan dat hij ergens buiten hen om een paard had gekocht en [verdachte] gaf hen de opdracht om € 13.000,- te betalen aan [naam 8] . [verdachte] heeft tegen hen gezegd dat zij het paard bij SGL in rekening konden brengen. Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat het paard [naam paard 2] van hemzelf is geweest. Hij heeft een blauwe maandag het idee gehad om ook op een paard te gaan zitten. Hij heeft ook les gehad. Hij wilde op dat vlak ook iets van expertise opbouwen. Hij heeft dit paard uiteindelijk verkocht aan [naam BV] . Ter zitting heeft [verdachte] verklaard dat hij de factuur en de specificatie heeft opgemaakt. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat zij de secretaresse van [verdachte] is geweest bij SGL. Getuige [getuige 6] heeft verklaard dat hij in 2005 en 2006 bij SGL heeft gewerkt als internal controller. [getuige 6] heeft verklaard dat het hele paardendossier werd getrokken door [verdachte] . Hij was de initiatiefnemer, hij was degene die de paarden kocht. De externe accountant noemde het 'het hippische gebeuren'. Zij kregen kattenbelletjes (briefjes) of facturen voor de paarden van [verdachte] . [getuige 6] heeft verklaard dat hij het aan hem geschreven memo van 1 december 2005 herkent. Dit is het briefpapier van SGL. [verdachte] heeft dit geschreven. Het bankrekeningnummer is door [getuige 6] op deze memo geschreven na opgave daarvan door [verdachte] . [verdachte] besliste en regelde alles over het paardendossier. Zij konden alleen maar werkzaamheden uitvoeren en dingen signaleren en deze doorgeven aan de externe accountant in de hoop dat hij er iets aan kon doen. Zij konden alleen maar uitvoeren, geen kritische vragen stellen aan [verdachte] want anders kon je meteen vertrekken. Bewijsoverweging: Uit de hierboven weergegeven bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [verdachte] het paard [naam paard 2] van ene [naam 8] wilde kopen. Om te voorkomen dat hij dat zelf moest betalen, regelde hij met [getuige 3] dat deze dat paard van die [naam 8] zou kopen en de koopprijs ervan (met een opslag van 2.000 euro) aan SGL in rekening kon brengen. Om te voorkomen dat [naam paard 2] op de balans van SGL terecht zou komen, maakte [verdachte] zelf een factuur (voor hetzelfde bedrag) en specificatie op naam van [getuige 3] waarop [naam paard 2] niet meer voorkwam. De prijs van dat paard verdeelde [verdachte] over de andere paarden. Als enig bestuurder van SGL kon [verdachte] beschikken over de gelden van SGL. Uit de door [getuige 7] en [getuige 6] afgelegde verklaringen volgt dat de administratie betalingen die verband hebben gehouden met de aankoop, stalling en verzorging van paarden heeft verricht in opdracht van [verdachte] . Daarmee acht de rechtbank ten eerste wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het aankoopbedrag voor [naam paard 2] ad € 15.000,- verduisterd heeft van SGL onder de verzwarende omstandigheid dat hij deze gelden uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had. Ten tweede acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] daartoe een factuur en specificatie ten name van [getuige 3] valselijk heeft opgemaakt. De officier van justitie heeft tenlastegelegd dat verdachte deze feiten tezamen en in vereniging heeft gepleegd. Aanwijzing daarvoor is dat de valselijk opgemaakte factuur en specificatie zijn aangetroffen in het account van medeverdachte [medeverdachte] . De vraag is of deze aanwijzing voldoende is om te kunnen concluderen dat [medeverdachte] die valse factuur en specificatie (mede) heeft opgesteld en op de hoogte was van de valsheid ervan. Op de zitting heeft [verdachte] verklaard dat hij degene is geweest die de factuur en specificatie heeft gemaakt. [medeverdachte] heeft op de zitting verklaard dat zij [verdachte] administratief ondersteunde en het goed kan zijn dat zij op verzoek van [verdachte] die bescheiden bijvoorbeeld heeft geprint en ze daarbij in haar eigen account heeft opgeslagen. De rechtbank acht die verklaringen niet zo onwaarschijnlijk dat ze terzijde gesteld kunnen worden. Met andere woorden: het is niet volstrekt onaannemelijk dat het is gegaan zoals [verdachte] en [medeverdachte] verklaren. Die twijfel over de deelname van [medeverdachte] resulteert erin dat bij [verdachte] moet worden vrijgesproken van het element ‘tezamen en in vereniging met een ander’ en aangenomen zal worden dat hij deze strafbare gedragingen alleen heeft gepleegd. 