RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/700471-17, 03/700033-17 en 03/866048-18 (ter terechtzitting gevoegd) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 maart 2019 in de strafzaak tegen [naam verdachte] , geboren te [geboortegegevens verdachte] , gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Vught. De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.W. Heemskerk, advocaat, kantoorhoudende te Roermond. 1Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van de inhoudelijke behandeling van de zaak op de zittingen van 11, 12 en 13 februari 2019. Het onderzoek is door de rechtbank gesloten op de zitting van 26 februari 2019. De verdachte en zijn raadsman zijn bij de inhoudelijke behandeling verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van hetgeen naar voren is gebracht namens de slachtoffers en benadeelde partijen, te weten: [benadeelde partij 1] , bijgestaan door mr. F. Oehlen, advocaat te Beek; [benadeelde partij 2] , bijgestaan door mr. A. Sarkis, advocaat te Maastricht; [benadeelde partij 3] , bijgestaan door mr. S. Ikiz, advocaat te Vaals; De nabestaanden van [slachtoffer 1] - zijn vrouw [benadeelde partij 4] en zonen [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] . [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] werden daarbij bijgestaan door mr. Oehlen, voornoemd. [benadeelde partij 6] werd bijgestaan door mr. P. Boonen, advocaat te Sittard; [benadeelde partij 7] , tevens nabestaande van [slachtoffer 2] , bijgestaan door mr. Ikiz, voornoemd; De overige nabestaanden van [slachtoffer 2] - haar man [benadeelde partij 8] , zonen [benadeelde partij 9] en [benadeelde partij 10] , dochters [benadeelde partij 11] en [benadeelde partij 12] en schoonzoon [benadeelde partij 13] - allen bijgestaan door mr. Sarkis, voornoemd en schoonzoon [benadeelde partij 14] , bijgestaan door mr. L. Bien, advocaat te Maastricht; [benadeelde partij 15] en [benadeelde partij 16] , bijgestaan door mr. Sarkis, voornoemd; [benadeelde partij 17] , bijgestaan door mr. Bien, voornoemd; [benadeelde partij 18] en [benadeelde partij 19] , bijgestaan door mr. Sarkis, voornoemd. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen in het kader van het spreekrecht naar voren is gebracht door of namens [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 8] , [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 9] , [benadeelde partij 11] , [benadeelde partij 15] , [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 18] , [benadeelde partij 19] en [benadeelde partij 20] . 2De tenlastelegging De tenlastelegging is op de regiezitting van 16 november 2018 en de zitting van 11 februari 2019 gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er - na wijziging -, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: Parketnummer 03/700033-17 primair, subsidiair, meer subsidiair, uiterst subsidiair: op 20 januari 2017 in Maastricht geprobeerd heeft [benadeelde partij 1] van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan [benadeelde partij 1] , dan wel geprobeerd heeft zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [benadeelde partij 1] , dan wel [benadeelde partij 1] heeft mishandeld; Parketnummer 03/866048-18 op 12 december 2017 in Maastricht [benadeelde partij 2] heeft mishandeld; Parketnummer 03/700471-17 telkens op 14 december 2017 in Maastricht: feit 1: [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd al dan niet met voorbedachte raad; feit 2: [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd al dan niet met voorbedachte raad; feit 3 primair: na de moord/doodslag op [slachtoffer 2] heeft geprobeerd E. [benadeelde partij 7] van het leven te beroven, om de uitvoering van dat eerdere feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad zijn straffeloosheid te verzekeren; subsidiair: zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan E. [benadeelde partij 7] ; feit 4 primair: na de moord/doodslag op [slachtoffer 2] heeft geprobeerd [benadeelde partij 15] van het leven te beroven, om de uitvoering van dat eerdere feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad zijn straffeloosheid te verzekeren; subsidiair: geprobeerd heeft zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [benadeelde partij 15] ; feit 5: [benadeelde partij 3] heeft mishandeld. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie Parketnummer 03/700033-17 De officier van justitie acht te bewijzen dat de verdachte [benadeelde partij 1] in zijn been heeft gestoken. Hij heeft daarbij verwezen naar hetgeen de getuige [getuige 1] heeft verklaard over de fysieke confrontatie tussen de verdachte en [benadeelde partij 1] en de verklaring van de verdachte dat hij gedurende de verwurging [benadeelde partij 1] heeft gestoken met een mes. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken moet worden van de primair tenlastegelegde poging om [benadeelde partij 1] te doden, omdat het bewijs daarvoor ontbreekt. Wel acht hij te bewijzen dat de verdachte [benadeelde partij 1] zwaar heeft mishandeld, gelet op het letsel van [benadeelde partij 1] . Parketnummer 03/866048-18 De officier van justitie acht te bewijzen dat de verdachte [benadeelde partij 2] heeft geslagen op grond van de camerabeelden die zijn toegevoegd aan het dossier, de aangifte van [benadeelde partij 2] en de getuigenverklaring van [getuige 2] . Parketnummer 03/700471-17 feit 1 De officier van justitie acht te bewijzen dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft gedood door hem de keel door te snijden en meermalen in het hoofd en het lichaam te steken. Hij heeft daarbij verwezen naar de 112-melding, de getuigenverklaring van [getuige 3] , het sporenonderzoek in de woning van [slachtoffer 1] en de bevindingen van het onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer 1] . Een aantal van de letsels die daarbij zijn vastgesteld past niet bij letsels die ontstaan bij zelfverdediging. De officier van justitie acht niet te bewijzen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, omdat het bewijs daarvoor ontbreekt. feit 2, feit 3 en feit 4 De officier van justitie acht het onder feit 2 tenlastegelegde te bewijzen. De verdachte is nadat hij [slachtoffer 1] heeft gedood met een mes naar - specifiek - de woning van de familie [familie slachtoffer 2] gegaan. Toen de deur werd geopend door [slachtoffer 2] heeft de verdachte gevraagd: “Waar is hij?” en is de verdachte meteen met veel kracht op haar ingaan steken. Zij is daardoor komen te overlijden. De verdachte heeft daarbij gehandeld met voorbedachte raad. De officier van justitie acht ook het onder feit 3 primair en feit 4 primair tenlastegelegde te bewijzen. De verdachte heeft [benadeelde partij 7] in haar gezicht en lichaam gestoken toen zij tussen de verdachte en haar moeder [slachtoffer 2] ging staan. Vervolgens, toen buurman [benadeelde partij 15] te hulp schoot en deze de verdachte met een moersleutel op zijn hoofd sloeg, heeft de verdachte ook [benadeelde partij 15] met het mes in zijn hoofd gestoken. Daarna is de verdachte gevlucht. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 15] heeft gestoken en heeft geprobeerd van het leven te beroven om zijn straffeloosheid te verzekeren. De officier van justitie heeft voor het bewijs van de feiten verwezen naar de getuigenverklaringen van [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 15] en de echtgenote van [benadeelde partij 15] , [benadeelde partij 16] , de beschrijving van het letsel van [benadeelde partij 7] en naar de bevindingen van het onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer 2] en dan met name naar de diepte, locatie en richting van de steekletsels. Verder volgt uit het sporenonderzoek dat er bloed van [slachtoffer 2] en [benadeelde partij 7] is aangetroffen op een schoen van de verdachte en op het mes dat de verdachte bij zich droeg toen hij aankwam bij het Turks Cultureel Centrum. [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 15] hebben de verdachte herkend als de persoon die [slachtoffer 2] heeft doodgestoken en henzelf heeft gestoken. Feit 5 De officier van justitie acht te bewijzen dat de verdachte [benadeelde partij 3] heeft mishandeld door hem tegen zijn hoofd te slaan. Hij heeft verwezen naar de camerabeelden die zich in het dossier bevinden en de aangifte van [benadeelde partij 3] . De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen bewijs is dat de verdachte op dat moment een blikje frisdrank in zijn hand had. 3.2 Het standpunt van de verdediging Parketnummer 03/700033-17 De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit van alle tenlastegelegde varianten. