RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer: 03/700165-18 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 mei 2019 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, gedetineerd in P.I. Zuid Oost, HvB Roermond te Roermond. De verdachte wordt bijgestaan door mr. R.E. Tay, advocaat kantoorhoudende te Maastricht. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 mei 2019. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 22 april 2018 in Geleen: Feit 1: [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten, zijnde medeplegen van moord dan wel doodslag. Feit 2: [slachtoffer 2] door haar knie heeft geschoten, zijnde medeplegen van poging moord dan wel poging doodslag, toebrengen (met voorbedachten rade) van zwaar lichamelijk letsel, dan wel poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel (met voorbedachten rade). Feit 3: een vuurwapen en munitie van categorie II en III voorhanden heeft gehad. 3De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vindt dat niet kan worden bewezen dat bij het schieten op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] sprake was van voorbedachten rade. Dit betekent dat moord niet kan worden bewezen. Volgens de officier van justitie kan het medeplegen van doodslag op [slachtoffer 1] door de verdachte wel worden bewezen (feit 1). Bij [slachtoffer 2] stelt de officier van justitie vast dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel en dat het schieten door de knie niet snel tot de dood zal leiden. Daarom acht de officier van justitie alleen de in feit 2 meer subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling bewezen. De officier van justitie heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de verdachte een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad (feit 3). De overwegingen van de officier van justitie zijn vervat in haar schriftelijk requisitoir. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft een pleitnota overgelegd. Daarin stelt hij dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de moord op [slachtoffer 1] , omdat er geen sprake was van een vooropgezet plan om [slachtoffer 1] te doden. De verdachte moet volgens de raadsman ook worden vrijgesproken van de doodslag op [slachtoffer 1] , omdat de verdachte geen opzet op de dood van [slachtoffer 1] heeft gehad. Als doodslag wel bewezen kan worden, vindt de raadsman dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake was van noodweer. Voor wat [slachtoffer 2] betreft is de raadsman het eens met de officier van justitie dat alleen de poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewijsbaar is. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte ook ten aanzien van dit feit moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake was van noodweer. De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.3 Het oordeel van de rechtbank 3.3.1 Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 en feit 2. 112-melding Op 22 april 2018 omstreeks 6:58 uur kreeg een verbalisant een melding om te gaan naar de [adres 1] te Geleen. Volgens een 112 melding zou daar iemand bedreigd worden met een vuurwapen. Onderweg hoorde de verbalisant via de portofoon dat de telefoniste in de meldkamer een knal hoorde en hoorde dat de melder riep: “Ik ben geraakt”. Toen de verbalisant op de [adres 1] aankwam, zag hij een vrouw ( [slachtoffer 2] ) op de grond liggen. De vrouw zat onder het bloed. Naast de vrouw lag haar vriend [slachtoffer 1] ; hij was in de buik geschoten. De vrouw vertelde dat de schoten gelost waren door de bovenbuurman [verdachte] . Camerabeelden In de steeg naast het pand [adres 1] te Geleen hing bij buurman [getuige 1] een camera waarmee het schietincident en alles wat eraan voorafging is opgenomen. Deze camerabeelden zijn in beslag genomen. De geluidsopname van de 112-melding door [slachtoffer 