4.6 [naam paard 1] (feitonderdeel 3) [verdachte] wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 1 februari 2005 tot 1 november 2010 bij SGL samen met [medeverdachte] € 22.000,00 heeft verduisterd door de aankoop van [naam paard 1] , dan wel dit paard heeft verduisterd en dat hij in de periode van 1 december 2005 tot en met 5 december 2010 samen met een ander een brief valselijk heeft opgemaakt waarmee een privébetaling is verhuld. Bewijsmiddelen In het pand [adres 1] in [woonplaats 1] is een brief van SGL aan [naam manege 1] aangetroffen met als datum 16 juni 2006. Deze brief bevat de volgende tekst: “In het kader van de verdere ontwikkeling en begeleiding bij een aantal van onze concourspaarden, spraken wij op 14 juni jongstleden af u daarvoor een eenmalige bijdrage van € 22.000,00 te betalen. De ondersteuning/training zal plaatsvinden in 2006 gedurende de reguliere concoursen conform de KNHS-agenda. Het bedrag zal een dezer dagen aan u worden overgemaakt.” De brief is geschreven op briefpapier van SGL en door [verdachte] ondertekend als bestuurder van SGL. Uit het bankafschrift van de Rabobankrekening 1465.01.608 op naam gesteld van [naam manege 1] d.d. 19 juni 2006 staat vermeld dat van de “St. Gehandic. Zorg Limb.” een bedrag van € 22.000,00 is bijgeschreven met de omschrijving: “Ondersteuning/training concourspaarden 2006”. Getuige [getuige 8] heeft verklaard dat [verdachte] bij hem kwam en dat hij interesse had in het paard [naam paard 1] dat bij hem op de manege stond. Dit was een heel goed paard met een predicaat. Dat betekent dat een keuring plaatsvindt op de bouw van het paard en op de bewegingen van het paard in stap, draf en galop. Het paard was een afstammeling van [naam paard 20] . [naam paard 20] was een grandprix dekhengst om maar eens aan te geven dat het paard die waarde van € 22.000,- ook echt waard was, aldus [getuige 8] . [verdachte] heeft niet afgedongen op de prijs. Hij heeft bij de koop wel verteld dat het anders moest als anders. Hij heeft die brief opgemaakt waarin staat vermeld dat [getuige 8] een bedrag van € 22.000,- zou ontvangen in het kader van de verdere ontwikkeling en begeleiding van een aantal concourspaarden van SGL. [getuige 8] heeft verklaard dat dit natuurlijk niet waar is. De € 22.000,- had enkel betrekking op de verkoop van het paard [naam paard 1] . [getuige 8] kreeg voor de stalling en begeleiding al maandelijks een bedrag overgemaakt. [getuige 8] heeft verklaard dat hij weet dat het paard bestemd was voor [naam dochter] . Zij reed op dat paard en heeft daar ook wedstrijden op gereden. Die bespreking van 14 juni 2006, die in de brief staat vermeld, is natuurlijk ook gewoon de overeenkomst geweest om het paard [naam paard 1] te kopen en meer niet. Tijdens de doorzoeking van het pand [adres 1] te [woonplaats 1] is onder meer een plastic map in beslag genomen met documenten welke betrekking hebben op het paard [naam paard 1] . Hierin is een stamboekbewijs van [naam paard 1] aangetroffen van 20 juni 2005 waarop staat vermeld dat [getuige 8] op dat moment de eigenaar van het paard is. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij eigenaar is geweest van [naam paard 1] . Getuige [getuige 7], administratief medewerkster bij SGL, heeft op 27 november 2013 verklaard dat er bij SGL geen paardendossier was, maar dat zij op eigen initiatief binnen de administratie wel een en ander hebben bijgehouden, gewoon extracomptabel. [verdachte] bepaalde alles als het ging om de paarden. Hij gaf de opdracht tot betaling van alle uitgaven op paardengebied. In 2005 werden de paarden onder andere gestald bij [getuige 8] . Bewijsoverweging: De vraag is of voornoemde bewijsmiddelen volstaan als bewijs dat [verdachte] het door SGL aan [getuige 8] betaalde bedrag van € 22.000,- heeft verduisterd voor de aankoop van [naam paard 1] . Voorts is de vraag of hieruit blijkt dat hij ter maskering van die aankoop in privé een onjuiste opdrachtbevestiging valselijk heeft opgemaakt. [verdachte] betwist namelijk dat de inhoud van de opdrachtbevestiging onjuist (vals) is. Hij stelt dat hij [naam paard 1] gewoon contant van [getuige 8] gekocht heeft. De rechtbank is van oordeel dat zowel de verduistering als de valsheid in geschrifte wettig en overtuigend bewezen verklaard moeten worden. Dit om de volgende redenen. De verklaring van [getuige 8] komt de rechtbank betrouwbaar over. Er is niet gebleken van enig motief bij [getuige 8] om [verdachte] ten onrechte deze verduistering en valsheid in geschrifte in de schoenen te schuiven. Integendeel: [getuige 8] toont zich in zijn verhoor duidelijk gegeneerd dat hij aan deze constructie heeft meegewerkt. [getuige 8] onderbouwt de valsheid van de schriftelijke bevestiging door erop te wijzen dat het onlogisch was om een aparte betaling voor deze werkzaamheden te doen, omdat er al een overeenkomst lag op