RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/703512-10 Tegenspraak (gemachtigde raadsman) Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 maart 2019 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboortegegevens verdachte] , zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland. De verdachte wordt bijgestaan door mr. W.R. Smeets, advocaat kantoorhoudende te Sittard. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 23 januari 2018 en 5 februari 2019. De verdachte is op 5 februari 2019 niet verschenen. Wel is toen verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is formeel gesloten op 12 maart 2019. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt erop neer dat de verdachte samen met een ander of anderen, dan wel alleen een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van geld (feit 1) en auto’s (feit 2). Het subsidiaire verwijt bij de feiten luidt telkens dat er sprake is geweest van schuldwitwassen. 3De voorvragen Gedeeltelijke verjaring van de subsidiair ten laste gelegde feiten Artikel 70, eerste lid, onder 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt wanneer het recht tot strafvordering vervalt door verjaring. Voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld, is die termijn zes jaren. Dit artikel is in de loop der jaren enkele keren gewijzigd door de wetgever, maar niet op dit specifieke punt. Artikel 420quater Sr, dat in deze zaak onder feit 1 en feit 2 subsidiair ten laste is gelegd, kent als maximumstraf inmiddels drie jaren gevangenisstraf. Dit was één jaar ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding en de ten laste gelegde pleegperiode van 20 december 2004 tot en met 13 oktober 2011. Dat gegeven is niet relevant voor het bepalen van de verjaringstermijn: beide maximumstraffen vallen binnen de marge van drie jaren van artikel 70, eerste lid, onder 2 Sr en de verjaringstermijn bedraagt dus in deze zaak zes jaren. Dat betekent dat de subsidiair ten laste gelegde feiten zijn verjaard, tenzij deze verjaring is gestuit. De verjaring wordt gestuit door een daad van vervolging van het openbaar ministerie. Dat is bepaald in artikel 72, eerste lid, Sr (ook gewijzigd door de wetgever zonder gevolgen voor de beoordeling van deze zaak). De wet zelf definieert het begrip daad van vervolging niet. In de literatuur en jurisprudentie wordt als daad van vervolging aangemerkt: elke daad van of namens een justitiële autoriteit die erop is gericht te komen tot een voor tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke uitspraak. Dit wordt ook wel vereenvoudigd tot het criterium dat er een rechter moet zijn betrokken bij de zaak door het openbaar ministerie. Het begrip daad van vervolging mag echter ruimer worden uitgelegd. Handelingen van het openbaar ministerie die onderzoek of een beslissing van de rechter uitlokken, vallen in elk geval onder het begrip daad van vervolging. Louter opsporingshandelingen vallen er niet onder. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de wetsgeschiedenis, waarin voorbeelden worden genoemd. Ook verwijst de rechtbank specifiek naar de arresten van de Hoge Raad in combinatie met de conclusies van de procureur-generaal in de zaken gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2012:BU8746, ECLI:NL:HR:2010:BN1028 en onder ECLI:NL:HR:2007:BA5825. Aan de criteria voor een daad van vervolging is in ieder geval voldaan als een officier van justitie een rechter-commissaris benadert om nader onderzoek te doen op grond van de artikelen 181 en 110 van het Wetboek van Strafvordering of om een verdachte in bewaring te stellen. Ook het vorderen van een (inmiddels niet meer bestaand) gerechtelijk vooronderzoek en het vorderen van het verlenen van een machtiging voor een strafrechtelijk financieel onderzoek vallen eronder. Dat betekent in deze zaak dat de verjaring van de subsidiaire feiten waarvoor de verdachte wordt vervolgd gestuit is op 1 juni 2011, de dag waarop de officier van justitie een vordering gedaan heeft bij de rechter-commissaris tot het verlenen van een machtiging voor een strafrechtelijk financieel onderzoek, waarna de rechter-commissaris op 8 juni 2011 besloten heeft tot het geven van die machtiging. De conclusie van de rechtbank is daarom dat de officier van justitie gedeeltelijk niet ontvankelijk is in de vervolging van wat onder feit 1 en feit 2 subsidiair ten laste is gelegd. De periode van 20 december 2004 tot en met 7 juni 2005 moet bij de beoordeling van deze strafzaak buiten beschouwing blijven. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte gedurende een lange periode geld en auto’s heeft witgewassen. De verdachte heeft voortdurend over meer contant geld kunnen beschikken dan hij uit legale bron verantwoorden kan. Er is dus sprake van gewoontewitwassen. Met het geld zijn auto’s gekocht en de medeverdachte [medeverdachte] , de ex-partner van verdachte, heeft een groot deel van de bouw en inrichting van haar woning in [woonplaats] gefinancierd met illegaal verkregen geld. De verdachte en [medeverdachte] hadden nauwe banden met elkaar en moeten als medeplegers worden beschouwd. [medeverdachte] heeft 23 auto’s op haar naam gehad. Meerdere van die auto’s zijn witgewassen, niet alleen omdat er contant voor betaald werd, maar ook omdat de auto’s telkens op naam van [medeverdachte] werden gezet, terwijl ze werden gebruikt door de verdachte. Na korte tijd werden de auto’s verkocht en dus weer omgezet in contant geld. Er was bij de auto’s daarom telkens sprake van een witwasconstructie. Dat levert een afzonderlijk strafbaar feit op (feit 2). In totaal gaat het bij de verdachte volgens de officier van justitie om een witwasbedrag van € 88.767,-. Dit bedrag is de uitkomst van een door de officier van justitie opgemaakte kasopstelling. Ten aanzien van [medeverdachte] heeft de officier van justitie een ander witwasbedrag aangenomen. Wanneer uit een kasopstelling blijkt dat iemand meer contant geld voorhanden heeft gehad, dan hij uit legale bron kan hebben verkregen, kan het niet anders zijn dan dat dit geld uit misdrijf is verkregen, tenzij een verdachte alsnog met een aannemelijke, legale verklaring komt voor de herkomst van het geld. Als die verklaring uitblijft, is het niet vereist dat de officier van justitie aantoont welk concreet misdrijf het geld heeft gegenereerd. De verdachte is er volgens de officier van justitie niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het contante geld een legale herkomst had. In deze zaak is er volgens de officier van justitie bovendien concreet bewijs dat het geld afkomstig was uit fiscale delicten en uit drugshandel. De verdachte en [medeverdachte] hebben namelijk op geen enkel moment bij de belastingdienst gemeld dat zij over zoveel geld beschikten en de verdachte is veroordeeld voor drugsdelicten. In de woning van [medeverdachte] waar de verdachte vaak verbleef, werd ook nog een notitieboekje aangetroffen met een drugsboekhouding. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 2. Feit 1 kan slechts beperkt bewezen worden verklaard. In het dossier worden twee scenario’s uitgewerkt. In het ene scenario worden de verdachte en [medeverdachte] als economische eenheid beschouwd. In dat scenario worden de bedragen aan contante uitgaven en inkomsten van beide verdachten bij elkaar genomen. Dat is niet het scenario dat de officier van justitie volgt en de raadsman is van mening dat dat juist is. Het geld dat door [medeverdachte] besteed is aan haar woning moet bij de verdachte buiten beschouwing blijven. Het tweede scenario, waarin de verdachte en [medeverdachte] niet als economische eenheid worden beschouwd, kan worden gevolgd. Bij de verdachte betekent dit dat alleen beoordeeld moet worden of hij geld heeft witgewassen in relatie tot auto’s. Van het witwassen van de auto’s zelf moet hij hoe dan ook worden vrijgesproken. De verdachte heeft gehandeld in auto’s. Telkens waren dat transacties met contant geld, maar dat wil niet zeggen dat de verdachte heeft witgewassen zoals de officier van justitie meent. Het geld was namelijk niet van de verdachte, maar van derden voor wie de verdachte auto’s kocht en verkocht. Hooguit kan er sprake zijn geweest van witwassen omdat de verdachte zijn verdiensten uit de handel in auto’s in de vorm van ontvangen commissies niet aan de belastingdienst heeft opgegeven. Bewijsbaar is dan dat de verdachte € 13.569,- heeft witgewassen (gewoontewitwassen). Enige andere vorm van witwassen is niet aan de orde, aldus de raadsman. Er is geen bewijs dat de verdachte geld uit drugshandel voorhanden heeft gehad. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Inleiding In het kader van een project van het Korps Landelijke Politiediensten en de politie Limburg-Zuid naar aanleiding van de grootschalige drugsproblematiek in Limburg-Zuid (het project Waakzaam) is een deelproject opgezet met als doel het doen van onderzoek naar onverklaarbaar vermogen. In dat onderzoek werden ongebruikelijke transacties opgevraagd (MOT-meldingen). Bij dat onderzoek kwamen drie meldingen naar voren die betrekking hadden op de medeverdachte, [medeverdachte] . Uit verder onderzoek kwam naar voren dat [medeverdachte] gehuwd is geweest met de verdachte. De verdachte en [medeverdachte] bleken ook voor te komen in de database Blueview. De informatie in Blueview was onder meer gerelateerd aan overtredingen van de Opiumwet. Vervolgens werd onderzoek verricht naar de bezittingen van [medeverdachte] en de verdachte en werden fiscale en financiële gegevens gevorderd of verkregen van RDW, Kadaster en Kamer van Koophandel. Op 10 maart 2011 werd de woning van [medeverdachte] doorzocht en werden goederen en schriftelijke bescheiden in beslag genomen, waaronder facturen en notitieboekjes. Verder werden nog andere administratieve bescheiden gevorderd (in relatie tot de praktijk voor fysiotherapie van [medeverdachte] ) en op 18 mei 2011 en op 8 juni 2011 werden machtigingen verleend tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek. In het onderzoek werden vervolgens diverse getuigen gehoord. De verdediging van [medeverdachte] heeft verder nog enkele facturen overgelegd aan de politie, die vervolgens gebruikt zijn voor het onderzoek. De kasopstellingen (overzicht van contante inkomsten en contante betalingen) De politie heeft aan de hand van de schriftelijke bescheiden een overzicht gemaakt van de contante uitgaven van [medeverdachte] . Ook werd een overzicht van contante inkomsten gemaakt. Dit betreft de periode van 1 januari 2004 tot en met 10 maart 2011. Daarbij heeft de politie aangenomen dat [medeverdachte] op 1 januari 2004 niet over contant geld beschikte: het aanvangssaldo werd op nihil gesteld. In deze periode heeft [medeverdachte] contante uitgaven gedaan voor de bouw en inrichting van haar woning aan de [adres] te [woonplaats] , voor auto’s en in de vorm van stortingen van geld op de bank. Contante ontvangsten had [medeverdachte] in de vorm van geldopnames van de bank en de verkoop van een auto. Bij de doorzoeking is geen contant geld aangetroffen, zodat het eindsaldo van de kas ook op nihil wordt gesteld. Dat alles leidt tot de volgende kasopstelling. Beginsaldo contant geld € 0 +/+ contante opnames van de bank € 292.729,31 +/+ legale contante ontvangsten € 5.000,- + Beschikbaar aan contant geld € 297.729,31 -/- contante stortingen op de bank € 173.883,60 -/- contante uitgaven € 455.915,53 -/- contante uitgaven o.b.v. facturen van de verdediging € 57.839,24 Theoretisch eindsaldo kas (contant geld) -/- € 389.909,06 Werkelijk eindsaldo kas (contant geld) € 0 + Negatieve kas -/- € 389.909,06 Ook ten aanzien van de verdachte heeft de politie een kasopstelling gemaakt met een negatief eindsaldo. In de berekeningen van de politie en de officier van justitie is een bedrag opgenomen in het kader van uitgaven voor levensonderhoud overeenkomstig berekeningen van het Nibud. Dat bedrag laat de rechtbank buiten beschouwing, omdat er geen schriftelijke bescheiden vermeld zijn in het dossier, waaruit opgemaakt kan worden welke contante