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is vast komen te staan dat het mes van de verdachte was en dat niet is komen vast te staan dat de verdachte [benadeelde partij 1] opzettelijk heeft gestoken en/of opzettelijk met het mes stekende bewegingen naar het lichaam van [benadeelde partij 1] heeft gemaakt. Voor de laatste beschuldiging vindt de aangifte in zijn geheel geen steun in andere bewijsmiddelen. Verder is onvoldoende duidelijk geworden hoe de verwondingen van [benadeelde partij 1] zijn ontstaan. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de verdachte ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging nu hij heeft gehandeld uit noodweer. [benadeelde partij 1] heeft de verdachte immers onverhoeds aangevallen met een stok en vervolgens in een verwurging genomen. Vervolgens zag de verdachte dat [benadeelde partij 1] een mes in zijn handen had en dat dit mes gericht was op de verdachte. De verdachte heeft de hand van [benadeelde partij 1] zo kunnen draaien dat het mes op [benadeelde partij 1] gericht werd. In de worsteling zou [benadeelde partij 1] vervolgens gewond zijn geraakt door het mes. In een dergelijke situatie is het steken van een mes in een been niet in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Verder heeft de raadsman een beroep gedaan op noodweerexces. Door de angst die de verdachte reeds voor het tenlastegelegde feit voor [benadeelde partij 1] had en de daaropvolgende aanval van [benadeelde partij 1] is het aannemelijk dat bij de verdachte sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging. Meer subsidiair heeft de raadsman bepleit dat er geen sprake is van een poging tot doodslag. [benadeelde partij 1] is in zijn been gestoken en het been bevat geen vitale organen. Dit betekent dat de aannemelijke kans op dodelijk letsel niet zonder meer is gegeven. De verdachte heeft de kans op dodelijk letsel ook niet bewust aanvaard. Parketnummer 03/866048-18 De raadsman is van mening dat de verdachte ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging, omdat deze heeft gehandeld uit noodweer dan wel putatief noodweer. Op het moment dat de verdachte [benadeelde partij 2] met versnelde pas op hem zag afkomen, voelde de verdachte zich aangevallen, nu er net daarvoor een confrontatie tussen hem en [benadeelde partij 2] had plaatsgevonden. Door een vuistslag uit te delen heeft de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging gerespecteerd. Parketnummer 03/700471-17 feit 1 De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte voor het doodsteken van [slachtoffer 1] ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer. Volgens de verdachte heeft [slachtoffer 1] hem als eerste aangevallen met een mes en een schaar. De verdachte heeft hier ook letsel bij opgelopen. Subsidiair, heeft de raadsman gesteld dat het procesdossier geen bewijs bevat dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad zodat hij daarvoor partieel dient te worden vrijgesproken. feit 2 De raadsman heeft erop gewezen dat de verdachte zich niets kan herinneren van het doodsteken van [slachtoffer 2] . Het procesdossier bevat ook geen bewijs voor het bestaan hebben van een vooropgezet plan bij de verdachte. De verdachte moet daarom worden vrijgesproken van dat deel van de tenlastelegging dat inhoudt dat hij bij het doodsteken van [slachtoffer 2] met voorbedachte raad heeft gehandeld. feit 3 De raadsman heeft partiële vrijspraak bepleit voor de strafverzwarende omstandigheid dat de verdachte [benadeelde partij 7] heeft verwond om de moord/doodslag op [slachtoffer 2] voor te bereiden en/of gemakkelijker te maken, dan wel om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren. Uit het omschreven gedrag van de verdachte valt dit niet op te maken. feit 4 De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging doodslag op [benadeelde partij 15] . Uit het zwaaien of het maken van een stekende beweging in de richting van [benadeelde partij 15] , kan onvoldoende blijken dat de verdachte welbewust het risico op de koop toe heeft genomen dat [benadeelde partij 15] door het handdelen van de verdachte zou kunnen komen te overlijden. Daarnaast heeft [benadeelde partij 15] relatief gezien een lichte wond opgelopen waaruit geconcludeerd kan worden dat de intensiteit van de zwaai-/steekbeweging gering is geweest. Subsidiair heeft de raadsman partiele vrijspraak bepleit van het strafverzwarende element. De geweldshandeling van de verdachte lijkt niet te zijn ingegeven door zijn wens om een straf te ontlopen, maar vormde de verdediging tegen de slagen van [benadeelde partij 15] met de moersleutel. feit 5 De raadsman heeft zich voor wat betreft de bewijsbaarheid van de mishandeling van [benadeelde partij 3] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Inleiding De rechtbank zal bij de beoordeling van de feiten de chronologische volgorde waarin deze feiten zich hebben afgespeeld aanhouden. Zij zal dus beginnen met de bespreking van hetgeen op 20 januari 2017 gebeurd is om vervolgens stil te staan bij het feit van 12 december 2017. De rechtbank zal afsluiten met de bespreking van de feiten die op 14 december 2017 zijn gebeurd en zal daarbij, nu dit feit op die dag als eerste plaatsvond, dan eerst de mishandeling van [benadeelde partij 3] (feit 5) bespreken. 20 januari 2017 (parketnummer 03/700033-17) Wat is er gebeurd? Op vrijdag 20 januari 2017 krijgen de verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] , omstreeks 13.30 uur, de melding om naar de [adres 1] te Maastricht te gaan. Daar zou iemand zijn neergestoken. Ter plaatste zien de verbalisanten iemand op de grond liggen met een bloedende wond aan zijn been. Dit blijkt [benadeelde partij 1] te zijn. Een omstander, [getuige 1] , vertelt aan de verbalisanten dat hij getuige is geweest van een ruzie tussen het slachtoffer en ene [naam verdachte] . Deze zou wonen aan de Tongerseweg. Het slachtoffer was bij de ruzie neergestoken door [naam verdachte] . Als de verbalisanten [getuige 1] meenemen naar het politiebureau om zijn getuigenverklaring te kunnen opnemen, rijden zij via de door [getuige 1] geduide vluchtrichting van de verdachte. Op de [adres 2] ziet [getuige 1] dan de verdachte van de steekpartij lopen. Als de verbalisanten de auto uit stappen, rent de verdachte weg. Uiteindelijk blijft hij op de [adres 3] staan en kijkt hij de verbalisanten met een verwilderde blik aan. Op herhaalde aanwijzingen van de verbalisanten, die op dat moment hun handen op hun dienstwapens hebben, haalt de verdachte zijn hand uit zijn jaszak. Het mes dat hij in zijn hand blijkt te hebben, laat hij op de grond vallen. Daarop wordt de verdachte, genaamd [naam verdachte] , aangehouden. [benadeelde partij 1] doet diezelfde dag aangifte tegen de verdachte. Hij verklaart dat hij op 20 januari 2017 de verdachte in de moskee was tegengekomen. Op enig moment zijn zij samen naar buiten gelopen. Daar pakte de verdachte plotseling een mes van ongeveer 25 centimeter lang uit zijn broeksband. De verdachte probeerde hem met dat mes links in zijn nek te steken. [benadeelde partij 1] probeerde daarop de rechterarm van de verdachte vast te pakken. Er ontstond een