1] is door de politie samengevoegd met de camerabeelden. Deze camerabeelden zijn op de zitting uitvoerig bekeken en besproken. De rechtbank heeft waargenomen wat er te zien is op deze beelden. Linksboven in beeld is de op de camera weergegeven tijd te zien waarbij 1 uur en 6 minuten moet worden opgeteld om de werkelijke tijd te krijgen. Het video/geluidsfragment duurt 1 uur en 12 minuten (01:12:00), van 22 april 2018 4:51 uur tot 6:03 uur, werkelijke tijd: van 22 april 2018 5:57 uur tot 7:09 uur. De hierna weergegeven tijdstippen betreffen tijden vanaf de aanvang van het video/geluidsbestand (00:00:00). De rechtbank neemt (voor zover voor het bewijs van belang) het volgende waar op die beelden (gedeeltelijk met geluid): [slachtoffer 2] loopt op enig moment de steeg in en belt langere tijd aan bij de centrale voordeur van [verdachte] (00:14:03). Ze loopt weg en komt even later terug met twee messen in de hand (00:15:40). [slachtoffer 2] belt opnieuw aan en verbergt de messen voor en achter in haar broekband. Er wordt niet opengedaan. [slachtoffer 2] rommelt aan de deur. Vervolgens loopt ze de steeg weer uit (00:16:23). [slachtoffer 2] komt nogmaals de steeg in (00:16:52), rommelt weer bij de deur, belt aan bij buurman [getuige 1] , rommelt vervolgens opnieuw bij de deur van [verdachte] en loopt de steeg weer uit. Nadat [slachtoffer 2] nogmaals kort in de steeg is te zien, komt [slachtoffer 1] de steeg inlopen, [slachtoffer 2] volgt en [slachtoffer 1] doet vervolgens iets met een mes bij de voordeur (vanaf 00:20.56). Beiden lopen uiteindelijk weer de steeg uit om kort daarna terug te komen waarop eerst [slachtoffer 2] en daarna ook [slachtoffer 1] door de geopende voordeur naar binnenlopen (00:21:33). [slachtoffer 2] heeft een mes in haar hand dat ze voor ze naar binnenloopt wegstopt voor in haar broekband. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] komen naar buiten en lopen naar hun woning (00:23:52). Op tijdstip 00:30:55 komt [medeverdachte] in beeld. Hij loopt naar de woning van [verdachte] . Voordat hij naar binnenloopt, haalt hij een knuppeltje uit zijn linkermouw. [medeverdachte] kan direct doorlopen. De deur is kennelijk open. Na ongeveer zes minuten komt [slachtoffer 2] aanlopen met een mes in haar hand en belt aan bij de voordeur (00:37:15). Korte tijd later komt ook [slachtoffer 1] aanlopen. [slachtoffer 2] probeert met het mes de voordeur open te maken. [slachtoffer 1] neemt dit op een gegeven moment van haar over. De deur gaat open en zij gaan naar binnen (00:38:04). Dit is de tweede keer dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] binnen zijn en op dat moment zijn [medeverdachte] en [verdachte] in de woning. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] komen weer naar buiten en lopen de steeg uit (00:39:20). Even later komt [getuige 2] aanlopen. Hij kan meteen doorlopen naar binnen; de deur is kennelijk open (00:39:44). [slachtoffer 2] komt enkele minuten hierna de steeg weer inlopen en loopt ook naar binnen, nadat zij een mes achterin haar broek heeft gestopt (00:41:59). [slachtoffer 1] komt er bij, loopt ook heel even de woning binnen, waarna beiden de woning weer uitkomen en de steeg weer uitlopen (00:42:49). Op het tijdstip 00:43:39 komt [getuige 3] aan lopen. Hij loopt rechtstreeks naar binnen. Na ongeveer tien minuten (vanaf 00:53:38) komt [verdachte] naar buiten. Hij loopt verder de steeg in naar de deur van buurman [getuige 1] (00:53:38). [medeverdachte] loopt achter hem aan met zijn handen achter zijn rug. [verdachte] heeft zijn hand in zijn linker broekzak. Er lijkt iets in de linker broekzak te zitten. [getuige 2] loopt achter [medeverdachte] aan. Hij heeft een rode knuppel in zijn rechterhand. Als [medeverdachte] zich omdraait en terugloopt richting de voordeur van [verdachte] , is te zien dat [medeverdachte] een knuppel achter