grond waarvan voor die diensten werd betaald. Op de vraag op de zitting aan [verdachte] waarop deze overeenkomst extra zag, kon hij geen antwoord geven. Daar komt nog bij dat de betaling dateert uit 2006, in welk jaar [getuige 8] juist een bedrag terugboekte dat in verband met stalling en concoursbegeleiding te veel was betaald (zie feitonderdeel 1). Een extra betaling in datzelfde jaar van maar liefst € 22.000,- is ook om die reden volstrekt onwaarschijnlijk. - Tenslotte past de verklaring van [getuige 8] naadloos in het gemak waarmee [verdachte] zichzelf blijkens dit vonnis ten koste van SGL en [naam BV] verrijkte. Met de betaling aan [getuige 8] heeft [verdachte] € 22.000,- verduisterd om een privéaankoop te financieren, die hij heeft verhuld door het opstellen van de brief aan [getuige 8] . Als enig bestuurder van SGL kon verdachte beschikken over de gelden van SGL. Uit de hiervoor nogmaals opgenomen verklaring van [getuige 7] en de eerder in deze uitspraak opgenomen verklaring van [getuige 6] volgt dat de administratie betalingen die verband hebben gehouden met de aankoop, stalling en verzorging van paarden heeft verricht in opdracht van [verdachte] . Daarom is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] het bedrag dat gemoeid is met de aanschaf van [naam paard 1] verduisterd heeft onder de verzwarende omstandigheid dat hij deze gelden uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte dit samen met [medeverdachte] heeft gedaan. Het dossier bevat geen bewijs dat [medeverdachte] bij dit feit enige rol heeft vervuld. In de tenlastelegging is tevens als verduistering van SGL tenlastegelegd het incasseren door [verdachte] van de verzekeringsuitkering voor [naam paard 1] . [verdachte] had dit paard namelijk tegen ziekte verzekerd. Vanwege ziekte heeft deze verzekering op 29 augustus 2008 een bedrag van € 19.800,- aan [verdachte] uitgekeerd. De rechtbank is van oordeel dat deze verzekeringsuitkering niet als verduisterd kan worden aangemerkt. Juist is dat [verdachte] [naam paard 1] met van SGL verduisterd geld heeft aangekocht. Daarmee werd hij vervolgens wel eigenaar van [naam paard 1] ; hij is ook degene die de verzekering op [naam paard 1] heeft afgesloten en begunstigde voor de schade-uitkering was. SGL was dus niet de rechthebbende op de verzekeringsuitkering, zodat [verdachte] deze niet van SGL kan hebben verduisterd. [verdachte] zal daarom van dit onderdeel worden vrijgesproken. 4.7 [naam paard 3] en [naam paard 4] (feitonderdeel 4): [verdachte] wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 1 februari 2005 tot 1 november 2010 bij SGL samen met [medeverdachte] € 7.700,00 heeft verduisterd met de aankoop van [naam paard 3] en [naam paard 4] (verder: [naam paard 3] en [naam paard 4] ). Bewijsmiddelen De aankoop van de paarden [naam paard 3] en [naam paard 4] kan niet los worden gezien van de aankoop van het paard Wi(l)co. In het dossier bevindt zich een handgeschreven betalingsopdracht van 14 augustus 2006 van [verdachte] aan [getuige 6] met als onderwerp “aankoop [naam paard 5] compleet”. De betalingsopdracht houdt in dat een bedrag van € 10.500,- moet worden overgemaakt naar de heer [getuige 3] in [woonplaats 2] . Uit een rekeningafschrift van SGL blijkt dat dit bedrag op 14 augustus 2006 onder vermelding van “ [getuige 3] spoedopdracht 8371 aankoop [naam paard 5] compleet” is betaald. In het dossier bevindt zich een handgeschreven betalingsopdracht van 28 augustus 2006 van [verdachte] aan [getuige 6] met als onderwerp “toetsing/training/verzorging”. De betalingsopdracht houdt in dat een bedrag van € 2.200,- moet worden overgemaakt naar de heer [getuige 3] in [woonplaats 2] / [plaats 2] i.v.m. verzorging van de paarden. Bij SGL is een op 28 augustus 2006 door [verdachte] geaccordeerd “Samenvatting Verzendbestand” van de ING bank aangetroffen met daarbij een “Detailoverzicht Verzendbestand”. Hieruit blijkt dat op 28 juni 2006 een bedrag van € 2.200,00 is overgemaakt van de rekening van SGL naar de rekening van [getuige 3] met omschrijving “plaatsing/training/verzorging paarden”. In het pand [adres 1] [woonplaats 1] zijn twee facturen van [getuige 3] aangetroffen die in verband staan met voornoemde betalingen van € 10.500,00 en € 2.200,00. Het betreft een factuur van 14 augustus 2006 voor een bedrag van € 10.500,- van [getuige 3] aan SGL met als omschrijving “Aankoop paard [naam paard 5] ”. Daarnaast een factuur van 28 augustus 2006 voor een bedrag van € 2.200,00 van [getuige 3] aan SGL met als omschrijving “4 (