worsteling waarbij zij samen op de grond terechtkwamen. Op enig moment lukte het [benadeelde partij 1] om de verdachte in een verwurging te pakken. De verdachte zei toen: “I kill you.” De verdachte bewoog een paar maal met zijn rechterarm in de richting van [benadeelde partij 1] . Op een gegeven moment zag [benadeelde partij 1] bloed en bemerkte hij dat hij gestoken was door de verdachte. Hij zag toen [getuige 1] staan en riep hem om hulp. [getuige 1] heeft vervolgens [naam verdachte] vastgepakt. [benadeelde partij 1] kon op dat moment wegrennen. Even verderop is hij duizelig geworden en op de grond gevallen. Dat was op de plaats waar de ambulance hem heeft meegenomen. [benadeelde partij 1] is behandeld in het Academisch Ziekenhuis Maastricht. Hij bleek twee steekverwondingen in zijn linkerbeen te hebben: aan de achterzijde van zijn linker bovenbeen en in de knieholte. Daarbij ontstond vaat- en zenuwletsel. Op de operatiekamer werden de wonden onderzocht en bleek er een bloeding in het diepe veneuze systeem te zijn. Hij is twee keer geopereerd aan zijn verwondingen. Na vijf dagen in het ziekenhuis te hebben verbleven is hij ontslagen. Nog altijd heeft [benadeelde partij 1] pijnklachten, mede door een posttraumatisch neuroom, een verminderd gevoel in zijn voet en knieklachten als gevolg van een veranderd looppatroon. De getuige [getuige 1] verklaart op 20 januari 2017 dat ze net de moskee hadden verlaten en dat hij die twee personen [de rechtbank begrijpt het slachtoffer en de verdachte] samen zag lopen. Ze liepen door en hij, [getuige 1] , liep achter hen. Ze liepen in de richting van een parkje en ze begonnen te vechten. Daarna riep het slachtoffer naar [getuige 1] : “Kom snel, kom snel, hij heeft een mes en probeert mij te steken.” Toen hij bij hen aankwam, lagen [benadeelde partij 1] en de verdachte op de grond en waren ze aan het vechten. Hij zag dat [benadeelde partij 1] was gestoken. Verder zag hij dat de verdachte een mes in zijn hand had. [getuige 1] pakte de arm vast waarmee de verdachte het mes vasthield en zei meermalen dat hij het mes moest loslaten. [getuige 1] gaf ook een klap op de hand van de verdachte. Op een gegeven moment liet de verdachte het mes los. Daarna stond de verdachte op, pakte het mes en liep weg. De verklaring van de verdachte beoordeeld De verdachte heeft ontkend dat hij die dag een mes bij zich had. Hij heeft ter terechtzitting wel verklaard dat hij in een gevecht is geraakt met [benadeelde partij 1] op 20 januari 2017. Ter terechtzitting heeft hij ook verklaard dat op het moment dat hij in een verwurging lag, hij in de weerspiegeling van de ogen van [getuige 1] zag dat [benadeelde partij 1] een mes in zijn hand had. Vervolgens heeft hij de hand van [benadeelde partij 1] met het mes vastgepakt en omgedraaid. Op die manier is [benadeelde partij 1] mogelijk gewond geraakt. Aan deze verklaring hecht de rechtbank geen geloof. Naast het feit dat het al moeilijk te geloven is dat de verdachte, tijdens een gevecht, de gelegenheid en mogelijkheid had om in de weerspiegeling van de ogen van [getuige 1] te zien dat [benadeelde partij 1] een mes trok, was [getuige 1] , naar eigen zeggen, op dat moment ook nog niet ter plaatse. [getuige 1] komt immers pas bij [benadeelde partij 1] en de verdachte aan als [benadeelde partij 1] al is gestoken en de rechtbank heeft geen enkele aanleiding te vermoeden dat [getuige 1] hierover niet de waarheid zou spreken. Daarnaast heeft de rechtbank ook nog redenen te vermoeden dat het mes waarmee gestoken is, en anders dan hij verklaard heeft, wel degelijk van verdachte was en dat hij dat dus in het gevecht met [benadeelde partij 1] getrokken zal hebben. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat, nadat hij, [getuige 1] , had ingegrepen en de verdachte het mes had losgelaten, de verdachte opstond, het mes pakte en wegliep. Dit, tezamen met de uitroep van [benadeelde partij 1] , “Kom snel, kom snel, hij heeft een mes (…)” vormt voor de rechtbank een eerste aanwijzing dat verdachte het mes bij zich had en na het incident weer mee heeft genomen. Dat verdachte het mes bij zich had wordt daarbij ook verklaard door [benadeelde partij 1] , een tweede aanwijzing. De derde, en laatste, aanwijzing dat het mes van de verdachte was, vindt de rechtbank in de omstandigheid dat de verdachte bij zijn aanhouding, kort na het steekincident, ook een mes bij zich droeg. De rechtbank constateert aan de hand van de foto’s dat het hier een keramisch mes betrof met een groen handvat. Op het lemmet, wit van kleur, staat het opschrift “Paring”. Tijdens een doorzoeking verricht in de woning van de verdachte twee dagen later, is in de keuken een ander keramisch mes aangetroffen. Dit mes was voorzien van een grijs handvat en had een wit lemmet met het opschrift “Utility”. De verbalisant [naam verbalisant 3] trok daarop de conclusie dat het mes dat bij de verdachte thuis is aangetroffen wat betreft uiterlijk en vormgeving veel gelijkenis vertoont met het mes dat is achtergebleven op de plaats delict [de rechtbank begrijpt de plaats waar de verdachte bij zijn aanhouding het mes heeft laten vallen]. De rechtbank begrijpt dan, mede gelet op de opschriften, dat er sprake kan zijn van een set messen waarbij op het mes is aangeduid waarvoor het mes bedoeld is. De verdachte heeft voorts ook verklaard dat hij dit soort keramische messen heeft en dat hij deze heeft gekocht bij de Action. De constatering dat het bij de verdachte thuis aangetroffen mes veel gelijkenis vertoont met het mes dat verdachte bij zich droeg vormt dus, mede in het licht van hetgeen hierboven verder is opgemerkt, de derde aanwijzing dat het mes waarmee het delict is gepleegd van de verdachte was en dat hij dat getrokken zal hebben. Noodweer? De verdediging acht op grond van de verklaring van de verdachte sprake te zijn geweest van een noodweersituatie; de verdachte zou door [benadeelde partij 1] met een mes zijn aangevallen, hij, de verdachte, zou de hand van [benadeelde partij 1] hebben weten om te draaien en wellicht was [benadeelde partij 1] daarna en op die manier gewond geraakt. Nu de rechtbank, zoals hiervoor overwogen, geen geloof hecht aan de verklaring van de verdachte, acht zij ook de feitelijke situatie waarop het noodweerverweer gestoeld is, niet aannemelijk geworden. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen. Tussenconclusie De rechtbank acht gelet op het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 20 januari 2017 [benadeelde partij 1] opzettelijk met een mes heeft gestoken in diens bovenbeen. De vraag die dan in het licht van hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd moet worden beantwoord, is of dit een poging doodslag oplevert. Doodslag? Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte met zijn handelen het (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [benadeelde partij 1] . Om van voorwaardelijk opzet te kunnen spreken moet vast komen te staan dat er bij de bewezenverklaarde handelingen van de verdachte een aanmerkelijke kans bestond dat [benadeelde partij 1] daarbij de dood zou vinden. Een dergelijke kans kan niet worden aangenomen bij het steken van iemand in diens bovenbeen, zoals hier bewezen is verklaard. In het bovenbeen bevinden zich namelijk geen vitale organen, waardoor niet gezegd kan worden dat een steek in dat lichaamsdeel, ook niet naar algemene ervaringsregelen, een aanmerkelijke kans op de dood in zich bergt. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van de primair tenlastegelegde poging doodslag. Zwaar lichamelijk letsel? De vraag die vervolgens, in het kader van het subsidiair tenlastegelegde, dient te worden beantwoord is of de verdachte aan [benadeelde partij 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Het letsel dat door de verdachte aan [benadeelde partij 1] is toegebracht, was van dien aard dat medisch ingrijpen, waaronder twee operaties, noodzakelijk was. Ook nu nog is er geen uitzicht is op (volledig) herstel. Op grond van de aard van het letsel en gelet op voornoemd toetsingskader is de rechtbank van oordeel dat dit letsel zwaar lichamelijk letsel oplevert. Zij komt daarmee tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde: de zware mishandeling van [benadeelde partij 1] . 