zijn rug houdt. [getuige 3] blijft aanvankelijk in de deuropening staan. [getuige 2] loopt ook terug en blijft vervolgens in de deuropening staan. [getuige 3] loopt de steeg uit tot aan de straatkant en kijkt rond. Er wordt niet opengedaan door [getuige 1] en iedereen gaat weer de woning van [verdachte] binnen (00:55:27). - Even later komt [slachtoffer 1] weer in beeld (00:57:26). Te zien is dat hij druk gebarend aan het telefoneren is. Hij loopt heen en weer aan de voorzijde van de woning. [slachtoffer 2] komt ook in beeld (00:58:51) en praat op een gegeven moment in de richting van de voordeur (00:59:30). [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] lopen naar de deur, [slachtoffer 2] voorop (00:59:33). [slachtoffer 2] heeft een mes in haar rechterhand. Op het tijdstip 00:59:38 wordt er vanuit de deuropening met een rode knuppel van boven naar beneden naar buiten gezwaaid. [slachtoffer 2] deinst een beetje terug en beweegt zich vervolgens met een trappende beweging met haar rechterbeen de woning in. [slachtoffer 1] lijkt naar haar te reiken. [slachtoffer 2] heeft bij deze beweging het mes nog steeds in haar rechterhand. Ze komt vrijwel meteen de woning weer uit wijzend met het mes in haar rechterhand, waarna ze met links een mes achter uit haar broekband pakt. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] praten nog enige tijd in de richting van de deuropening, waarbij [slachtoffer 2] degene met wie zij praat lijkt uit te dagen. De deur gaat dicht en [slachtoffer 2] steekt met het mes in/tegen de deur (01:00:02). [slachtoffer 1] pakt zijn telefoon en gaat telefoneren (01:00:15). [slachtoffer 2] belt weer geruime tijd aan bij [verdachte] . [slachtoffer 1] probeert daarbij [slachtoffer 2] het mes af te pakken maar dat laat zij niet toe (01:00:26). Vervolgens loopt [slachtoffer 1] de steeg uit en loopt [slachtoffer 2] richting de deur van [getuige 1] (01:00:37). Te zien is dat zij een bloedende hoofdwond heeft. [slachtoffer 1] komt weer in beeld en vanaf het tijdstip 01:00:52 is er geluid bij de beelden. [slachtoffer 1] meldt dat ze worden bedreigd met een vuurwapen en dat zijn vriendin is geslagen. [slachtoffer 1] praat verder met de meldkamer. [slachtoffer 2] loopt vanaf de deur van de buurman de steeg uit richting [slachtoffer 1] (vanaf 01:01:04). Te horen is dat [slachtoffer 2] aangekomen bij [slachtoffer 1] roept ‘Als jullie nu niet komen, steek ik die man kapot’ (01:01:18). [slachtoffer 2] loopt naar de voordeur met twee messen in de hand. Zij gaat zo staan dat als er iemand naar buitenkomt, zij direct kan toeslaan (01:01:42). Op tijdstip 01:02:06 belt ze weer aan waarna ze terugloopt richting [slachtoffer 1] die nog steeds aan de straatzijde staat (vanaf 01:02:10). Op tijdstip 01:02:16 verdwijnt ze rechts uit beeld. Kort hierna komt [verdachte] als eerste naar buiten (01.02.21). Hij heeft zijn hand in de linker broekzak. [medeverdachte] komt als tweede naar buiten. Hij heeft de rode knuppel in zijn rechterhand. [getuige 3] loopt ook naar buiten met hetzelfde knuppeltje in zijn hand als dat hij daarvoor had tijdens ‘het bezoek’ aan [getuige 1] . [getuige 2] blijft in de deuropening staan. [slachtoffer 2] loopt hen vrijwel gelijktijdig met twee messen in haar hand tegemoet de steeg in (01:02:23). [verdachte] loopt haar tegemoet, trekt zijn wapen en houdt dit voor zich in de richting van [slachtoffer 2] . [medeverdachte] en [getuige 3] volgen hem. [medeverdachte] stelt zich rechts van [verdachte] nagenoeg naast [verdachte] op. [getuige 3] loopt links langs [verdachte] . [medeverdachte] slaat met zijn knuppel naar [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] staat op dat moment nog met haar armen langs haar lichaam. [slachtoffer 1] komt de hoek om. [medeverdachte] slaat nogmaals met de knuppel richting [slachtoffer 2] waarop [slachtoffer 2] haar