uitgaven er concreet zijn geweest die deze schatting onderbouwen. Het gaat in de strafzaak te ver om huishoudelijke uitgaven van de verdachte louter bewezen te achten in de vorm van een schatting op basis van de Nibudgegevens. De kasopstelling ziet er dan als volgt uit: Beginsaldo contant geld € 0 +/+ contante opnames van de bank € 9.730,- +/+ legale contante ontvangsten € 51.250,- + Beschikbaar aan contant geld € 60.980,- -/- contante stortingen op de bank € 8.050,- -/- contante uitgaven € 89.935,- Theoretisch eindsaldo kas (contant geld) -/- € 37.005,- Werkelijk eindsaldo kas (contant geld) € 0 + Negatieve kas -/- € 37.005,- Eerste conclusies en overwegingen van de rechtbank Uit deze kasopstellingen volgt dat [medeverdachte] van 1 januari 2004 tot en met 10 maart 2011 de beschikking heeft gehad over contant geld dat niet te herleiden is tot een bron, zoals spaargeld dat van de bank is opgenomen. Het bedrag van € 389.909,06 is onverklaard. Ook het bedrag van € 37.005,- ten aanzien van de verdachte is onverklaard. Toch moet het geld ergens vandaan gekomen zijn. Je kunt immers niet roodstaan in je portemonnee. De negatieve bedragen zijn telkens een minimumbedrag, omdat er aanwijzingen zijn dat [medeverdachte] ook nog contant geld besteed moet hebben aan haar levensonderhoud en dat van haar kinderen. Hetzelfde geldt voor de verdachte. Ook hij moet meer contante uitgaven voor zijn levensonderhoud hebben gedaan dan uit het dossier blijkt. In het dossier wordt beschreven dat [medeverdachte] via de bank meer betaald heeft aan kosten van het gezin dan volgens de berekeningen van het Nibud voor een gezin als normaal mag worden beschouwd. Daarbij zijn alle rubrieken bij elkaar opgeteld. Dat zou dan betekenen dat [medeverdachte] in het geheel geen contante uitgaven voor haar gezin heeft gedaan. Dat acht de rechtbank niet aannemelijk. Met name uitgaven voor posten zoals uitgaan en voeding vinden doorgaans niet uitsluitend per bank plaats, maar ook vaak contant. Er zijn echter ook in haar geval geen schriftelijke bescheiden vermeld in het dossier, zoals bonnen van de supermarkt, waaruit opgemaakt kan worden welke contante uitgaven dit concreet zijn geweest, zodat in de strafzaak geen specifiek bedrag bewezen kan worden verklaard. Bij de beslissing over de ontnemingsvordering komt de rechtbank nog terug op de huishoudelijke uitgaven van [medeverdachte] en de verdachte. Bewijs voor de illegale herkomst van het geld en overwegingen en conclusies van de rechtbank daaromtrent. Medeplegen? Het onverklaarde bedrag aan contant geld moet zoals gezegd ergens vandaan gekomen zijn. De rechtbank komt tot de conclusie dat het geld afkomstig is uit misdrijf. Zij baseert dat op het volgende bewijs. [medeverdachte] heeft bij haar belastingaangiften niet gemeld dat zij veel contant geld had. Uit een proces-verbaal van de politie blijkt dat als beginsaldo in box 3 per 1 januari 2004 een bedrag van € 1.287,- staat vermeld in de belastingaangifte van [medeverdachte] , een aanzienlijk lager bedrag dan de fiscale vrijstellingen voor inkomsten uit spaargeld en beleggingen. In de jaren daarna is ook geen aangifte gedaan van een groot bedrag aan contant geld. Dat betekent dat voldoende aannemelijk is dat het beginsaldo van de kasopstelling, het startbedrag aan legaal traceerbaar contant geld, op nihil kan worden gesteld. Het verzwijgen voor de fiscus van vermogen in de vorm van contant geld is bovendien een sterke aanwijzing dat het geld niet legaal is verkregen. De politie beredeneert ook dat [medeverdachte] in de jaren 2001 tot 2004, voor aanvang van de tenlastegelegde periode, niet zoveel gespaard kan hebben van haar inkomsten uit haar werk als fysiotherapeute als zijzelf tegenover de politie stelde. In de tenlastegelegde periode beschikte [medeverdachte] over € 3.000,- per maand door geld uit de maatschap van de fysiotherapiepraktijk op te nemen, dan wel over een uitkering in verband met ziekte en zij genoot € 900,- aan huurinkomsten. Gelet op de uitgaven die zij