- x)stalling en zadelmak maken september-december 2006 extra in verband met verzorging na operatie”. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij de facturen van 14 augustus 2006 en 28 augustus 2006 niet kent, dat hij ze nooit eerder heeft gezien en dus ook niet heeft opgemaakt. [getuige 3] heeft verklaard dat hij denkt dat de kopende partij deze facturen heeft opgemaakt. Bij digitaal onderzoek aan de bestanden die zijn veiliggesteld vanaf de server van SGL zijn op een server van SGL ook (digitaal) de factuur van 14 augustus 2006 en de factuur van 28 augustus 2006 aangetroffen in de directory ‘…/oude documenten/ [naam account] /diversen/’. Bij genoemd digitaal onderzoek zijn de bestandseigenschappen van deze bestanden onderzocht en gebleken is dat volgens de bestandseigenschappen de laatste wijzigingen bij deze documenten zijn opgeslagen op 28 augustus 2006 door gebruikersaccount “ [naam account] ”. In de administratie van [getuige 3] zijn handgeschreven pagina’s aangetroffen. Op het ene blad staat geschreven: “28-8-06 Aankoop 2 friese paarden voor SGL € 7.700,-”. Daarnaast staat geschreven “x-post zie B193/3 en B193/5”. Op een tweede blad staat geschreven dat een paard [naam paard 5] voor € 5.000,- is gekocht en dat twee Friese paarden voor € 7.700,- zijn gekocht, dus in totaal voor € 12.700,- door SGL. Dat bedrag is volgens deze notitie in twee keer betaald. Uit een bankafschrift Rabobank met volgnummer 0193 en bladnummer 0003 van [getuige 3] van 6 september 2006, betreffende rekeningnummer [rekeningnummer 4] , blijkt dat op 15 augustus 2006 een bedrag van € 10.500,00 is bijgeschreven met de omschrijving “aankoop [naam paard 5] compleet”. Op het bankafschrift is dit bedrag met een pen omcirkeld en daarboven staat de opmerking “x-post” vermeld. Onderaan het bankafschrift staat ook de opmerking “x-post” vermeld, met daarbij de tekst “x-post in kasboek aug. 2006 Aankoop 2 Friezen voor SGL”. Op datzelfde bankafschrift is een bedrag van € 5.000,- betaald aan [getuige 8] voor ‘aankoop paard’, waarop met pen is bijgeschreven: ‘ [naam paard 5] voor SGL’. Uit bladnummer 0005 van hetzelfde bankafschrift bladnummer 0005 blijkt dat op 28 augustus 2006 een bedrag van € 2.200,00 is bijgeschreven met de omschrijving “plaatsing/training/verzorging paarden”. Deze omschrijving is met pen doorgehaald en ook daarbij is het bedrag omcirkeld en staat de opmerking “x-post” vermeld. In de administratie van [getuige 3] is een kasstaat over de maand augustus 2006 aangetroffen waarin de aankoop door [getuige 3] van “2 friese paarden voor SGL” voor een bedrag van € 7.700,00 is vermeld. In de administratie van [getuige 3] is verder een kladbriefje aangetroffen waarop de transactie van “ [naam paard 5] ” en “2 Friese paarden” nogmaals staat uitgeschreven. De geschreven tekst luidt (gemodereerd): “Door [getuige 3] betaald voor aankoop [naam paard 5] B193/3 5000,= (van [getuige 8] ) per kas 7700,= voor 2 Friese paarden, in totaal 12.700,=. Deze 3 paarden zijn voor SGL. SGL betaalt deze paarden in 2 x, namelijk 10.500,= B193/3 en 2.200,= B193/5, zijnde in totaal 12.700,=”. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zijn dochter altijd zorgvuldig met bedragen en administratie is, dus die gegevens moeten kloppen. [getuige 3] heeft verder verklaard dat hij het niet meer zeker weet maar het kunnen alleen maar [naam paard 4] en [naam paard 3] zijn. Zij hebben in hun tijd maar twee Friese paarden gekocht voor SGL dus dat moet wel om die twee paarden gaan. Er zijn maar twee Friese paarden geweest en dat zijn [naam paard 3] en [naam paard 4] . [getuige 14] , die aanwezig was bij het vierde verhoor van zijn vader [getuige 3] op 5 november 2013, heeft verklaard dat zijn zus enorm zorgvuldig is dus wat hier staat klopt. Ook de bedragen kloppen. De twee Friese paarden zijn via de heer [naam 6] gegaan. Tijdens de doorzoeking van het pand [adres 1] in [woonplaats 1] is een kopie van een stamboekbewijs aangetroffen van [naam paard 3] , afgegeven op 20 september 2006. Op dit stamboekbewijs staat als eigenaar vermeld: de heer [verdachte] . Ook is een kopie van een stamboekbewijs aangetroffen betreffende [naam paard 4] , afgegeven op 20 september 2006. Op dit stamboekbewijs staat eveneens als eigenaar vermeld: de heer [verdachte] . Tijdens de doorzoeking van het pand [adres 1] in [woonplaats 1] zijn verder polis bladen in beslag genomen van EFO Paardenverzekering betreffende de paarden [naam paard 3] en [naam paard 4] . Op de polisbladen staat vermeld dat de ingangsdatum van de verzekering van beide paarden 1 september 2006 betreft, dat het beide Friese paarden zijn en dat verzekernemer [verdachte] is. [verdachte] heeft verklaard dat hij de paarden [naam paard 3] en [naam paard 4] van ene [naam 6] heeft