RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer: 03/661257-16 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 april 2019 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1969, ter terechtzitting opgegeven verblijfadres: [adres] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. A.C.J. Lina, advocaat, kantoorhoudende te Venlo. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 april 2019. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: feit 1: op 7 maart 2016 in Venlo opzettelijk 629 hennepplanten heeft geteeld of aanwezig heeft gehad; feit 2: in de periode van 2 november 2015 tot en met 7 maart 2016 in Venlo elektriciteit heeft gestolen door middel van braak of verbreking. 3De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd het ten laste gelegde onder feit 1 en feit 2 bewezen te verklaren. Volgens de officier van justitie kan niet worden bewezen dat de verdachte de hennepplanten heeft geteeld, maar wel dat de verdachte de hennepplanten opzettelijk aanwezig heeft gehad (feit 1). 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het opzettelijk telen van hennepplanten (feit 1) en van de diefstal van elektriciteit (feit 2). Volgens de raadsman kan het opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten (feit 1) wel worden bewezen. 3.3 Het oordeel van de rechtbank 3.3.1 Vrijspraakoverwegingen ten aanzien van feit 2: De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal van elektriciteit. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de verdachte zelf werkzaamheden heeft verricht aan de elektriciteitsvoorziening of dat hij zelfs wist dat de elektriciteit illegaal werd afgetapt. Het standpunt van de officier van justitie dat het een feit van algemene bekendheid is dat bij het telen van hennep elektriciteit wordt gestolen, volgt de rechtbank niet. Dit gebeurt weliswaar vaak, maar niet altijd. Daarom vergt deze verdenking nader bewijs. Nu dit ontbreekt, wordt de verdachte vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde. 3.3.2 Bewijsmiddelen en overwegingen ten aanzien van feit 1: De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het telen, bereiden, bewerken of verwerken van hennepplanten. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging. De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, wel van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte op 7 maart 2016 in Venlo opzettelijk 629 hennepplanten aanwezig heeft gehad. De rechtbank volstaat met een opgave van de bewijsmiddelen, omdat de verdachte het feit heeft bekend en er namens hem geen vrijspraak is bepleit (artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering). De rechtbank acht het feit bewezen gelet op: de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting; het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte feit 1 op 07 maart 2016 in de gemeente Venlo opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand gelegen aan de [Adres 1] een hoeveelheid van in totaal 629 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op: feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De straf en/of de maatregel 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaar. Aan deze proeftijd moeten de bijzondere voorwaarden en toezicht door de reclassering worden verbonden, zoals de reclassering heeft geadviseerd, en deze bijzondere voorwaarden en het toezicht moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat de duur van de taakstraf moet worden gematigd, gelet op de gezondheidstoestand van de verdachte. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft 629 hennepplanten opzettelijk aanwezig gehad. Dat wordt door de wetgever aangemerkt als een grote hoeveelheid. Dit is een ernstig misdrijf, want hennep bevat de voor de volksgezondheid schadelijke stof THC en is daarom door de wetgever op de bij de Opiumwet behorende lijst II geplaatst. Het is een feit van algemene bekendheid dat de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard gaan met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend. De rechtbank gaat bij het bepalen van de strafmaat uit van de oriëntatiepunten voor straftoemeting die ontwikkeld zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor de bestraffing van hennepteelt met betrekking tot een hennepkwekerij bestaande uit 500 tot 1.000 hennepplanten gaat het dan om een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden in combinatie met een taakstraf van 180 uren voor verdachten die zich voor het eerst schuldig hebben gemaakt aan hennepteelt, zoals de verdachte. Weliswaar is in deze zaak het aanwezig hebben van hennep bewezen verklaard en niet de hennepteelt, maar gelet op de grote hoeveelheid moet de hennep voor verdere verspreiding zijn bedoeld. Daarom acht de rechtbank dit oriëntatiepunt ook als uitgangspunt toepasbaar op deze verdachte. De rechtbank zal in het voordeel van de verdachte rekening houden met het lange tijdsverloop tussen het eerste verhoor van de verdachte en de datum van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Daarnaast heeft de rechtbank oog voor hetgeen de reclassering over de verdachte heeft gerapporteerd. Samengevat komt het erop neer dat hij met zijn rug tegen de muur staat omdat hij niet beschikt over inkomen, huisvesting en werk, gebukt gaat onder een jarenlange gokverslaving en kampt met serieuze hartklachten. Positief is dat de verdachte inmiddels verblijft bij begeleid wonen instelling [Naam 1] en open staat voor behandeling gericht op zijn verslaving. Alles overwegende zal de rechtbank aan de verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van honderdtwintig uren, te vervangen door zestig dagen hechtenis indien de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht. De rechtbank zal daarnaast ter voorkoming van recidive een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden opleggen, met een proeftijd van twee jaar. Aan deze proeftijd zullen de volgende voorwaarden worden verbonden: meldplicht bij de reclassering, behandeling door de ambulante verslavingszorg en verblijf bij Stichting [Naam 1] of een andere instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. De rechtbank zal de reclassering opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden. De officier van justitie heeft conform het reclasseringsadvies een bevel gevorderd dat de voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Dit kan de rechtbank volgens artikel 14e lid 1 Sr echter alleen bevelen als er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daar is echter geen sprake van. Daarom wijst de rechtbank die vordering af. 7De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 van 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 8De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 2; Bewezenverklaring verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte voor feit 1 tot een gevangenisstraf van twee
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.