RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: AWB 18/3104 en AWB 18/3124 uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 januari 2019 op de verzoeken om een voorlopige voorziening in de zaken tussen mr. [naam 1], te Maastricht, verzoeker, [een supermarkt], te Maastricht, verzoekster, (gemachtigde mr. M.J. Drijftholt), hierna tezamen te noemen: verzoekers, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder. (gemachtigden: mr. M.C. van Doornik, mr. C.M.J.J. Erdkamp en mr. E.H.J. Verheijden). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Coop Supermarkten B.V., te Velp (gemachtigde: mr. J.P. Hoegee). Procesverloop Bij besluit van 24 april 2018 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder aan Coop Supermarkten B.V. (hierna: vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het vestigen van een Coop supermarkt aan de Sint Pieterstraat 72 te Maastricht. Bij besluit van 26 september 2018 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder – voor zover van belang – de bezwaren van verzoekers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (AWB 18/2716 en AWB 18/2718) en tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2019. Verzoeker is verschenen. Voor verzoekster is [naam 2] verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3], bijgestaan door mr. K.T.E. Huisman, kantoorgenote van haar gemachtigde. Overwegingen 1. Bij het primaire besluit heeft verweerder met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) een omgevingsvergunning verleend voor het vestigen van een Coop supermarkt aan de Sint Pieterstraat 72 te Maastricht. Het betreft een verbouwing van de begane grond en de kelder van het bouwwerk op dit adres. Volgens verweerder is hij, nu geen sprake is van een van de in artikel 2.10 van de Wabo opgesomde weigeringsgronden, gehouden de omgevings-vergunning te verlenen. Het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit en de Bouwverordening Maastricht 1999 (artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wabo) en eveneens aan de redelijke eisen van welstand (artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo). In de visie van verweerder is het vestigen van een supermarkt tot slot niet in strijd met het bestemmingsplan “Centrum” (hierna: het bestemmingsplan) dat op die locatie detailhandel toestaat (artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo). 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn primaire besluit gehandhaafd en de bezwaren van verzoekers ongegrond verklaard. 3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 4. In artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat, indien tegen een besluit beroep bij de bestuursrechter is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat tot het treffen van een voorlopige voorziening in het algemeen slechts aanleiding zal bestaan, indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor de indiener van een verzoek uit een besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Daarbij gaat het om een afweging van de belangen van de indiener van het verzoek bij een onverwijlde voorziening tegen de belangen die zijn gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. In het kader van deze belangenafweging speelt een rol of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. De rechtmatigheidstoets van het bestreden besluit maakt daar een onderdeel van uit. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank op geen enkele wijze in een bodemprocedure. 6. De voorzieningenrechter concludeert dat aan de twee in artikel 8:81 van de Awb neergelegde formele vereisten is voldaan, nu verzoekers beroep hebben ingesteld tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de bestuursrechter bevoegd is om van de hoofdzaken kennis te nemen. 7. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat, gelet op de aanstaande opening van de supermarkt medio februari 2019 en de mogelijke gevolgen die dat voor verzoeker met zich kan brengen, het spoedeisende belang bij zijn verzoek genoegzaam is aangetoond. 8. De voorzieningenrechter stelt vervolgens vast dat het door verzoekster gestelde belang bij een voorlopige voorziening een financieel belang betreft, nu het is gebaseerd op de door verzoekster verwachte omzetdaling als gevolg van de opening van de Coop-supermarkt. Een dergelijk belang is volgens vaste rechtspraak op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen, daar dit belang tot gelding kan worden gebracht indien verzoekster in de bodemprocedure materieel in het gelijk wordt gesteld. Het staat verzoekster immers vrij om, indien zij meent schade geleden te hebben, alsdan schadevergoeding te vorderen. Het treffen van een voorlopige voorziening zal echter wel in beeld kunnen komen indien het financiële belang zodanig zwaarwegend is dat sprake is van een actuele financiële noodsituatie of de continuïteit van een onderneming wordt bedreigd. In dat geval is het treffen van een voorziening evenwel nog niet gegeven, maar is een verdere toetsing en belangenafweging noodzakelijk. Dat in het onderhavige geval sprake is van een zwaarwegend financieel belang als hiervoor bedoeld, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk geworden. Verzoekster heeft geen (financiële) bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat het voortbestaan van haar onderneming in gevaar komt door de vestiging van de Coop-supermarkt indien thans geen voorlopige voorziening wordt getroffen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het voor het treffen van een voorlopige voorziening vereiste spoedeisend belang dan ook niet aanwezig. 9. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek van verzoekster reeds hierom dient te worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 10. Over het verzoek van verzoeker overweegt de voorzieningenrechter verder als volgt. 11. Verzoeker heeft zich – samengevat weergegeven – op het standpunt gesteld dat het beoogde gebruik van de locatie als supermarkt in strijd is met het bestemmingsplan. Verweerder had daarom moeten toetsen of aan vergunninghoudster op grond van zijn binnenplanse afwijkingsbevoegdheid (artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1°, van de Wabo in samenhang met artikel 7.6.2 van het bestemmingsplan) een omgevings-vergunning kan worden verleend. Omdat sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening, waarbij onder meer is gewezen op de belangen van derden, de gevolgen voor het woonmilieu en de Detailhandelsvisie 2016, zal in de visie van verzoeker echter geen gebruik kunnen worden gemaakt van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van artikel 7.6.2 van het bestemmingsplan. 12. Verzoeker heeft er verder op gewezen dat de Welstands-/Monumentencommissie het bouwplan van vergunninghoudster op 28 februari 2018 in strijd heeft bevonden met de redelijke eisen van welstand vanwege de plaatsing van een condensor aan de buitenzijde van het pand. De commissie heeft op dit punt verzocht om een deskundig ontwerp over te leggen. Verzoeker heeft van de zijde van vergunninghoudster bij de stukken geen reactie op dit advies aangetroffen en stelt zich daarom op het standpunt dat voor wat betreft de condensor niet wordt voldaan aan de redelijke eisen van welstand. 13. De voorzieningenrechter overweegt dat in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. 14. Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de activiteit in strijd is met het Bouwbesluit 2012 (a), de bouwverordening (b), het bestemmingsplan (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.