gekocht. Bewijsoverweging: De rechtbank leidt uit de omschreven bewijsmiddelen af dat [verdachte] de twee Friese paarden [naam paard 3] en [naam paard 4] privé wilde verkrijgen, maar ze heeft laten betalen door SGL. Om dat te bereiken, heeft [getuige 3] die beide paarden voor € 7.700,- gekocht en ze nagenoeg gelijk aan SGL doorverkocht. Gelijktijdig kocht [getuige 3] van [getuige 8] voor SGL het paard [naam paard 5] voor € 5.000,- aan. Om te maskeren dat SGL € 7.700,- betaalde voor een aankoop door [verdachte] in privé, werd gefingeerd dat voor aankoop (€ 10.500,-) en medische kosten (€ 2.200,-) van [naam paard 5] een bedrag van € 12.700,- werd betaald in plaats van de daadwerkelijke koopsom van € 5.000,- Dit is namelijk het bedrag dat [getuige 3] voor dit paard aan [getuige 8] betaalde en voor welk zelfde bedrag [getuige 3] het paard kennelijk vrijwel gelijktijdig ook aan SGL doorverkocht. Door deze constructie acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] € 7.700,- van SGL verduisterd heeft onder de verzwarende omstandigheid dat hij deze gelden uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had. De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] dit feit samen met [medeverdachte] heeft gepleegd. Haar betrokkenheid zou moeten worden afgeleid uit het feit dat de facturen die zijn opgesteld om de werkelijke gang van zaken te vervullen in haar directory zijn aangetroffen. De rechtbank heeft eerder overwogen (zie feitonderdeel 2) dat dit enkele feit onvoldoende bewijs vormt voor strafbare betrokkenheid van [medeverdachte] bij de vals opgemaakte stukken en verduistering(
- en)die ermee aan het zicht worden onttrokken. [verdachte] moet bij dit feitonderdeel dus worden vrijgesproken van het element ‘tezamen en in vereniging met een ander’. 4.8 Vrijpsraakoverwegingen [naam paard 5] (feitonderdeel 5) Als onderdeel van feit 4: Paarden 156.155 euro, is [verdachte] de verduistering samen met [medeverdachte] bij [naam BV] tenlastegelegd van het paard [naam paard 5] voor een bedrag van € 10.500,- in de periode van 10 april 2007 tot en met 31 december 2011. Bewijsmiddelen [naam paard 5] is op 14 augustus 2006 door SGL gekocht van [getuige 3] . Uit de voorraadlijst van [naam BV] blijkt dat [naam paard 5] door SGL op 1 januari 2008 voor de zogenaamde aankoopprijs van € 10.500,- is overgedragen aan [naam BV] . Hoewel in de voorraadlijst 1 januari 2008 is genoteerd als overdrachtsdatum, zijn alle paarden van SGL feitelijk per 10 april 2007 overgegaan, omdat dit de datum is waarop [naam BV] actief werd en de manege van [getuige 3] werd aangekocht. Onder feitonderdeel 4 heeft de rechtbank bewezen geacht dat de aankoopprijs van [naam paard 5] door SGL in augustus 2006 tot een bedrag van € 10.500,- werd verhoogd om (een gedeelte van) de aankoopprijs van [naam paard 3] en [naam paard 4] te kunnen verduisteren. [naam paard 5] is vervolgens per 31 december 2007 voor die prijs overgedragen aan [naam BV] . Op de inventarislijst van [naam BV] is dit paard vermeld als op 1 januari 2008 van SGL overgenomen. Getuige [naam dochter] verklaart over [naam paard 5] dat zij vast reed op twee paarden, te weten [naam paard 5] en [naam paard 6] . Die paarden waren van [naam BV] , maar waren niet geschikt voor cliënten. Uit een stallingsfactuur van dressuurstal [naam dressuurstal] te Leende van 17 maart 2013 blijkt dat trainingskosten voor [naam paard 5] in rekening worden gebracht aan [naam dochter] . Getuige [getuige 16] verklaart dat [naam dochter] (op de [naam manege 2] ) uitsluitend haar eigen paarden [naam paard 5] en [naam paard 6] bereed en dat zij er altijd van uitgegaan is dat dit haar paarden waren. Getuige [getuige 12] verklaart dat [naam paard 5] en [naam paard 6] door [naam dochter] zijn uitgezocht en dat volgens haar [verdachte] die paarden voor haar heeft gekocht. Zij weet niet beter dan dat dit privépaarden van [naam dochter] zijn geweest. Voor de maanden augustus tot en met december 2007 heeft [naam BV] vijf facturen verstrekt aan [verdachte] voor onder andere stallingskosten voor [naam paard 5] . Het totale factuurbedrag is steeds € 384,-. [verdachte] schrijft in een mail aan [naam locatiemanager] [naam zorgboerderij] op 19 september dat hij ‘voor de stalling van zijn vee” maandelijks een bedrag van € 384,- betaalt. Bewijsoverweging: De rechtbank leidt uit de genoemde bewijsmiddelen af dat ondanks dat de formele eigendom van [naam paard 5] bij SGL en [naam BV] rustte, [verdachte] zich als heer en meester over dit paard is gaan gedragen. Dit blijkt uit het feit dat [verdachte] [naam paard 5] in een mail aan een medewerker typeert als ‘zijn vee’ en er een