12 december 2017 (parketnummer 03/866048-18) Wat is er gebeurd? Op 12 december 2017 doet [benadeelde partij 2] aangifte van mishandeling. Hij bevond zich omstreeks 22.00 uur die dag in sportschool [naam sportschool] te Maastricht. Hij zag daar dat een man langdurig naar hem staarde. Hij had deze man, die [naam verdachte] heet, wel eens eerder gezien en wist dat deze ook uit Syrië kwam. Hij vroeg de man wat er aan de hand was en waarom hij naar hem staarde. Hierop ontstond een woordenwisseling waarbij de man met een agressieve houding op [benadeelde partij 2] toeliep. De woordenwisseling mondde uit in een opstootje tussen [benadeelde partij 2] en de man. Vervolgens zag en voelde [benadeelde partij 2] dat de man hem eenmaal op zijn hoofd sloeg met een tot vuist gebalde rechterhand. Hij voelde direct pijn op de plaats waar de man hem had geraakt. Door verbalisant [naam verbalisant 4] zijn de camerabeelden van de sportschool [naam sportschool] van 12 december 2017 bekeken en beschreven. [naam verbalisant 4] ziet op de beelden dat er omstreeks 21.46 uur op een podium een schermutseling met duwen ontstaat tussen de - door hem zo genoemde - dader en de aangever. Een bezoeker haalt hen dan uit elkaar. De aangever loopt via de trap naar het lagere gedeelte en de dader staat nog op het podium. Omstreeks 21.47 uur komt de aangever met versnelde looppas in richting van de dader gelopen. De dader reageert daarop door vanaf het podium een trap met zijn linkerbeen te geven in de richting van de aangever. Een bezoeker trekt aan aangever met zijn beide handen. De dader wordt door een bezoeker naar achter geduwd. Vervolgens maakt de dader een vuist met zijn rechterhand en maakt een beweging naar achteren met zijn arm om vervolgens een voorwaartse slaande beweging te maken in de richting van de aangever. De rechtbank heeft in raadkamer geconstateerd dat de beschrijving van de beelden door verbalisant [naam verbalisant 4] overeenstemt met de camerabeelden. De rechtbank twijfelt dus niet aan de juistheid van voormelde beschrijving van de beelden. De clubmanager van de sportschool, [naam clubmanager] , verklaart op 12 december 2017 dat hij zowel [benadeelde partij 2] als de verdachte kent als leden van de sportschool. Tussen de fitnessapparaten zag hij de verdachte en [benadeelde partij 2] staan. De verdachte kwam opgefokt op hem over. Hij hoorde [naam verdachte] iets zeggen over Syrië, oorlog en vermoorden. [naam clubmanager] probeerde de situatie te sussen, maar dit was lastig. Op een gegeven moment zag hij dat de verdachte een schoppende beweging maakte in de richting van [benadeelde partij 2] en dat hij vervolgens die [benadeelde partij 2] een vuistslag op het hoofd gaf. De verdachte deed dit met kracht en met zijn tot vuist gebalde rechterhand. Direct daarna rende de verdachte weg. Een omstander, [getuige 4] , verklaarde onder meer dat hij op 12 december 2017 een man met wie [benadeelde partij 2] zojuist een woordenwisseling had, in een onbekende taal hoorde schreeuwen in de richting van [benadeelde partij 2] . [benadeelde partij 2] draaide zich hierop om en rende in de richting van die man. Twee omstanders probeerden [benadeelde partij 2] tegen te houden, wat ook lukte. Toen [benadeelde partij 2] en de man vervolgens dicht bij elkaar stonden, maakte de man een trappende beweging naar [benadeelde partij 2] . Vervolgens sloeg de man [benadeelde partij 2] hard tegen zijn hoofd. Noodweer? De raadsman heeft betoogd dat er sprake is geweest van een situatie waarbij de verdachte zich tegen een werkelijke of door hem zo opgevatte ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding heeft mogen verdedigen. De rechtbank volgt de raadsman niet in dit betoog. Gelet op de camerabeelden en de hiervoor vermelde getuigenverklaringen is het feitelijk bestaan hebben van zo’n situatie niet aannemelijk geworden. Conclusie De rechtbank acht bewezen dat de verdachte [benadeelde partij 2] heeft mishandeld door hem met kracht op het hoofd te stompen. 14 december 2017 (parketnummer 03/700471-17) Wat is er gebeurd? Op 14 december 2017 zou verdachte op drie verschillende plaatsen in Maastricht geweld hebben gepleegd tegen vijf verschillende personen. In chronologische volgorde waren deze personen: [benadeelde partij 3] , waarbij het geweld werd gepleegd in het Turks Cultureel Centrum, [slachtoffer 1] , waarbij het geweld werd gepleegd in de [adres 4] , [slachtoffer 2] , [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 15] , waarbij het geweld werd gepleegd in de [adres 5] . Daarna, rond 21.10 uur, komt de verdachte bebloed en met een mes weer het Turks Cultureel Centrum te Maastricht binnengelopen, alwaar hij door de politie wordt aangehouden. Mishandeling van [benadeelde partij 3] (feit 5) Ten aanzien van de mishandeling van [benadeelde partij 3] zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte deze mishandeling ten overstaan van de rechtbank duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. De hierna uit te spreken bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen: - de aangifte van [benadeelde partij 3]; - de camerabeelden van het Turks Cultureel Centrum; - de bekennende verklaring van de verdachte. De rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken van het gedeelte van de tenlastelegging waarin de verdachte verweten wordt de aangever te hebben geslagen met een blikje in zijn hand. In het dossier zitten meerdere verklaringen van getuigen die zouden hebben gezien dat de verdachte de aangever met een blikje in zijn hand heeft geslagen. Dit blikje zou van [benadeelde partij 3] zijn geweest en in eerste instantie voor [benadeelde partij 3] op de tafel hebben gestaan. Na acht te hebben geslagen op de camerabeelden, komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte meteen de aangever in zijn gezicht heeft geslagen, zónder eerst het blikje van tafel te hebben gepakt. De rechtbank acht dus niet bewezen dat de verdachte met een blikje heeft geslagen. Wel acht zij bewezen dat de verdachte met een hard voorwerp in zijn hand heeft geslagen, omdat de verdachte ter terechtzitting verklaarde dat hij tijdens het slaan zijn telefoon in zijn hand had. Geweld jegens [slachtoffer 1] (feit 1) Om 20.58 uur komt een melding binnen bij de meldkamer van de ambulancedienst dat er politie nodig is op het adres [adres 4] 32 te Maastricht. De melder vertelt aan de centralist dat zijn buurman is neergestoken en buiten achter een struik voor zijn woning ligt. De dader zou zijn weggevlucht. Vervolgens neemt [getuige 3] , de zoon van de melder, de telefoon over en vertelt wat hij heeft waargenomen. Hij zat thuis op de bank televisie te kijken toen hij zijn buurman [slachtoffer 1] hoorde schreeuwen. Het klonk alsof [slachtoffer 1] pijn had. Verder hoorde hij lawaai, alsof er met meubels werd geschoven. Daarop heeft hij de voordeur geopend en is hij naar de voortuin gelopen. Hij zag toen dat [slachtoffer 1] door een man zijn woning uit werd gesleept. De man hield [slachtoffer 1] bij de voeten vast en sleepte [slachtoffer 1] op zijn rug met zijn benen in de lucht achter zich aan. De dader hield het mes en het been tegelijkertijd vast. [getuige 3] zag dat [slachtoffer 1] al dood was, omdat hij niet meer bewoog. De man maakte toen een draai op het pad, pakte [slachtoffer 1] bij zijn voeten en duwde hem achter de struik in de voortuin. [slachtoffer 1] lag toen met zijn knieën omhoog. De man bleef op [slachtoffer 1] insteken. Toen [getuige 3] aan de man vroeg wat er aan de hand was, draaide de man zich om en