aandacht verplaatst van [verdachte] naar [medeverdachte] . [verdachte] verdwijnt links uit beeld. Er volgt een derde en vierde klap door [medeverdachte] . [medeverdachte] wordt door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] door arm- en trapbewegingen achteruit gedrongen. [slachtoffer 2] gooit vervolgens een van de messen in de richting van [medeverdachte] . Daarna dreigt zij het andere mes in de richting van [medeverdachte] te gooien (01:02:38). Op dat moment is te horen dat er geroepen wordt “Schiet dan jong”. [medeverdachte] gebaart daarbij met zijn linkerarm vooruit van links naar rechts in de richting van [slachtoffer 2] . [medeverdachte] maakt zich vervolgens groot en loopt op [slachtoffer 2] af. [slachtoffer 2] loopt achteruit. [slachtoffer 1] komt in beeld en gooit een stuk glas richting [medeverdachte] (01:02:44). Dit glas gaat langs het hoofd van [medeverdachte] . [medeverdachte] duikt weg. [medeverdachte] wijst met de knuppel in de richting waar [slachtoffer 1] rechts uit beeld verdwijnt, waarna het eerste schot valt (01:02:47). Direct daarna valt rechts in het steegje nog een stuk glas kapot (01:02:48) - [slachtoffer 2] richt zich dan tot [verdachte] , die links buiten beeld staat, waarna het tweede schot valt (01:02:51). Direct daarna werpt zij nog haar mes in de richting van [verdachte] waarna zij hinkend rechts uit beeld loopt. De verwondingen van de slachtoffers en de doodsoorzaak van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn per ambulance naar het ziekenhuis te Maastricht gebracht. [slachtoffer 1] is later die dag in het ziekenhuis op de operatietafel overleden. Het lichaam van [slachtoffer 1] is onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI). Er zijn vier schotletsels aangetroffen. Er waren aan de romp en de linker bovenarm (de rechtbank begrijpt gelet op de tekeningen en overige omschrijving: rechter bovenarm) in totaal vier huidperforaties, passend bij twee doorschoten. Alle vier de perforaties waren op één lijn te brengen, waardoor het ook mogelijk is dat alle vier de perforaties ten gevolge van één doorschot zijn ontstaan. Als gevolg van het doorschot aan de romp waren onder andere de lever, de onderste holle ader en de linkerdijbeenslagader geperforeerd. In de aanvulling op het sectieverslag wordt door het NFI geconcludeerd dat het doorschot door de buik, dat gepaard ging met perforatie van onder andere de onderste holle ader en de linkerdijbeenslagader, het dodelijk letsel betreft op basis van ernstig bloedverlies. De conclusie ten aanzien van de doodsoorzaak is dat er bij [slachtoffer 1] substantieel bloedverlies is ontstaan met als gevolg noodzaak tot opname in het ziekenhuis, operatie, verslechterde en uitzichtloze algehele situatie waardoor medisch handelen werd gestaakt en de dood intrad. De verrichtte medische handelingen waren noodzakelijk en ander medisch ingrijpen zou er niet toe hebben geleid dat het slachtoffer nog zou hebben geleefd. Bij [slachtoffer 2] worden op de linkerknie verwondingen geconstateerd met een ronde, grillige wondrand, doorsnede 0,5 cm en 1 cm. De verwonding aan de linkerknie boven de knieschijf is passend bij een inschotopening. De verwonding aan de zijkant van de linkerknie met een grillige wondrand met deels zwellingen en de wondranden gedeeltelijk zwart gekleurd, past bij een uitschotopening. De verwonding van de linkerknie is veroorzaakt door het aan de bovenzijde van de linkerknie (inschotopening) binnendringen van een projectiel dat een baan heeft gevolgd door de linkerknie en deze heeft verlaten aan de buitenzijde naast de knieschijf (uitschotopening). Uit beeldvormend onderzoek bleek dat er in de linkerknie geen band- of peesletsel was ontstaan. Het herstel van de verwonding aan haar linkerknie zal waarschijnlijk 8 tot 12 weken duren. De linkerkniefunctie zal dan weer volledig aanwezig