aantal maanden stallingsgeld voor betaald heeft. Daarnaast verklaren [naam dochter] zelf alsmede enkele getuigen dat [naam paard 5] het paard van [naam dochter] was. Daarmee kan gezegd worden dat [verdachte] het paard [naam paard 5] verduisterd heeft. Desalniettemin zal de rechtbank verdachte om de volgende reden vrijspreken. Uit het tenlastegelegde blijkt dat de officier van justitie ervan uitgaat dat verduistering van [naam paard 5] pas heeft plaatsgevonden nadat dit paard door SGL omstreeks 10 april 2007 voor € 10.500,- is overgedragen aan [naam BV] . Hoewel de rechtbank het aannemelijk acht dat [naam paard 5] door verdachte verduisterd is in de zin dat het alleen voor [naam dochter] is aangekocht althans alleen door haar is gebruikt, kan er niet vanuit gegaan worden dat dit (pas) vanaf 10 april 2007 is gebeurd. Uit de verklaring van manegehouder [getuige 8] blijkt immers dat dit paard in 2006 niet bij hem gestald stond, maar dat een meisje dat bij hen reed, het (de rechtbank: blijkbaar toen
- al)jammer vond dat alleen [naam dochter] erop reed. Dit impliceert dat het erop lijkt dat [naam paard 5] al is verduisterd vanaf of tussen het moment van aankoop op 14 augustus 2006 en het moment van overdracht aan SGL op 10 april 2007. Daarmee kan niet bewezen worden dat [naam paard 5] pas in de tenlastegelegde periode is verduisterd en [verdachte] zal daarom van dit feitonderdeel worden vrijgesproken. 4.9 [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 3] (feitonderdeel 7): [verdachte] wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 1 februari 2005 tot 1 november 2010 bij SGL samen met [medeverdachte] € 14 .840,00 heeft verduisterd met de aankoop van [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 3] , dan wel deze veulens heeft verduisterd. Bewijsmiddelen In de administratie van [getuige 3] zijn vijf koopovereenkomsten aangetroffen waaruit blijkt dat [getuige 3] op 21 september 2006 vijf veulens heeft gekocht. Het gaat om de veulens met catalogusnummers 53, 17, 27, 28 en 35. Aan de koopovereenkomst van nummer 53 is in de administratie van [getuige 3] een briefje gehecht met daarop geschreven “tegoed van SGL (volgt opsomming van de bedragen met daaronder) € 22.260,-”. Kopieën van deze koopovereenkomsten zijn aangetroffen in de woning van de [verdachte] , [adres 1] te [woonplaats 1] . Volgens het veilingboekje en aantekening op de kopieën van de overeenkomsten aangetroffen in [adres 1] betreft het hier de volgende veulens: Catalogusnummer 53 [naam veulen 1] Catalogusnummer 17 [naam veulen 2] Catalogusnummer 27 [naam veulen 5] Catalogusnummer 28 [naam veulen 6] Catalogusnummer 35 [naam veulen 3]. De veulens zijn aangekocht voor bedragen inclusief veilingkosten van respectievelijk € 3.975,-, € 5.035,-, € 3.445,-, € 3.975,- en € 5.830,-. In de woning van [verdachte] [adres 1] in [woonplaats 1] zijn de pagina’s van het veilingboekje die betrekking hebben op [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 3] aangetroffen. Uit een bankafschrift van [getuige 3] van 4 oktober 2006 blijkt dat door [getuige 3] op 25 september 2006 vijf betalingen zijn verricht aan de Stg. [naam stichting 3] . Deze bedragen komen overeen met de bedragen van de genoemde koopovereenkomsten. Op de bankafschriften staat bij de betreffende afschrijvingen met pen genoteerd “SGL”. Bij SGL is een memo van 22 september 2006 aangetroffen afkomstig van [verdachte] en gericht aan [getuige 6] , betreffende “overname veulens/boerderijproject”. De tekst van deze memo luidt als volgt: “ [getuige 6] , gaarne overmaken naar dhr. [getuige 3] , [adres 5] te [woonplaats 2] een bedrag van € 22.260,00 o.v.v. "overname veulens". Het betreft 4 veulens t.b.v. ons boerderijproject; specificatie met levensnummers en namen volgt, de [onleesbaar woord] moeten nog gechipt worden. Met dank, [verdachte] .” Uit eerdergenoemd bankafschrift van [getuige 3] blijkt dat op 22 september 2006 een bedrag van € 22.260,00 is overgemaakt naar [getuige 3] van de rekening [rekeningnummer 1] op naam van SGL met omschrijving “overname veulens”. In het dossier bevindt zich een overzicht van grootboekrekening 007500 van [naam BV] waarop de paarden staan vermeld die van SGL zijn overgenomen en in 2008 zijn geactiveerd. Op dit overzicht staan de vijf veulens, waaronder [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 3] , niet vermeld. In de woning van [verdachte] , [adres 1] in [woonplaats 1] , zijn vijf facturen aangetroffen van [naam BV] aan de [verdachte] . Deze facturen zijn respectievelijk gedateerd 18 september 2007, 25 september 2007
(2x), 30 oktober 2007 en 31 december