schreeuwde iets in het Arabisch. Vervolgens kwam de man met een groot mes, een keukenmes of vleesmes, in zijn hand achter [getuige 3] aan. [getuige 3] is toen zijn eigen woning in gevlucht. De verbalisanten [naam verbalisant 5] en [naam verbalisant 6] komen om 21.07 uur ter plaatste. Verbalisant [naam verbalisant 6] wordt door buurtbewoners gewezen op het lichaam van het slachtoffer dat in de voortuin van zijn eigen woning aan de [adres 4] 32 te Maastricht zou liggen. Hij loopt naar het slachtoffer toe en ziet dat deze geen tekenen van leven meer geeft. Het slachtoffer heeft een grote gapende en bloedende wond in zijn hals. Naast het lichaam ligt een schaar. Het ambulancepersoneel constateert dat het slachtoffer geen hartslag meer heeft en dus is overleden. Het slachtoffer blijkt te zijn [slachtoffer 1] en zijn lichaam is voor onderzoek in beslag genomen. Ook de telefoon van het slachtoffer is inbeslaggenomen en uitgelezen. Uit de telefoongegevens blijkt dat het slachtoffer op 14 december 2017 tussen 19.53 en 20.07 uur nog aan iemand heeft laten weten dat [naam verdachte] bij hem is, dat er verder geen probleem is, maar dat hij daarom niet gebeld wil worden. Zoals hierboven al opgemerkt, is de verdachte omstreeks 21.10 uur, het Turks Cultureel Centrum aan de [adres 6] te Maastricht binnengelopen met een mes in zijn hand. De verbalisanten die vervolgens ter plaatse komen, zien de verdachte, onder het bloed, op een stoel zitten in de ontvangstruimte. Door één van de aanwezigen is op dat moment een foto van de verdachte gemaakt. Die foto is door de publieke regionale radio- en televisiezender L1 op internet geplaatst. De getuige [getuige 3] heeft deze foto gezien en verklaarde ten overstaan van de politie dat hij de man op de foto herkende als degene die zijn buurman [slachtoffer 1] heeft gestoken. Het onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer 1] Het lichaam van [slachtoffer 1] is postmortaal radiologisch onderzocht en er heeft een sectie op plaatsgevonden. Er is gerapporteerd dat het slachtoffer meerdere letsels in het hoofdhalsgebied had, te weten twee snijletsels aan de hals en kin en zes steekletsels aan het hoofd en de hals. Het diepste letsel daarbij verlopend over de rechts-links-as in de hals met een breedte van ruim zeven centimeter welk door de huid, onderhuidse weefsels en strottenhoofd gaat tot op de vierde halswervel en diep huiddefect ter hoogte van het linkersleutelbeen. Ook links ter plaatse van de onderkaak is diep letsel waarbij de tandenrij is aangedaan. Verder heeft het slachtoffer laag op de buik vijf steekletsels die alle de buikholte bereikten. Al deze steekkanalen verliepen hoofdwaarts, dus in opwaartse richting. Het diepste letsel zat rechtsboven de lies, waarbij de darmen uitpuilden door het defect van ongeveer drie centimeter. Aan de ledematen had het slachtoffer verder circa 16 snijletsels en twee steekletsels. De snijletsels aan de handen passen bij afweerletsels. Verder had [slachtoffer 1] verspreid over het lichaam krasvormige oppervlakkige huidbeschadigingen en bloeduitstortingen. Geconcludeerd wordt dat het letsel bij leven is ontstaan door ingewerkt uitwendig mechanisch scherprandig snijdend en perforerend geweld, zoals opgeleverd kan worden door een of meerdere messen. Het intreden van de dood wordt verklaard door verbloeding als gevolg van één snijletsel en één steekletsel aan de hals, die perforaties aan de linkerhalsader en de linkerhalsslagader en aan een aftakking van de linkersleutelbeenader hebben veroorzaakt. De overige steek- en snijletsels hebben tezamen door middel van bloedverlies bijgedragen aan het overlijden. De bevindingen van het forensisch onderzoek aan de [adres 4] De verbalisanten treffen in de woning van het slachtoffer een situatie aan die past bij een gevecht. In de gang zagen zij diverse bloeddruppels en bloedspatjes. Ook zagen zij bloedvegen op het dekslot van de voordeur. In de woonkamer lagen bloeddruppels, bloedplassen en bloedvegen op de vloer en zaten er bloedvegen op de muur bij de deuropening. In de keuken stonden twee keukenlades open. Op de bovenzijde van de ladefronten zaten bloedvegen. Gelet op de verschijningsvorm en de plaats van het aantreffen is het waarschijnlijk dat dit bloed op en in de lades is terechtgekomen doordat iemand met bebloede handen contact met deze lades had. Uit het NFI rapport volgt dat de matchkans dat het bloed op de lades van iemand anders is dan van [slachtoffer 1] kleiner is dan één op één miljard. De schaar die naast [slachtoffer 1] lag, is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Verspreid over de gehele schaar en het handvat zijn bloedsporen aangetroffen. Het NFI heeft van vijf bemonsteringen vastgesteld dat de matchkans kleiner dan één op één miljard is dat het bloed van iemand anders is dan van [slachtoffer 1] . Op de schaar is geen bloed aangetroffen van iemand anders. De verklaring van de verdachte De verdachte heeft verklaard dat hij die avond bij [slachtoffer 1] in huis is geweest met de bedoeling om daar te overnachten. Op enig moment kregen hij en [slachtoffer 1] ruzie en zijn zij in een gevecht geraakt. De verdachte is toen, zoals hij zelf zegt, “hysterisch” geworden. Hij heeft daarbij het slachtoffer meerdere keren gestoken met een mes. Het gevecht is buiten verder gegaan. Toen het slachtoffer in de struiken lag, is het gevecht beëindigd. Tussenconclusie Op basis van vorenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat het slachtoffer [slachtoffer 1] op 14 december 2017 met een mes is gestoken en gesneden door de verdachte en dat [slachtoffer 1] daardoor het leven heeft gelaten. Beroep op noodweer Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte en [slachtoffer 1] ruzie kregen en dat [slachtoffer 1] de verdachte toen heeft aangevallen met een mes en een schaar. De verdachte heeft zich daarop met zijn handen moeten verweren en heeft daar letsel van. Hij is vervolgens de keuken in gelopen en heeft de lades opengetrokken om te kijken of daar iets in lag om zich mee te kunnen verdedigen. In de lades lagen echter alleen maar lepels. Hij zag daarna dat [slachtoffer 1] het mes nog steeds vast had en heeft dat mes omgekeerd in de hand van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] daarmee in de buik verwond. [slachtoffer 1] ging naar de voordeur en liet het mes uit zijn hand vallen toen hij de voordeur opende. Wel had hij de schaar nog in zijn handen. De verdachte heeft het mes gepakt. [slachtoffer 1] stond toen buiten en de verdachte ging ook naar buiten. Daar hebben ze bij de voordeur verder gevochten. [slachtoffer 1] viel daarna in de struiken. De rechtbank acht de omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt namelijk zijn weerlegging in de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. De verdachte heeft verklaard te zijn aangevallen door [slachtoffer 1] met een mes en een schaar. Als de verdachte echter daadwerkelijk zou zijn aangevallen en gewond zou zijn geraakt, dan had het in de lijn der verwachting gelegen dat de onderzoekers van het NFI ook bloed van de verdachte op de schaar hadden aangetroffen. Op de schaar die is aangetroffen buiten de woning van [slachtoffer 1] , is echter alleen bloed van [slachtoffer 1] aangetroffen. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij na de initiële aanval van [slachtoffer 1] naar de keuken is gegaan en de keukenlades heeft opengetrokken op zoek naar iets om zich mee te verdedigen. Het had dan in de lijn der verwachting gelegen dat de onderzoekers van het NFI ook bloed van de verdachte op de keukenlades hadden aangetroffen. Ook dit komt echter niet overeen met de onderzoeksresultaten van het NFI. Op en in de keukenlades is namelijk alleen (veel) bloed van [slachtoffer 1] aangetroffen. Dat er verder geen bloed van de verdachte is aangetroffen op de lades, weerlegt verder de omstandigheid dat de verdachte zich eerst met zijn handen heeft verweerd tegen een aanval van [slachtoffer 1] met een schaar en een mes. De verklaring van de verdachte dat het gevecht tussen hem en [slachtoffer 1] zich van binnen naar buiten heeft verplaatst, strookt evenmin met andere bewijsmiddelen. [getuige 3] heeft immers verklaard dat de verdachte het levenloze lichaam van [slachtoffer 1] achter zich aan naar buiten sleurde. De rechtbank acht de verklaring van [getuige 3] geloofwaardig, omdat zij geen reden ziet om aan deze verklaring te twijfelen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de het bestaan hebben van de feitelijke situatie waarop de verdachte zijn noodweerverweer stoelt, niet aannemelijk is geworden. Dat hij (oppervlakkige) letsels had aan zijn handen, kan niet afdoen aan het forensisch bewijs en het ooggetuigenverslag dat [getuige 3] tijdens de 112-melding deed en is in het licht van dit bewijs onvoldoende om een noodweersituatie aannemelijk te achten. Het verweer wordt verworpen. Moord of doodslag? Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij na kalm beraad en rustig overleg [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd. Moord dus. Moord is doodslag die met voorbedachte raad is begaan. Indien de voorbedachte raad niet komt vast te staan, dan is er sprake van doodslag. Voor een bewezenverklaring van de voorbedachte raad, hier tenlastegelegd als “na kalm beraad en rustig overleg”, moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De verdachte heeft dan de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter. De rechter moet daarbij het gewicht bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. De rechtbank stelt op grond van het verhandelde ter terechtzitting en het procesdossier vast dat de verdachte, blijkens de telefoongegevens van het slachtoffer, al circa een uur bij de verdachte in de woning verbleef en dat er tot dan toe kennelijk geen problemen waren. De verdachte heeft daarbij verklaard naar de woning van het slachtoffer te zijn gegaan om daar te overnachten; hij was te angstig om in zijn eigen huis te slapen. De rechtbank heeft onvoldoende reden om aan die verklaring te twijfelen. Zo bezien heeft de rechtbank ook geen aanleiding te denken dat de verdachte met het plan om [slachtoffer 1] te vermoorden naar [slachtoffer 1] is gegaan of te denken dat het plan is ontstaan op een moment dat er nog geen problemen tussen hem en [slachtoffer 1] waren. Op enig moment is er echter een ruzie, een gevecht ontstaan, waarna de verdachte is gaan steken. Onduidelijk is en blijft wat daaraan vooraf is gegaan en wat nu precies de oorzaak was van de ruzie en het gevecht. En onduidelijk blijft ook of en zo ja, wanneer verdachte het plan kreeg om [slachtoffer 1] te vermoorden. Gelet hierop is onvoldoende bewijs aanwezig om te kunnen komen tot de conclusie dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld bij de levensberoving op [slachtoffer 1] . De rechtbank zal de verdachte dus vrijspreken van de tenlastegelegde moord, maar hem veroordelen voor de doodslag op [slachtoffer 1] . Geweld jegens [slachtoffer 2] , [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 15] (feiten 2, 3 en 4) Kort na de melding van het steekincident op de [adres 4] 32 te Maastricht komen er meerdere meldingen binnen bij de meldkamer ambulancedienst van een ander steekincident. De melder die om 21.11 uur belt, geeft aan dat er op de [adres 5] 10 te Maastricht drie mensen zijn neergestoken. De melder geeft desgevraagd aan dat de moeder al is overleden, dat het meisje haar hele gezicht heeft opengescheurd en dat de overbuurman zijn hoofd heeft opengescheurd. Buurtbewoners verlenen eerste hulp aan de drie slachtoffers. Zij zagen dat de vrouw die lag in de gang van de woning aan de [adres 5] 10 te Maastricht, was overleden. Zij haalde geen adem en had geen hartslag meer. Het meisje dat liggend buiten de woning wordt aangetroffen, had een flinke snee van ongeveer 15 tot 20 centimeter in haar gezicht en bloedde hevig. Zij schreeuwde het uit van de pijn en schreeuwde dat ze moesten kijken of ze haar moeder nog konden redden. Verder stond er een man op straat met letsel aan zijn voorhoofd. Kort daarop verschijnt de politie die de situatie overneemt. Door toestromende familieleden en omstanders ontstaat er vervolgens een onrustige en dreigende situatie. Nadat de situatie onder controle is, zijn de ambulances ter plaatse gekomen en zijn de nog levende slachtoffers, [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 15] , overgebracht naar het ziekenhuis in Maastricht. In de woning aan de [adres 5] 10 te Maastricht treffen de verbalisanten in de gang het lichaam aan van het overleden slachtoffer, [slachtoffer 2] , dat voor onderzoek in beslag wordt genomen. In het ziekenhuis en later bij haar aangifte verklaart het slachtoffer [benadeelde partij 7] dat zij in de avond van 14 december 2017 bij haar ouders was die wonen aan de [adres 5] 10 te Maastricht. Zij zat met haar moeder in de woonkamer toen de deurbel twee keer ging. Haar moeder opende de deur, omdat zij dacht dat haar man, de vader van [benadeelde partij 7] , of broer thuis zou komen. Nadat haar moeder de voordeur had geopend, stormde een voor haar onbekende man de gang in. Deze man duwde de voordeur achter zich dicht. Zij hoorde haar moeder gillen en “ [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 7] ” roepen. Zij zag dat de man voor haar moeder stond met een groot wit mes en haar daarmee in haar buik en in haar schouder stak. Zij zag dat hij drie of vier keer een slaande beweging maakte in de richting van haar moeder. Hij zei: “Ik wil jullie doodmaken.” Ook vroeg hij naar haar vader: “Waar is hij, waar is hij?” Toen [benadeelde partij 7] tussen de man en haar moeder ging staan, stak de man haar ook met het mes en zei hij: “Jij gaat als eerste dood.” De voordeur was op dat moment dicht. [benadeelde partij 7] schreeuwde heel hard om hulp en probeerde de deur open te maken. Dat lukte, maar de man maakte de deur weer dicht. Hij stak haar vervolgens in haar schouder. Ook stak de man nogmaals haar moeder. [benadeelde partij 7] heeft op enig moment de man geduwd zodat ze de deur kon openmaken. Haar overbuurman [benadeelde partij 15] schoot haar toen te hulp door de man te slaan. Daarop heeft de man met het mes gestoken in het hoofd van [benadeelde partij 15] . De man vluchtte daarna de woning uit. Als [benadeelde partij 15] haar niet was komen helpen, was zij nu dood geweest. [benadeelde partij 7] heeft de verdachte later herkend als de man die heeft gestoken. Het slachtoffer [benadeelde partij 15] [roepnaam: [benadeelde partij 15] , rechtbank] [benadeelde partij 15] verklaart dat hij die avond van 14 december 2017 op de bank zat in zijn woning aan de [adres 5] 9 te Maastricht. Vanaf die plaats keek hij recht tegen de voordeur aan van de woning aan de [adres 5] 10. Kort na 21.00 uur zag hij de man des huizes, [benadeelde partij 8] , en de zonen vertrekken. Even later zag hij een man aanbellen bij de woning. Toen de voordeur werd geopend door zijn overbuurvrouw [slachtoffer 2] zag hij dat de man die had aangebeld, de voordeur verder openduwde. De man pakte een mes en begon te steken. [slachtoffer 2] probeerde de deur dicht te duwen. [benadeelde partij 15] ging naar buiten en zag dat de voordeur van nummer 10 vervolgens gesloten was. Hij heeft toen vanuit de gang van zijn woning een moersleutel gepakt. Toen hij weer bij de voordeur van nummer 10 aankwam, ging deze open. Hij zag dat [slachtoffer 2] in de gang bij de voordeur op de grond lag en dat de man nog steeds op haar aan het insteken was. Verder zag hij dat de man met de dochter van [slachtoffer 2] , genaamd [benadeelde partij 7] , aan het vechten was. De man maakte stekende bewegingen in de richting van het lichaam van [benadeelde partij 7] die gehurkt op de grond zat. [benadeelde partij 7] trachtte een en ander af te weren met haar