RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/661138-16 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 februari 2019 in de strafzaak tegen [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972 , wonende te [adres] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. S.B.M.A. Engelen, advocaat kantoorhoudende te Venlo. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 januari 2019. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: Feit 1:seksueel is binnengedrongen in het lichaam van [slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, dan wel dat dat hij ontucht met haar heeft gepleegd; Feit 2: kinderporno aanwezig heeft gehad. 3De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie Ten aanzien van feit 1 De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Namens [naam 1] is aangifte gedaan door hun maatschappelijk werkster en gezinstherapeut, mevrouw [naam gezinstherapeut] , die is gespecialiseerd in misbruikgevallen. Uit die aangifte blijkt dat het slachtoffer [slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer] ) aan [naam gezinstherapeut] heeft verteld dat de verdachte met zijn tong aan haar plassertje heeft gezeten en haar eet. De aangifte wordt ondersteund door het studioverhoor van [slachtoffer] . Daar heeft [slachtoffer] een tekening gemaakt met het bijschrift dat oom [naam verdachte] in haar plasser heeft gezeten met zijn mond. Dat is een authentieke verklaring die past bij een 6-jarige. In het proces-verbaal van bevindingen over de voorbereiding van het studioverhoor is opgenomen dat [slachtoffer] zenuwachtig was. Bij [naam 1] is waargenomen dat [slachtoffer] angst had en volkomen dichtsloeg. De waarneming van emoties mag volgens de Hoge Raad worden meegewogen bij het toetsen van de betrouwbaarheid van verklaringen. Verder heeft [slachtoffer] moeder bij de politie verklaard dat [slachtoffer] na het studioverhoor heeft gezegd dat zij eerlijk was geweest. De Hoge Raad acht het toelaatbaar dat het bewijs voor de kern van een feit afkomstig is uit één bron zolang dit steun vindt in andere bewijsmiddelen. De officier van justitie verwijst in dat kader ook naar de conclusie van de advocaat-generaal bij het arrest van de Hoge Raad van 6 maart 2012 met kenmerk BQ6144, waarin de advocaat-generaal verwijst naar relevante jurisprudentie. Ten aanzien van feit 2 De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verdachte heeft het bezit van kinderporno bekend. Het beeldmateriaal was vrij toegankelijk op de computer van de verdachte en er is vastgesteld dat het kinderporno betrof. 3.2 Het standpunt van de verdediging Ten aanzien van feit 1 De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde feit wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdachte heeft nadrukkelijk verklaard dat van seksueel binnendringen geen sprake is geweest. Die verklaring is geloofwaardig omdat hij open kaart heeft gespeeld tijdens zijn verhoor door de politie. De verdachte heeft bovendien consistent verklaard en daarmee zichzelf belast. Voor het binnendringen is alleen de verklaring van [slachtoffer] als bewijsmiddel. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat voor een bewezenverklaring steunbewijs is vereist dat bovendien afkomstig is uit een andere bron. Dit is in deze zaak niet het geval. De aangifte is een de auditu verklaring gebaseerd op wat [slachtoffer] heeft verteld. Het door de officier van justitie opgesomde bewijs biedt geen steun voor het seksueel binnendringen. Verder ontbreekt de overtuiging dat sprake is van seksueel binnendringen. De verdachte heeft een alternatief scenario geschetst over hoe [slachtoffer] wetenschap kon hebben van seksuele handelingen, namelijk omdat hij vermoedt dat zij seksuele handelingen heeft gezien tussen haar moeder en de verdachte. Ook heeft de moeder van [slachtoffer] bij de reclassering aangegeven dat zij op websites informatie zocht over seksueel misbruik en [slachtoffer] die informatie misschien heeft gezien. Ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Vrijspraak feit 1 primair De rechtbank acht niet bewezen wat onder feit 1 primair aan de verdachte ten laste is gelegd en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank stelt voorop dat volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) het bewijs dat de verdachte een ten laste gelegd feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige of enkel op basis van de verklaring of aangifte van het slachtoffer. Deze bepaling dient ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door het slachtoffer genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Dit betekent dat - in een geval als het onderhavige, waarin de verklaring van het slachtoffer en de verdachte tegenover elkaar staan - de rechtbank de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer moet beoordelen en daarnaast moet bepalen of voor de beweringen van het slachtoffer voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is. De juistheid van de kern van de tenlastelegging mag - met andere woorden - niet alleen uit de (betrouwbaar bevonden) verklaring van een slachtoffer volgen, maar moet óók gesteund worden door ander bewijsmateriaal, dat bovendien afkomstig moet zijn uit een andere