RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Burgerlijk recht Zaaknummer: 8075026 AZ VERZ 19-89 Beschikking van de kantonrechter van 11 december 2019 in de zaak van [verzoekster] wonend in [woonplaats] aan het [adres] , verzoekende partij, gemachtigde mr. B.M.G. Paulissen tegen de stichting stichting limburgs voortgezet onderwijs, samenwerkingsbestuur voor bijzonder en openbaar onderwijs, gevestigd in (6135 KW) Sittard aan het adres Mercator 1, verwerende partij, gemachtigde mr. H.A.A. Berendsen. Partijen zullen hierna [verzoekster] en LVO genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het op 27 september 2019 ter griffie per fax ontvangen verzoekschrift het verweerschrift de aanvullende bijlagen van de zijde van [verzoekster] de mondelinge behandeling ter zitting waar partijen hun standpunten nader hebben toegelicht aan de hand van een pleitnota. 1.2. Ten slotte is beschikking bepaald. 2De feiten 2.1. [verzoekster] is op 2 november 2010 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst getreden van LVO, aanvankelijk voor 0,2308 fte en voor bepaalde tijd, maar vanaf (in ieder geval) 1 augustus 2015 voor onbepaalde tijd. 2.2. Bij brief van 24 juli 2015 heeft LVO een aantal uitbreidingen van de omvang van haar dienstverband aangeboden ingaande 1 augustus 2015 van in totaal 0,8846 fte, wegens vervanging van enkele tijdelijk afwezige werknemers, waarmee [verzoekster] uit zou komen op 1,0 fte. [verzoekster] heeft dat aanbod aanvaard. In die brief staat tevens het volgende vermeld: “De tijdelijke uitbreiding eindigt van rechtswege zonder dat opzegging is vereist bij gehele of gedeeltelijke terugkeer van genoemde werknemer. De tijdelijke uitbreiding eindigt eveneens van rechtswege zonder dat opzegging is vereist, indien het dienstverband met genoemde werknemer eindigt. Deze tijdelijke uitbreiding van uw betrekkingsomvang eindigt in elk geval van rechtswege op 1 augustus 2016 (art. 1O.a.2 lid 2 CAO VO 2014/2015).” 2.3. Bij brief van 17 oktober 2016 heeft LVO wederom uitbreidingen van de omvang van haar dienstverband aangeboden, ditmaal ingaande 1 augustus 2016, waarmee haar fte op 1,00 zou uitkomen. [verzoekster] heeft ook dit aanbod aanvaard. In die brief staat het navolgende vermeld: “De tijdelijke uitbreiding eindigt van rechtswege zonder dat opzegging is vereist bij gehele of gedeeltelijke terugkeer van genoemde werknemer. De tijdelijke uitbreiding eindigt eveneens van rechtswege zonder dat opzegging is vereist, indien het dienstverband met genoemde werknemer eindigt. Deze tijdelijke uitbreiding van uw betrekkingsomvang duurt in elk geval uiterlijk tot en met 31 juli 2017 waarna deze van rechtswege eindigt (art. 10.a.2. lid 2 CAO VO 2016/2017).” 2.4. Bij brief van 21 augustus 2017 heeft LVO nogmaals een uitbreiding van de omvang van het dienstverband aan [verzoekster] aangeboden, ingaande 1 augustus 2017. Ook dit aanbod is door [verzoekster] aanvaard. In de brief staat het volgende vermeld: “De tijdelijke uitbreiding eindigt van rechtswege zonder dat opzegging is vereist bij gehele of gedeeltelijke terugkeer van genoemde werknemer. De tijdelijke uitbreiding eindigt eveneens van rechtswege zonder dat opzegging is vereist, in dien het dienstverband van genoemde werknemer eindigt. Deze tijdelijke uitbreiding van uw betrekkingsomvang duurt in elk geval uiterlijk tot en met 31 juli 2018, waarna deze van rechtswege eindigt (art. 10.a.2. lid 2 CAO VO 2016/2017).” Tevens staat in die brief dat de totale werktijdfactor vanaf 1 augustus 2017 0,7308 fte bedraagt. 2.5. Bij brief van 5 oktober 2017 heeft LVO nog een uitbreiding van het dienstverband aangeboden, ditmaal van 0.292 fte ingaande 11 september 2017 en vanwege het project ‘Gepersonaliseerd Leren’, die wederom door [verzoekster] is aanvaard. De brief vermeld voorts: “Deze tijdelijke uitbreiding van uw betrekkingsomvang duurt in elk geval uiterlijk tot en met 31 juli 2018 - of eerder zodra de werkzaamheden u niet langer worden opgedragen - waarna deze van rechtswege eindigt als het project eindigt/de contractactiviteiten eindigen (art. 10.a.2. lid 4/5 CAO VO 2016/2017.” 