- Het gefactureerde bedrag bedraagt telkens in totaal € 384,00 inclusief BTW, ten behoeve van “stallingsgelden stal [naam paard 5] ” en “verzorging en voer wei [naam paard 11] , [naam veulen 2] en [naam veulen 1] ”. Uit zes bankafschriften van de ING rekening van [verdachte] met rekeningnummer [rekeningnummer 2] blijkt dat op 15 augustus, 14 september, 15 oktober, 15 november en [rekeningnummer 1] december 2007 telkens bedragen van € 300,00 en € 84,00 zijn overgemaakt op rekening [rekeningnummer 3] , zijnde het bankrekeningnummer van [naam BV] . Bij SGL is een e-mailbericht aangetroffen afkomstig van [verdachte] en gericht aan [naam locatiemanager] [naam zorgboerderij] [naam BV] d.d. 19 september 2007, voorzien van het onderwerp “RE: Voorstel Productieverhoging 2007 [naam BV] ”. De tekst van dit e-mailbericht luidt onder meer als volgt: “[…] Nadien hebben we geformuleerd dat iedere medewerker een paard van zichzelf mag stallen dat hij zelf rijdt. Dat geldt voor iedereen die op de manege werkt (niet voor anderen). Ondergetekende betaalt derhalve voor de stalling van zijn vee op de manege maandelijks een bedrag (zelfs via een machtiging) van € 384, -- . Daarmee is dan ook de integriteitsdiscussie naar/over [naam dochter] geslecht. In dat kader heeft [medeverdachte] het paard [naam paard 15] aangeschaft. Dat om ook te voorkomen dat ook over haar, discussie ontstaat. Als ze paardrijdt, is dat immers op haar eigen paard.[…]” In het dossier bevindt zich een brief van [medeverdachte] namens [naam BV] , gericht aan [naam 1] te Harderwijk van 29 juni 2009 waarbij de originele eigendomsbewijzen worden opgestuurd en het verzoek wordt gedaan om de paarden [naam veulen 3] , [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 4] van de [naam 2] over te schrijven op naam van [verdachte] , [adres 1] , [woonplaats 1] . Deze brief is aangetroffen in de op de locatie [adres 1] in [woonplaats 1] veiliggestelde digitale data. Tijdens de doorzoeking van het pand [adres 1] in [woonplaats 1] zijn drie stamboekbewijzen aangetroffen van de paarden [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 3] , afgegeven op 6 juli 2009 en op naam gesteld van [verdachte] . Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat [verdachte] hem wel eens de opdracht heeft gegeven om paarden voor hem te kopen bij veilingen. [verdachte] kocht deze weer van hem. Dat was voor hetzelfde bedrag als waarvoor [getuige 3] het paard bij de veiling kocht. [getuige 3] heeft verder verklaard dat hij [naam veulen 2] ( [naam veulen 2] ), [naam veulen 1] ( [naam veulen 1] ), [naam veulen 3] ( [naam veulen 3] ), [naam veulen 5] en [naam veulen 6] op veilingen heeft aangeschaft voor [verdachte] . Op de vraag of de paarden door SGL gekocht zijn of door [verdachte] privé verklaart [getuige 3] dat dat nooit uitgesproken is. Zij gingen er vanuit dat de paarden gekocht werden voor SGL. Op de vraag of het logisch was om dit soort warmbloedpaarden aan te schaffen voor gehandicapten verklaart [getuige 3] dat dat niet zo is. Het zijn eerder paarden die gehandicapten maken, dan dat je er gehandicapten op laat rijden. Verzorgen van een paard zou nog kunnen maar er zijn zoveel andere paarden, zoals koudbloedpaarden, die veel geschikter zijn om zorg mee te verlenen. Die veulens die zij gekocht hebben voor [verdachte] zijn nooit gefokt om zorg voor gehandicapten mee te doen. Die paarden zijn gefokt voor de sport. Bewijsoverweging: Uit de besproken bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [getuige 3] in opdracht van [verdachte] voor SGL vijf veulens heeft gekocht. Die veulens zijn door [getuige 3] aan SGL in rekening gebracht en door SGL betaald. [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 3] waren drie van die veulens. Niet geheel duidelijk is of deze drie veulens ook daadwerkelijk aan SGL zijn geleverd of dat [verdachte] ze rechtstreeks van [getuige 3] geleverd kreeg. Wat wel uit de bewijsmiddelen blijkt, is dat [verdachte] zich op enig moment na de aankoop als heer en meester over die veulens is gaan gedragen. Zo schrijft [verdachte] aan een medewerker dat hij elke maand voor ‘zijn vee’ € 384,- betaalt. In de facturen die inderdaad gedurende (overigens slechts) vijf maanden door [naam BV] aan hem zijn verstuurd en door hem zijn betaald, zijn voor [naam veulen 1] en [naam veulen 2] stallingskosten in rekening gebracht. Deze pretentie van eigendom door [verdachte] wordt ondersteund door het feit dat de veulens in april 2007 kennelijk niet door SGL aan [naam BV] zijn overgedragen. [naam veulen 3] is evenmin in de overdracht van SGL aan [naam BV] betrokken. De stamboekbewijzen van alle drie de paarden zijn in 2009 op verzoek