zijn. Een aantal uitwendige verwondingen zal na genezing waarschijnlijk blijvend zichtbaar zijn als littekens. Volgens de geneeskundige verklaring van 18 juli 2018 is er sprake van “weke delen letsel bij schotwond”. Onderzoek hulzen Tijdens het onderzoek van de plaats delict zijn er twee hulzen aangetroffen, voorzien van de bodemstempel 9 mm Luger S&B. De ene huls is aangetroffen op het trottoir nabij de hoek van de voortuin met oprit van het perceel [adres 2] en de andere huls is aangetroffen op de oprit van voornoemd perceel nabij de linkerzijgevel van deze woning. De hulzen zijn in beslag genomen en door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) onderzocht. Het NFI concludeert dat de hulzen vermoedelijk verschoten zijn met een (semi)automatisch werkend pistool van het kaliber 9mm Parabellum, een merk of model kon niet worden vastgesteld. Verklaring [getuige 2] bij de rechter-commissaris [getuige 2] heeft (over het incident dat op de beelden te zien is vanaf tijdstip 00:59:33) verklaard dat ze op een gegeven moment besloten het appartement van [verdachte] te verlaten. [medeverdachte] eerst, [verdachte] als tweede, [getuige 3] als derde en [getuige 2] als laatste. Bij de deur waren de man en vrouw aan het schelden. [getuige 2] heeft toen gezien dat [verdachte] een vuurwapen had. [verdachte] hield het wapen in de richting van de man en/of de vrouw gericht. [verdachte] had het wapen in beide handen vast. [getuige 2] hoorde [verdachte] roepen “ga terug, hou op”. De worsteling tussen [medeverdachte] en de vrouw is geëindigd doordat [medeverdachte] de vrouw wegduwde en [verdachte] het wapen toonde. Daarna zijn ze terug de woning van [verdachte] ingegaan. Later zijn ze opnieuw naar buiten gegaan. [getuige 2] heeft verklaard dat hij met [verdachte] naar [getuige 1] is gelopen om de camerabeelden op te vragen, dan wel te laten wissen. [verdachte] wilde dat. Dit was voordat er gedoe was bij de voordeur van de woning. [getuige 1] deed niet open en zij zijn gewoon terug de woning van [verdachte] ingegaan. Op dat moment was het vrij rustig. Er is onderling op geen enkel ogenblik gesproken over het bellen van de politie. Onderzoek aan telefoons Er is onderzoek verricht naar de telefoonnummers dan wel de IMEI-nummers van de telefoons waar een aantal van de verdachten c.q. betrokkenen gebruik van maakten. De historische printgegevens van de telefoon van [verdachte] en de telefoonnummers van [slachtoffer 1] en [naam 1] werden vergeleken met de camerabeelden en er is door de politie een tijdlijn opgesteld. Hieruit blijkt dat [verdachte] tussen 5:20 uur en 6:11 uur talloze keren telefonisch contact zoekt en gesprekken voert met de telefoonnummers van [naam 1] , een vijftal onbekenden, ene [naam 2] en ene [naam 3] . Verklaring [verdachte] heeft bij de politie verklaard dat er sprake was van een bedreigende situatie en dat hij heeft geschoten op zijn onderbuurman (bedoeld is: [slachtoffer 1] ). Toen zijn vriendin (bedoeld is: [slachtoffer 2] ) later op hem afkwam met een mes, heeft hij ook op haar geschoten. heeft verklaard dat hij een CZ 9 mm als wapen heeft gebruikt. Dit was een grijs/zilver pistool. [verdachte] heeft verklaard dat de buurman (bedoeld is: [slachtoffer 1] ) het wapen al had gezien, omdat hij het vuurwapen al eens vast had gehad. Tijdens de zitting heeft [verdachte] verklaard dat hij tijdens het incident in het halletje bij de centrale voordeur voor het eerst zijn pistool uit zijn zak heeft gehaald. Hij moest het wapen tonen om ervoor te zorgen dat [slachtoffer 2] weer naar buiten ging en dat was effectief. [verdachte] wordt door de politie voorgehouden dat hij, op het moment dat zij met messen op hem afkwam, toch ook terug naar binnen had kunnen lopen. Daarop heeft [verdachte] geantwoord dat dit niet ging gebeuren; dat doet hij niet. Verklaring [medeverdachte] heeft bij de politie en ook tijdens de zitting verklaard dat hij heeft geroepen “Schiet dan jongen”. 