2.6. Bij brief van 20 augustus 2018 heeft LVO het navolgende aan [verzoekster] medegedeeld: “Geachte mevrouw [verzoekster] , Hierbij bevestigen wij, dat wij zijn overeengekomen uw dienstverband met ingang van 01 augustus 2018 als volgt te wijzigen. De tijdelijke uitbreiding van uw betrekking als docent LB bij het [naam school] te [vestigingsplaats] met 0,5 fte naar 1,0 fte wordt voor bepaalde tijd verlengd wegens het project GPL. Deze tijdelijke uitbreiding van uw betrekkingsomvang duurt in elk geval uiterlijk tot en met 31 juli 2019 - of eerder zodra de werkzaamheden u niet langer worden opgedragen -, waarna deze van rechtswege eindigt als het project eindigt/de contractactiviteiten eindigen (art. 10.a.2. lid 4/5 CAO VO 2016/2017).” 2.7. Vanaf 22 november 2018 is [verzoekster] onafgebroken arbeidsongeschikt. 2.8. Vanaf 1 augustus 2019 ontvangt [verzoekster] loon op basis van 0,5 fte. 3De vordering en het verweer 3.1. [verzoekster] verzoekt - kort gezegd - om voor recht te verklaren dat op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor 1,0 fte in dienst is van LVO en om het loon dienovereenkomstig uit te betalen (inclusief rente en wettelijke verhoging voor zover dat aan de orde is). Voor het geval vast zou komen te staan dat LVO de arbeidsovereenkomst gedeeltelijk (voor 0,5 fte) heeft opgezegd, verzoekt zij om vernietiging van die opzegging, een en ander onder verwijzing van LVO in de proceskosten en de nakosten. 3.2. [verzoekster] beroept zich op de zogenoemde ketenregeling van art. 7:688a BW. Zij krijgt sinds enkele jaren aansluitend de ene na de andere tijdelijke uitbreiding op haar arbeidsomvang naar 1 fte, zonder dat dit wordt geconverteerd in een vast dienstverband voor 1 fte. Daarmee ontduikt LVO de ketenregeling. Onder 60 van het verzoekschrift spreekt [verzoekster] nog van een subsidiaire vordering. Deze keert uiteindelijk in het petitum niet terug, zodat de kantonrechter deze verder buiten beschouwing zal laten. 3.3. LVO heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna zal worden ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Uit de inhoud van de brief van 20 augustus 2018 zoals hierboven aangehaald, kan worden afgeleid dat LVO zelf de mening is toegedaan dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in ieder geval vanaf 1 augustus 2018 een omvang had van 0,5 fte. 4.2. [verzoekster] heeft het verzoek tijdig ingediend, omdat dit is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop een deel van de arbeidsovereenkomst op basis van haar stellingen zou zijn geëindigd (artikel 7:686a lid 4 onder a BW). 4.3. Het geschil draait rond de vraag of onder het regime van de van toepassing zijnde onderwijs cao VO (2018-2019) door de hiervoor benoemde reeks van tijdelijke urenuitbreidingen op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van 0,5 FTE inmiddels een arbeidsovereenkomst met een omvang van 1 FTE voor onbepaalde tijd is ontstaan op grond van artikel 7:668a lid 1 onder b BW (de zogenoemde ‘ketenregeling’). Voor beantwoording van deze vraag is van belang of de laatste tijdelijke urenuitbreiding, eindigend op 1 augustus 2019 als een nieuwe opvolgende arbeidsovereenkomst dient te worden beschouwd. Indien dit het geval is, is deze laatste tijdelijk uitbreiding te beschouwen als de vierde in de keten. Dit is de reden dat [verzoekster] zich beroept op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een omvang van 1 fte. 4.4. Eén van de kernelementen van de Wet flexibiliteit en zekerheid uit 1999 was het streven naar evenwicht tussen enerzijds de behoefte van werkgevers om opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te kunnen sluiten zonder al te snel aan de betrokken werknemers vast te zitten en anderzijds de behoefte van werknemers aan arbeidszekerheid. 4.5. Eind jaren ’90 was in Europees verband het evenwicht tussen de bedoelde flexibiliteit en zekerheid onderwerp van overleg. Dit heeft geleid tot de Raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, op 18 maart 1999 gesloten door het EVV, de UNICE en het CEEP (de Europese vakbond en werkgeversverenigingen). Het doel van deze raamovereenkomst was onder meer om ‘een kader vast te stellen om misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd te voorkomen.’ Clausule 5 lid 1 van de raamovereenkomst luidt: ‘Teneinde misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd te voorkomen, voeren de lidstaten, na raadpleging van de sociale partners (-), en/of de sociale partners, wanneer er geen gelijkwaardige wettelijke maatregelen ter voorkoming van misbruik bestaan, op een wijze die rekening houdt met de behoeften van bepaalde sectoren en/of categorieën werknemers, een of meer van de volgende maatregelen in:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.