van [medeverdachte] op naam van [verdachte] gesteld, waarmee hij als ‘eigenaar’ van die paarden werd geregistreerd. Voor de rechtbank is met deze gang van zaken wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] deze drie veulens bij SGL verduisterd heeft. De vraag is of gezegd kan worden dat [verdachte] deze verduistering samen en in vereniging met [medeverdachte] heeft gepleegd. De voornaamste aanwijzing daarvoor is dat dat [medeverdachte] in 2009 het verzoek heeft gedaan om de drie veulens op naam van [verdachte] te stellen. De rechtbank is van oordeel dat deze handeling die geruime tijd na verduistering van de veulens is verricht, onvoldoende is om te mogen aannemen dat zij deze verduistering heeft medegepleegd. De rechtbank zal voor dit feitonderdeel daarom van dit onderdeel vrijspreken. 4.10 [naam paard 6] (feitonderdeel 8): [verdachte] wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 10 april 2007 tot en met 31 december 2011 bij [naam BV] samen met [medeverdachte] € 36.000,00 heeft verduisterd met de aankoop van [naam paard 6] , dan wel dit paard heeft verduisterd. Bewijsmiddelen Uit de auditfiles van [naam BV] blijkt dat op 23 juli 2007 op de grootboekrekening “007500 Paarden” de navolgende mutaties zijn opgenomen: 007500Paarden € 36.000,00 Aan 140400 Crediteuren € 36.000,00 140400 Crediteuren € 36.000,00 Aan 100110 Rabobank [rekeningnummer 3] € 36.000,
- Als omschrijving bij deze mutaties staat vermeld “ [naam paard 6] 02.09516”. In het dossier bevindt zich een overzicht van grootboekrekening 007500 van [naam BV] waarop alle paarden staan vermeld die op enig moment zijn verkregen. Op dit overzicht staat onder het kopje “aankoop [naam BV] ” de naam “ [naam paard 6] 02.09516” vermeld met daarachter een bedrag van € 36.000,
- Getuige [getuige 9] heeft verklaard dat hij ergens half januari 2007 op de [naam manege 2] is begonnen als instructeur. In april heeft hij een arbeidscontract ondertekend. Hij zou de paardenverzorging op zich nemen en ook het personeel aansturen voor de verzorging van de paarden. Verder moest hij de meisjes die paardreden lesgeven. Dat waren [naam 3] , [naam 4] , [naam dochter] en [getuige 12] . Tot de dag van zijn ontslag heeft hij het idee gehad dat de manege omgebouwd zou worden tot een zorgmanege. Tot op het moment van zijn ontslag heeft hij daar niets van gezien. Het leek meer een privé speeltuin. [verdachte] reed paard en zelfs [medeverdachte] . Hij is op [adres 2] komen wonen, want volgens [verdachte] moest er altijd iemand op de manege zijn. [getuige 9] denkt dat hij er tot 17 oktober 2007 heeft gewoond. Hij heeft er in heel de periode dat hij daar werkte en woonde niets van gezien dat ze er een manege voor gehandicapten van wilden maken. Overdag gaf hij les aan [naam 3] en [naam 4] en zorgde hij ervoor dat de paarden goed verzorgd werden en ’s avonds moest hij dan terugkomen om de dochter van [verdachte] en haar vriendin [getuige 12] les te geven zodat zij op concours konden rijden. Hij vroeg zich geregeld af wat dit met Stichting Gehandicaptenzorg te maken had. [getuige 9] heeft verder verklaard dat [medeverdachte] de vriendin van [verdachte] was en dat zij directrice was van de manege, een zorgboerderij [naam zorgboerderij] en één of andere knutseltoestand in [vestigingsplaats] . De gehandicapten die bij [naam zorgboerderij] kwamen konden absoluut niet omgaan met de paarden bij [naam BV] . Hooguit 1 of 2 als je ze goed africhtte. De meeste van de paarden waren niet geschikt om zelfs een gehandicapte bij in de buurt te laten. [getuige 9] heeft regelmatig gezegd dat de paarden bij [naam BV] niet geschikt waren voor gehandicapten. Maar volgens hem was dat ook nooit de bedoeling geweest van [verdachte] want op dat soort paarden kon zijn dochter geen wedstrijden rijden. [verdachte] bepaalde de gang van zaken bij [naam BV] . Dat geldt voor alles. Het beleid en de dagelijkse gang van zaken. [getuige 9] verklaart dat hij de opdracht van [verdachte] heeft gekregen om een paard te zoeken waar [naam dochter] wedstrijden mee kon rijden. Zij rijdt daar nu nog mee. Hij heeft het paard uiteindelijk gevonden in Someren. Hij is daar met een stalruiter in eerste instantie geweest en later met [verdachte] , zijn dochter, [naam 4] en de familie van [verdachte] . Een half jaar geleden heeft ze nog met dat paard wedstrijden gereden. Dat staat ook in de uitslagen. [naam BV] heeft dat paard betaald. Volgens [getuige 9] heette het paard [naam paard 6] en heeft het zo'n € 40.000 gekost. In die zes jaar dat het paard [naam paard 6] bij [naam BV] is, heeft er nooit iemand anders op gereden. Getuige [getuige 10] heeft verklaard dat hij v