deed voor haar huishouden/gezin, kan zij ook in die periode geen tonnen hebben gespaard. Dat alles betekent dat het niet anders kan zijn dat zij niet op een legale manier aan € 389.909,06 is gekomen en dat dit geld dus van misdrijf afkomstig moet zijn geweest. Dat levert op dat er sprake is van witwassen. Een specifiek onderliggend misdrijf hoeft dan niet te worden bewezen. Het verzwijgen levert bovendien wel een aanwijsbaar delict op: een fiscaal delict, strafbaar gesteld door artikel 69 van de Algemene inzake rijksbelastingen en ook in dat opzicht heeft [medeverdachte] geld witgewassen, voor zover het de verschuldigde, maar niet betaalde belasting betreft. De verdachte heeft zich evenmin gemeld bij de fiscus voor het doen van aangifte inkomstenbelasting of van vermogen. In de jaren 2004, 2005 en 2006 zijn er wel loonbedragen door hem ontvangen, maar van vermogen dat in box 3 zou kunnen vallen blijkt niets. In 2007 tot en met 2009 is het loon nihil of negatief en de verdachte ontving zorgtoeslag. De rechtbank acht bewezen dat het geld dat in de kasopstellingen is berekend verdiend is met het overtreden van de Opiumwet. De verdachte is namelijk in 2002 onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden voor het samen met anderen overtreden van artikel 2 B van de Opiumwet (bewerken/verkopen/vervoeren van harddrugs), gepleegd in oktober 2001. Dat blijkt uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van de verdachte d.d. 27 februari 2019. Algemeen mag worden aangenomen dat activiteiten in het kader van harddrugs zeer lucratief zijn. De verdachte heeft in relatie tot een andere strafzaak op 24 november 2008 verklaard dat hij plakken hasjiesj in bezit heeft gehad. Hij is samen met [medeverdachte] gezien en hij verbleef regelmatig bij haar in de woning in [woonplaats] : op 9 februari 2011 werd hij ook gezien door een observatieteam van de politie. Bij de doorzoeking van de woning in [woonplaats] werden vervolgens op 10 maart 2011 een notitieboekje aangetroffen achter een schilderij en notitieblaadjes op zolder. De notities bevatten aantekeningen die betrekking hebben op hennepteelt en kunnen als een soort boekhouding worden aangemerkt, onder meer op blaadjes uit een agenda van 2005 en op een bon van een growshop uit 2007. Er staan namen en bedragen in vermeld en woorden die betrekking hebben op hennepteelt, zoals “zware”, “lichte”, “knip thuis”, “stek”, “gro + voe” (grond en voeding), “filters, stroombord, watersysteem, stekken” en “skunk”. Bij de vermelde hoeveelheden gaat het om tientallen kilo’s en de bedragen lopen in de duizenden. Op een notitieblaadje wordt een hoeveelheid van 61 kg vermeld. Wanneer de rechtbank daarbij de Rapporten van het Bureau Ontnemingswetgeving van het Openbaar ministerie betrekt over de hennepteelt in Nederland, dan mag volgens de versie van april 2005 als opbrengst per kilo gekweekte hennep een bedrag van € 2.370,- worden aangenomen en in hetzelfde rapport, versie november 2010, een bedrag van € 3.280,-. Dan zou een hoeveelheid van 61 kilo een opbrengst hebben gegenereerd van € 144.570,- in 2005 en € 200.080,- in 2010. Rekening houdend met kosten en medeplegers die ook moeten profiteren van de opbrengst, trekt de rechtbank de conclusie dat de verdachte gedurende de ten laste gelegde periode jaarlijks gemiddeld in elk geval tienduizenden euro’s moet hebben verdiend door de Opiumwet te overtreden en aanzienlijk meer dan de € 37.000,- die uit de kasopstelling blijkt. Dat brengt de rechtbank bij de vraag of bewezen kan worden dat die opbrengsten naar [medeverdachte] zijn gevloeid en het negatieve eindsaldo van de kasopstelling van € 389.909,06 kunnen verklaren en of er dus sprake is geweest van medeplegen. De rechtbank overweegt als volgt. Hiervoor is al geconcludeerd dat het niet anders kan zijn dan dat [medeverdachte] voornoemd bedrag niet kan hebben gespaard en opgemerkt dat [medeverdachte] en de verdachte eind jaren ’90 getrouwd zijn geweest. De verdachte werd in februari 2011 geobserveerd bij