armen. [benadeelde partij 15] sloeg de man met de moersleutel op zijn voorhoofd. Hij zag dat de man achterover viel in de richting van [slachtoffer 2] . Hij dacht dat de man door de slag wel even weg was, maar de man stond op en kwam met een zwaaiende en stekende bewegingen zijn kant op. Hij voelde dat hij geraakt werd door het mes. Hij voelde meteen bloeddruppels over zijn gezicht lopen. De man kon niet weg, omdat [benadeelde partij 15] zijn vluchtweg blokkeerde. De man kwam vervolgens weer op hem af. [benadeelde partij 15] sloeg hem nogmaals met de moersleutel. Toen [benadeelde partij 15] harder begon te bloeden, is hij naar zijn woning gegaan. Daardoor kon de man vluchten. [benadeelde partij 15] heeft de verdachte herkend als de man die [slachtoffer 2] , [benadeelde partij 7] en hem heeft gestoken. Het onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer 2] Het lichaam van [slachtoffer 2] is postmortaal radiologisch onderzocht en er heeft een sectie plaatsgevonden. Uit deze onderzoeken volgt dat zij vijf snijletsels en 19 steekletsels had aan haar romp, haar rechterarm en haar hoofd, toegebracht aan de achterzijde van het lichaam. Drie of vier van de letsel reikten tot in de linker- of rechterborstholte, met onder andere perforatie van de linker- en rechterlong en van een grote aftakking van de rechterlongslagader. Perforatie van beide borstholten en beide longen leidt tot ernstige longfunctiestoornissen met zuurstofgebrek van belangrijke organen tot gevolg. De perforatie van een grote aftakking van de rechterlongslagader gaat doorgaans gepaard met ernstig bloedverlies, met algehele weefselschade en functieverlies van belangrijke organen tot gevolg. De longfunctiestoornissen en het bloedverlies verklaren het overlijden zonder meer. De overige snij- en steekletsels kunnen op zich het overlijden niet verklaren, maar hebben mogelijk een bijdrage geleverd aan het overlijden door middel van bloedverlies. De letsels die daar met name uitspringen zijn de beschadiging van het schedelbot, de breuk van de linkerschouderkop en de doorsteek van de rechterbovenarm, van circa 10,5 centimeter, waarbij eveneens letsel aan de romp ontstond. Geconcludeerd wordt dat al het letsel bij leven is ontstaan door de inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig snijdend en/of perforerend geweld, zoals opgeleverd kan worden door steken/snijden met één of meerdere messen. Het intreden van de dood wordt verklaard door algehele weefselschade door longfunctiestoornissen en bloedverlies, veroorzaakt door drie of vier steekverwondingen aan de borstkas. De overige snij- en steekletsels hebben mogelijk een bijdrage geleverd aan het overlijden door bloedverlies. Het letsel van [benadeelde partij 7] In het ziekenhuis blijkt dat [benadeelde partij 7] een bloedende wond in het aangezicht had die van net boven het linkeroog tot en met de bovenlip en tot in de spierlaag liep. In de hals, aan de bovenarm en bij de pols werden verder oppervlakkige steekwonden aangetroffen. Het slachtoffer is opgenomen in het ziekenhuis om een operatief herstel van het aangezichtsletsel te ondergaan. De forensisch geneeskundige heeft op 26 april 2018 op basis van de littekens geconstateerd dat al het letsel is veroorzaakt door een voorwerp met een scherpe rand. Het meermalen steken met een mes ter hoogte van het gelaat, de hals en de bovenarm had fataal letsel kunnen veroorzaken, omdat er in de hals diverse grote bloedvaten aanwezig zijn. Bij doorsnijden van deze bloedvaten is het risico op bloedverlies met de dood tot gevolg aanzienlijk. Er is sprake van een blijvend litteken in het gelaat van circa 10 centimeter lang, dat aangemerkt kan worden als ernstig letsel. Ten gevolge van het littekenweefsel kan het linkeroog niet volledig gesloten worden. Er zal een tweede operatie noodzakelijk zijn om herstel te bewerkstelligen. Het letsel van [benadeelde partij 15] In het ziekenhuis bleek dat [benadeelde partij 15] een circa drie centimeter lange en 0,5 centimeter diepe wond in het gelaat, midden op het voorhoofd had. Nadat de wond was gehecht, mocht hij naar huis. De forensisch geneeskundige heeft op 9 april 2018 op basis van het achtergebleven litteken geconstateerd dat dit is veroorzaakt door een voorwerp met een scherpe rand. Het onderzoek aan het mes en de moersleutel Zoals hierboven al opgemerkt draagt verdachte een mes bij zich als hij bebloed het Turks Cultureel Centrum aan de [adres 6] te Maastricht binnenloopt. Dit centrum ligt op een steenworp afstand van de [adres 5] . Het mes is na de aanhouding van de verdachte inbeslaggenomen en onderzocht. Het betrof een vleesmes met een totale lengte van ongeveer 32 centimeter. Het heft en het lemmet waren deels bebloed. Het NFI heeft in het bloed op het mes een DNA-mengprofiel aangetroffen waarbij het DNA afkomstig kan zijn van de verdachte en de slachtoffers [benadeelde partij 7] en [slachtoffer 2] . De moersleutel waarmee [benadeelde partij 15] de belager van [slachtoffer 2] en [benadeelde partij 7] heeft geslagen is inbeslaggenomen en onderzocht door het NFI. Op de moersleutel zijn DNA-mengprofielen aangetroffen waarbij het DNA afkomstig kan zijn van de verdachte en [benadeelde partij 15] zelf. Tussenconclusie De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer 2] door middel van messteken van het leven heeft beroofd en dat hij [benadeelde partij 7] door messteken ernstig heeft verwond en ook [benadeelde partij 15] met een vleesmes heeft gestoken Moord of doodslag op [slachtoffer 2] ? (feit 2) De vraag die nu, in het licht van de tenlastelegging, beantwoord moet worden is of deze levensberoving gepleegd is met voorbedachte raad. Of er dus sprake was van moord. Zoals al overwogen in het onderdeel van dit vonnis dat gaat over de moord/doodslag op [slachtoffer 1] , moet er om te kunnen spreken van moord vast komen staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De verdachte moet dus de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De verklaring van de verdachte beoordeeld De verdachte heeft in zijn eerste verhoor bij de politie verklaard dat hij op woensdagavond en meermalen op donderdag bij [benadeelde partij 8] aan de [adres 5] 10 te Maastricht is geweest. Hij verklaarde dat het ratten, verraders waren en dat zij in een complot zaten van hetgeen er in Syrië is gebeurd. Ze zouden hem achtervolgen. Een van de zonen lijkt ook op een rat, net als zijn vader. Zij zijn degenen die de kinderen van verdachtes broer hebben vermoord. Zij zijn gestuurd om hem en zijn familie te vermoorden. Verder verklaarde hij dat [benadeelde partij 8] de leider achter de samenzwering is en dat mevrouw [slachtoffer 2] naar de hel kan gaan. Hoewel, zoals hierna nog aan de orde zal komen, aangenomen moet worden dat verdachte tijdens het doen van deze uitspraken psychotisch was, betekent dit niet dat deze verklaring niet bruikbaar is voor het bewijs van de voorbedachte raad. Uit deze verklaring spreekt namelijk dat verdachte op dat moment beheerst werd door een bepaalde beleving van de realiteit. Een beleving waarin leden van de familie [familie slachtoffer 2] de veroorzakers waren van leed dat de verdachte en diens familie overkomen is. Leed waarvoor de verdachte zich kennelijk wilde wreken, hetgeen ook in lijn ligt met de door [benadeelde partij 7] gehoorde uitroepen “Ik wil jullie doodmaken” en “Waar is hij, waar is hij?” Deze uitspraken vormen voor de rechtbank de eerste, belangrijke aanwijzing dat de verdachte gehandeld heeft met voorbedachte raad. Een verdere aanwijzing daarvoor vindt de rechtbank in de tijd die verstreken is tussen de geweldpleging aan de [adres 7] en de geweldplegingen aan de [adres 5] . Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte om ongeveer 20.58 uur is weggelopen bij het huis van [slachtoffer 1] . Nadat hij deze met grof geweld om het leven heeft gebracht. De rechtbank kan niet bewijzen dat die levensberoving met voorbedachte raad is gebeurd. Als dan al moet worden aangenomen dat de verdachte [slachtoffer 1] in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling of hevige gemoedsbeweging van het leven heeft beroofd, dan betekent dat echter nog niet dat die gemoedsopwelling of gemoedsbeweging de rest van de avond is blijven bestaan. Op zijn tocht van de [adres 4] naar de ongeveer één kilometer verderop gelegen [adres 5] heeft de verdachte voldoende gelegenheid gehad om te kalmeren, zodat het redelijk is om aan te nemen dat hij gebruik heeft gemaakt van deze gelegenheid om zich rekenschap te geven van de betekenis en gevolgen van zijn handelen, indien het eerder gepleegde geweld op dezelfde wijze zou worden voortgezet. Als dit dan in samenhang wordt bezien met de uitspraken van de verdachte en de uitroepen die door [benadeelde partij 7] zijn gehoord, dan maakt de rechtbank uit een en ander op dat de verdachte na het doden van [slachtoffer 1] het plan heeft opgevat om [benadeelde partij 8] en/of zijn familie te vermoorden. Het maakte hem daarbij niet uit wie de deur van de woning zou openmaken. Immers waren de familieleden van [benadeelde partij 8] allemaal ratten, verraders, “kan mevrouw [slachtoffer 2] naar de hel gaan” en zegt hij tegen [benadeelde partij 7] : “Jij gaat als eerste dood.” Uit het voorgaande volgt dat zich hier niet de situatie heeft voorgedaan waarbij verdachte pas kort voor of tijdens de uitvoering van de laatste door de verdachte gepleegde gewelddadigheden tot het besef kan zijn gekomen dat zijn handelen de dood van het slachtoffer tot gevolg zou kunnen hebben. Integendeel, dat besef moet er bij verdachte al in een eerder stadium, in ieder geval na het doden van [slachtoffer 1] , zijn geweest. Ondanks de gelegenheid die hij had om zich rustig over zijn handelen te beraden, heeft hij er kennelijk welbewust voor gekozen om zijn voorgenomen besluit om [benadeelde partij 8] en/of een of meer van zijn gezinsleden om het leven te brengen, ten uitvoer te leggen. Als mevrouw [slachtoffer 2] de voordeur opent, steekt de verdachte dan ook onmiddellijk op haar in. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er bij verdachte sprake was van voorbedachte raad. De verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer 2] dus vermoord. Poging doodslag op [benadeelde partij 7] ? (feit 3) De omstandigheid dat de verdachte tegen [benadeelde partij 7] zegt: “Jij gaat als eerste dood” in samenhang bezien met het mes waarmee de verdachte heeft gestoken, de hoeveelheid steken die verdachte bij [benadeelde partij 7] heeft toegebracht, de plek waar de steken terecht zijn gekomen, te weten in (de nabijheid van) vitale delen van het lichaam, en de ongecontroleerdheid waarmee de verdachte heeft gestoken, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte het opzet en het vooropgezet plan had om ook [benadeelde partij 7] te doden. Kennelijk wilde hij alle leden van de familie [familie slachtoffer 2] doden. Omdat de voorbedachte raad niet in de omschrijving van dit feit staat en dus niet aan de verdachte is tenlastegelegd, komt de rechtbank niet toe aan een bewezenverklaring van een poging tot moord. De tenlastegelegde poging tot doodslag is wel bewezen. Verband met moord op [slachtoffer 2] ? Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij deze poging tot doodslag heeft gepleegd om de moord op [slachtoffer 2] voor te bereiden, gemakkelijk te maken of om te kunnen vluchten. De rechtbank ziet hiervoor geen aanwijzingen in het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting. De verdachte wilde kennelijk alle leden van de familie [familie slachtoffer 2] doden. Koste wat kost. De ene (poging tot) levensberoving staat daarom niet in een functioneel verband tot de andere levensberoving; ze moesten allemaal dood, sowieso. Poging doodslag op [benadeelde partij 15] ?(feit 4) Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte met kracht [benadeelde partij 15] met een mes in zijn hoofd heeft gestoken. Als gevolg daarvan had [benadeelde partij 15] een snee van drie centimeter lang op zijn voorhoofd die gehecht moest worden. De rechtbank kan uit de bewijsmiddelen niet afleiden dat de verdachte uit was op de dood van [benadeelde partij 15] . Maar wanneer dan gelet wordt op het mes waarmee verdachte heeft gestoken, het steekletsel dat de verdachte bij [benadeelde partij 15] heeft toegebracht, de plek waar het mes terecht is gekomen, te weten een kwetsbaar onderdeel van het lichaam (het hoofd), en de ongecontroleerdheid waarmee verdachte heeft gezwaaid met het mes en gestoken, dan is de rechtbank van oordeel dat verdachte door zo te handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat [benadeelde partij 15] hierdoor zou komen te overlijden en is de rechtbank ook van oordeel dat de verdachte die kans blijkens de wijze van handelen ook welbewust heeft aanvaard. Verband met het eerdere geweld? Heeft de verdachte geprobeerd [benadeelde partij 15] te doden om na de moord op [slachtoffer 2] en de poging doodslag op [benadeelde partij 7] te kunnen ontkomen of om deze voor te bereiden of gemakkelijk te maken? De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. [benadeelde partij 15] heeft de verdachte met een moersleutel geslagen op het moment dat deze op [slachtoffer 2] en [benadeelde partij 7] aan het insteken was. De verdachte viel, stond weer op en stak [benadeelde partij 15] met het mes in zijn hoofd. Omdat [benadeelde partij 15] zijn vluchtweg blokkeerde, kwam de verdachte weer met het mes op [benadeelde partij 15] af. Daarop sloeg [benadeelde partij 15] hem nogmaals met de moersleutel. Toen de wond van [benadeelde partij 15] harder begon te bloeden, is [benadeelde partij 15] naar zijn woning gegaan. De verdachte is toen niet achter [benadeelde partij 15] aan gegaan om hem (verder) neer te steken, maar is gevlucht. Voornoemde handelingen van de verdachte, het steken van en naar [benadeelde partij 15] omdat hij niet weg kon en het vluchten zodra door het weggaan van [benadeelde partij 15] daartoe de mogelijkheid ontstond, maken dat de rechtbank in dit geval van oordeel is dat de verdachte het feit heeft gepleegd om bij betrapping op heterdaad zijn straffeloosheid te verzekeren. Dat de verdachte kort daarna naar het Turks Cultureel Centrum is gegaan waar hij de komst van de politie heeft afgewacht, doet niet af aan het feit dat het steken van [benadeelde partij 15] op dat moment geschiedde om weg te kunnen komen. De rechtbank acht de gekwalificeerde poging tot doodslag bewezen. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte Parketnummer 03/700033-17 Subsidiair hij op of omstreeks 20 januari 2017 in de gemeente Maastricht aan [benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten langdurig letsel in een been, heeft toegebracht door die [benadeelde partij 1] met een mes in diens been te steken; Parketnummer 866048-18 hij, op 12 december 2017 in de gemeente Maastricht, [benadeelde partij 2] heeft mishandeld door hem met kracht op het hoofd te stompen; Parketnummer 03/700471-17 1. hij op 14 december 2017 in de gemeente Maastricht [slachtoffer 1] opzettelijk de keel heeft doorgesneden en meermalen in het hoofd en in het lichaam heeft gestoken, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden; 2. hij op 14 december 2017 in de gemeente Maastricht [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade, te weten opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, heeft doodgestoken; 3. Primair hij op 14 december 2017 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om E. [benadeelde partij 7] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met een mes in het gezicht van die [benadeelde partij 7] heeft gestoken en/of gesneden en meermalen in de hals heeft gestoken en/of gesneden en/of (nog) meermalen met dat mes in zijn, verdachtes, hand(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.