bron dan het slachtoffer. Dat steunbewijs hoeft, zo volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, bij zedenzaken niet per definitie te zien op de ontuchtige handelingen zelf, maar kan ook betrekking hebben op de context, oftewel de omstandigheden, waaronder deze handelingen werden verricht (HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BS7910, HR 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1354 en HR 15 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:217). [slachtoffer] heeft enkele maanden nadat het misbruik in de thuissituatie aan het licht was gekomen tijdens het studioverhoor een tekening gemaakt met daarop het bijschrift “ [naam verdachte] heeft in mieneein plaser gezeete”. Tijdens het studioverhoor heeft [slachtoffer] daarbij verklaard dat de verdachte dit deed met zijn mond, wat de verhoorster bij het bijschrift heeft geschreven. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het dossier en het ter terechtzitting verklaarde onvoldoende overtuigend steunbewijs biedt voor een bewezenverklaring van seksueel binnendringen. Uit de aangifte blijkt dat op of omstreeks 31 maart 2016 [slachtoffer] tegen haar moeder heeft verteld dat [naam verdachte] haar op haar plasgaatje had gekust. Op 24 mei 2016 heeft [slachtoffer] bij [naam 1] verteld dat de verdachte aan haar plassertje heeft gegeten met zijn tong. [slachtoffer] heeft dit voorgedaan door haar tong uit te steken en terug te trekken. De rechtbank overweegt dat [slachtoffer] toen daar niet heeft verteld dat de verdachte ook met zijn tong in haar plassertje is geweest. De verdachte heeft van meet af aan verklaard dat hij de vagina van [slachtoffer] heeft gekust. Ook [naam verdachte] –de moeder van [slachtoffer] – heeft verklaard dat [slachtoffer] tegen haar heeft gezegd dat [naam verdachte] haar een kusje geeft, wijzende naar haar schaamstreek. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank geen wettig bewijs voor het seksueel binnendringen. De angst bij [slachtoffer] die door [naam 1] is waargenomen toen naar ontucht werd gevraagd, en de zenuwachtigheid die de politie heeft waargenomen voorafgaand aan het studioverhoor, kunnen naar het oordeel van de rechtbank ook zijn veroorzaakt door een andere handeling dan seksueel binnendringen, namelijk door het kussen op de vagina van [slachtoffer] . Ook de enkele opmerking van [slachtoffer] tegenover haar moeder, dat zij tijdens het studioverhoor eerlijk was geweest, biedt onvoldoende steunbewijs dat sprake is van seksueel binnendringen. Bij deze stand van zaken dient de verdachte te worden vrijgesproken van wat onder feit 1 primair ten laste is gelegd . Feit 1 subsidiair De rechtbank acht hetgeen onder feit 1 subsidiair aan de verdachte ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen gelet op: de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting op 22 januari 2019; de aangifte namens [naam 1] , met bijlage I. Feit 2 De rechtbank acht wat onder feit 2 aan de verdachte ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen gelet op: de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting op 22 januari 2019; het proces-verbaal , relaas van onderzoek, waarin wordt gerelateerd dat op 27 juni 2016 door de vriendin van de verdachte aan verbalisant [verbalisant] de laptop van de verdachte wordt afgegeven; - het aparte proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal; 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte 1. subsidiair meermalen in de periode van 5 april 2015 tot en met 31 december 2015 in de gemeente Venlo, met [slachtoffer] , geboren op [2009] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hierin bestaande dat hij, verdachte, die [slachtoffer] telkens ontuchtig op haar buik en vagina heeft gekust; 2. in de periode van 01 december 2014 tot en met 27 juni 2016 in Nederland een gegevensdrager, te weten een laptop/notebook (merk Toshiba), bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt is betrokken, in bezit heeft gehad welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit: -het met de penis of een vinger vaginaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt (Afbeelding 1 met bestandsnaam [bestandsnaam] , p. 4 pv beschrijving kipo en/of afbeelding 5 met bestandsnaam [bestandsnaam] , p. 4 pv beschrijving kipo) en/of het met hand betasten en/of aanraken van de borsten van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of het met de hand betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel van een ander persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt (Afbeelding 2 met bestandsnaam [bestandsnaam] , p. 4 pv beschrijving kipo en/of afbeelding 3 met bestandsnaam [bestandsnaam] , p. 4 pv beschrijving kipo) en/of het naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon poseert in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij haar leeftijd past en de uitsnede van de foto nadrukkelijk de borsten in beeld gebracht worden waarbij de afbeelding aldus een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en strekt tot seksuele prikkeling (Afbeelding 4 met bestandsnaam [bestandsnaam] , p. 4 pv beschrijving kipo) De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op: ten aanzien van feit 1 subsidiair: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd ten aanzien van feit 2: een gegevensdrager, bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken in bezit hebben; Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De straf 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft, op grond van wat hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, inclusief toezicht van de reclassering. De officier van justitie heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden gevorderd. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat de strafeis buitenproportioneel is gelet op het tijdsverloop sinds de ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft verder verzocht om bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de bereidwillige opstelling van de verdachte tijdens het onderzoek en de omstandigheid dat de verdachte vrijwillig een behandeling ondergaat. Voorts heeft de raadsman naar voren gebracht dat de verdachte geen rekening meer hoefde te houden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ten aanzien van feit 2, omdat de politie aan hem de toezegging heeft gedaan dat hij vervolging kon voorkomen door deel te nemen aan het zogenoemde Indigo-traject en hem daarover ook een folder heeft verstrekt. Het is de vraag of dadelijke tenuitvoerlegging van bijzondere voorwaarden noodzakelijk is, omdat het vonnis snel onherroepelijk kan worden. Ook is volgens de reclassering het recidiverisico laag zodat er geen grondslag is voor dadelijke uitvoerbaarheid. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht met de destijds 6-jarige dochter van zijn vriendin. De verdachte heeft hiermee op ernstige wijze inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer en haar lichamelijke integriteit. Dat de ontucht heeft plaatsgevonden in een huiselijke en voor het slachtoffer vertrouwde omgeving, waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen, maakt de impact voor het slachtoffer des te groter. Ook heeft de verdachte het risico genomen dat de normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft, voor haar is doorkruist. Volgens de slachtofferverklaring die [slachtoffer] moeder tijdens de zitting heeft voorgelezen, lijkt [slachtoffer] zich op dit moment gelukkig goed te ontwikkelen. Het is echter een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. Schade die zich vaak pas op latere leeftijd openbaart. De verdachte heeft destijds bij de gevolgen voor zijn slachtoffer niet stilgestaan. Integendeel, aanvankelijk legde hij de schuld van het gebeuren bij [slachtoffer] . Gelukkig is de verdachte, na behandeling bij “ [naam 2] ”, inmiddels tot het inzicht gekomen dat er maar één schuldige is en dat is hijzelf. Verder heeft de verdachte kinderporno in zijn bezit gehad. In totaal zijn op zijn computer 235 afbeeldingen aangetroffen die als kinderpornografisch kunnen worden aangemerkt. Dit is moreel verwerpelijk en maatschappelijk zeer ongewenst, omdat bij de vervaardiging van deze afbeeldingen kinderen op zeer grove wijze seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. In veel gevallen lopen de kinderen die aan de productie van kinderporno en het daarmee gepaard gaande seksuele misbruik worden blootgesteld ernstige psychische schade op. Daarbij is het een gegeven dat kinderpornografisch materiaal op internet circuleert, wat betekent dat de in de desbetreffende kinderpornobeelden betrokken kinderen tot in lengte van jaren slachtoffer kunnen blijven. De verdachte heeft bij dit grove seksuele misbruik kennelijk niet stilgestaan. De rechtbank slaat bij de bepaling van de straf acht op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Deze gaan bij het bezit van kinderporno uit van een taakstraf van 240 uur en een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan een kort gedeelte onvoorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden. Bezit van kinderporno is echter niet het enige waaraan verdachte zich schuldig heeft gemaakt. Voor de ontucht bestaan evenwel geen oriëntatiepunten. De rechtbank slaat acht op het blanco strafblad van de verdachte en het over zijn persoon opgemaakte reclasseringsadvies van 26 oktober 2017 en het aanvullend reclasseringsadvies van 21 december 2018. Blijkens dit advies heeft de verdachte baat bij de behandeling in de forensische polikliniek [naam 2] . Er zijn positieve resultaten geboekt, maar er dient volgens de behandelaar nog aandacht te zijn voor de copingvaardigheden van de verdachte en het risico van overvraging. De reclassering heeft het recidiverisico ingeschat als laag, mits het veiligheidsplan en de huidige medicatie worden voortgezet. Het risico op onttrekking aan bijzondere voorwaarden wordt ingeschat als laag. De verdachte komt de huidige afspraken binnen de (vrijwillige) hulpverlening goed na. De reclassering heeft een (deels) voorwaardelijke straf geadviseerd met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, begeleiding vanuit Middin of soortgelijke instelling, het vermijden van kinderporno, meewerken aan een zedenconvenant, toestemming aan de reclassering verschaffen voor het raadplegen van referenten, openheid geven ten aanzien van (partner)relatie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.