de woning van [medeverdachte] . Uit het dossier kan worden opgemaakt dat het einde van het huwelijk in 1999 er niet toe heeft geleid dat de banden volledig zijn verbroken tussen de verdachte en [medeverdachte] . In tegendeel. Er is bewijs dat de conclusie rechtvaardigt dat zij gedurende de gehele tenlastegelegde periode als een hecht koppel kunnen worden beschouwd. In 2006, 2008 en 2011 zijn er drie kinderen geboren die de verdachte heeft erkend. Volgens [medeverdachte] verbleef de verdachte geregeld bij haar in verband met de kinderen. Verder ging de verdachte vaak mee naar bedrijven ten behoeve van de bouw van haar woning. Zij hoefde van hem geen alimentatie te betalen. Bij de rechter-commissaris heeft zij nog verklaard dat zij na de scheiding nog zo’n twee jaar hebben samengewoond. De verdachte heeft bij zijn verhoor verklaard dat hij en [medeverdachte] op dat moment, 4 april 2011, een relatie hadden en dat het in het verleden vaker aan- en uit is geweest. Ook verklaarde hij dat hij wel bij [medeverdachte] verbleef. Dat de verdachte meeging naar leveranciers blijkt ook uit getuigenverklaringen, maar dat is niet het enige dat uit die verklaringen blijkt. Uit de verklaringen blijkt namelijk dat [medeverdachte] en de verdachte zich daarbij presenteerden als gezin en als paar, dat de verdachte geregeld aanwezig was in de woning tijdens de bouwwerkzaamheden en dat zowel de verdachte, als [medeverdachte] de rekeningen in verband met die woning (contant) betaalden. Zo heeft de leverancier van de keuken ( [getuige 1] ) verklaard dat hij op 31 december 2007 het eerste contact met hen had. Ze wilden een keuken en daarna werd er ook een badkamer aangekocht. Ze hadden volgens de getuige ook twee kleine kinderen bij zich en stelden zich voor als meneer en mevrouw [medeverdachte] . De getuige heeft met beiden zaken gedaan; [medeverdachte] tekende het contract en de verdachte gaf telefonisch akkoord. Aanvankelijk zou er in 2008 geleverd worden, maar dat werd uitgesteld tot 2010. De getuige heeft steeds met beiden contact gehad. De verdachte was altijd bij de onderhandelingen en de leveringen aanwezig. De contante betalingen werden meestal door de verdachte gedaan. De laatste keer dat de getuige hen zag, was in de woning in [woonplaats] , in november 2010. De leverancier van de cv-installatie van de woning van de verdachte ( [getuige 2] ) heeft verklaard dat het eerste contact met [medeverdachte] dateerde van 2008. De onderhandelingen deed [medeverdachte] en zij gaf de opdrachten. Tijdens de werkzaamheden vanaf einde 2008 tot einde 2009 kreeg hij ook wel opdrachten van een persoon genaamd [verdachte] , die daar vaker in huis was en van wie de getuige dacht dat het de man van [medeverdachte] was. [medeverdachte] betaalde de leverancier contant. Ook de leverancier van audio- en videoapparatuur ( [getuige 3] ) heeft een vergelijkbare verklaring afgelegd. De verdachte en [medeverdachte] hadden goederen gekocht op 12 december 2009, nadat zij ongeveer twee maanden eerder ook in de zaak waren geweest. De onderhandelingen deed volgens de getuige alleen [verdachte] , die alles contant betaald heeft. Het laatste contact met [verdachte] dateerde van 11 september 2010. Een vierde leverancier ( [getuige 4] ) heeft verklaard dat hij zaken deed met [medeverdachte] . De getuige heeft gordijnen en rolgordijnen geleverd. Op 1 oktober 2010 kwam [medeverdachte] met haar man. In verband met de betaling is de getuige achter de man aangereden, omdat het geld op hun woonadres lag. De man nam de getuige mee naar het adres van de fysiotherapiepraktijk van [medeverdachte] , waarna de man het geld cash van zolder haalde. Ook ontving de getuige op 16 november 2010 nog een contant bedrag van [medeverdachte] . Samengevat: de verdachte en [medeverdachte] hebben af en aan een relatie gehad, hebben na hun scheiding nog samengewoond, kinderen gekregen, treden gezamenlijk op en houden zich beiden bezig met de (betalingen voor
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.