3.3.2 Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 en feit 2 Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen is af te leiden dat verdachte [verdachte] op 22 april 2018 op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft geschoten met een vuurwapen in aanwezigheid van verdachte [medeverdachte] . [slachtoffer 1] is hierdoor overleden en [slachtoffer 2] heeft hierdoor letsel opgelopen. Medeplegen Hoewel [verdachte] degene is die met het vuurwapen heeft geschoten, is de rechtbank van oordeel dat hij dit samen met [medeverdachte] heeft gedaan. Theoretisch kader De Hoge Raad heeft in zijn overzichtsarrest van 2 december 2014 overwogen dat bij medeplegen sprake moet zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de medepleger moet van voldoende gewicht zijn. Bij de vorming van zijn oordeel over de vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict, het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Toegepast Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] en [medeverdachte] elkaar kenden. [medeverdachte] wist op het moment dat hij [verdachte] bezocht dat [verdachte] problemen. Uit het feit dat [medeverdachte] aankomt met een knuppeltje bij zich, blijkt dat [medeverdachte] daarop voorbereid was. [medeverdachte] heeft vanaf moment van zijn aankomst [verdachte] ook daadwerkelijk bijgestaan in de escalerende gebeurtenissen met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . In de rolverdeling is [medeverdachte] degene die met een flinke knuppel geweld gebruikt en is [verdachte] de man die (als achtervang) met een vuurwapen dreigt of het zonodig gebruikt. [medeverdachte] is degene die [verdachte] aanspoort om te schieten door te roepen ‘Schiet dan jongen’. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook sprake geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering tussen [verdachte] en [medeverdachte] dat er sprake is van medeplegen. Dat [medeverdachte] pas op het moment dat hij riep: “Schiet dan jongen” wist dat [verdachte] een vuurwapen had, acht de rechtbank niet aannemelijk. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] het vuurwapen heeft getoond tijdens het incident in het halletje bij de centrale voordeur. De rechtbank acht de verklaring van [medeverdachte] dat hem dit is ontgaan, niet aannemelijk, mede gelet op de verklaringen van [verdachte] en [getuige 2] en de mededeling over dat vuurwapen door [slachtoffer 1] in zijn 112-melding. Daarbij komt dat in de gegeven situatie, waarbij [medeverdachte] en [getuige 3] zich bewapenden met knuppels van [verdachte] , het niet geloofwaardig is dat [verdachte] zich niet zou hebben bewapend en verdachte dat niet zou hebben geweten. Opzet op de dood van [slachtoffer 1] De rechtbank volgt het verweer van de raadsman dat er geen opzet op de dood was niet. Verdachte ging met een vuurwapen de confrontatie aan met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Hij wist dat met name [slachtoffer 2] zich niet gemakkelijk liet tegenhouden. In die situatie moet hij zich bewust zijn geweest dat er een aanmerkelijke kans was dat hij in een hectische situatie gebruik van het wapen zou maken en daarbij iemand dodelijk zou treffen. Voorbedachten rade De verdachte zal worden vrijgesproken van het onderdeel “voorbedachten rade” bij zowel feit 1 als feit 2, omdat niet is gebleken dat er sprake was van een geplande, weloverwogen daad. Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank bewezen dat verdachte [verdachte] en verdachte [medeverdachte] zich samen hebben schuldig gemaakt aan doodslag van [slachtoffer 1] , zoals ten laste gelegd onder feit 1. Letsel [slachtoffer 2] en kwalificatie feit 2 De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de beschieting van [slachtoffer 2] niet gepland was en ook niet het opzet in zich droeg om te doden. Van poging moord of doodslag is daarom geen sprake. Hoewel een doorschot door de knie gemakkelijk tot zwaar lichamelijk letsel kan leiden, is uit het medische onderzoek gebleken dat het letsel betrekkelijk snel geheel zal genezen, zodat alleen de meer subsidiair tenlastegelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewezen zal worden verklaard. 3.3.3 Bewijsmiddelen en overwegingen ten aanzien van feit 3: De rechtbank acht dit feit bewezen gelet op: de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting; het proces-verbaal van forensisch onderzoek op de plaats delict; - de kennisgeving van inbeslagneming van de hulzen; - het munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Geleen op 22 april 2018, opgemaakt door het NFI. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte feit 1. op 22 april 2018 te Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met dat opzet eenmaal met een vuurwapen een kogel door het lichaam van die [slachtoffer 1] te schieten, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden; feit 2 meer subsidiair. op 22 april 2018 te Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet eenmaal met een vuurwapen een kogel in het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; feit 3. op 22 april 2018 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, een wapen van categorie II of III, te weten een vuurwapen en munitie van categorie II of III voorhanden heeft gehad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Noodweer Zowel [verdachte] als [medeverdachte] (subsidiair) hebben een beroep op noodweer gedaan. Zij stellen dat op het moment van confrontatie tussen [medeverdachte] enerzijds en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] anderzijds er een zodanig wederrechtelijke en dreigende aanranding van lijf voor [medeverdachte] ontstond, dat het voor verdediging noodzakelijk was dat [verdachte] met zijn vuurwapen op [slachtoffer 1] schoot (art. 41 Sr). Doordat [slachtoffer 2] daarna haar agressie op [verdachte] richtte, ontstond voor hem de noodzaak om ter eigen verdediging [slachtoffer 2] door haar knie te schieten. Daardoor is het doodschieten van [slachtoffer 1] en het door de knie schieten van [slachtoffer 2] weliswaar bewijsbaar, maar was het gerechtvaardigd (ter noodzakelijke verdediging) en dus niet strafbaar. Ter onderbouwing van hun standpunt verwijzen [verdachte] en [medeverdachte] met name naar de camerabeelden. Daarop is te zien dat als [verdachte] , [medeverdachte] , [getuige 2] en [getuige 3] naar buiten lopen, [slachtoffer 2] hen vrijwel direct daarna met twee messen in haar hand tegemoet loopt. Als reactie daarop trekt [verdachte] zijn vuurwapen en houdt dit voor zich in de richting van [slachtoffer 2] . [medeverdachte] en [getuige 3] flankeren hem met knuppels in hun hand. [medeverdachte] slaat vervolgens als eerste met zijn knuppel meermalen naar [slachtoffer 2] . Volgens de verdediging deed hij dat om het mes uit de handen van [slachtoffer 2] te slaan. Dit wordt echter niet bevestigd door de beelden. [slachtoffer 2] staat op dat moment nog met haar armen langs haar lichaam. Direct daarna richt de agressie van [slachtoffer 2] en de dan bij haar gekomen zijnde [slachtoffer 1] zich op [medeverdachte] en wordt deze door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] (door steek- en trapbewegingen) achteruit gedrongen, waarbij [slachtoffer 2] een van haar messen in de richting van [medeverdachte] werpt. Vervolgens dreigt zij het andere mes gericht te gooien. Direct daarna roept [medeverdachte]: Schiet dan jong, waarbij hij wijst in de richting van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 1] loopt dan uit beeld. [medeverdachte] maakt zich groot en loopt gericht op [slachtoffer 2] af, die achteruit loopt. Vervolgens gooit [slachtoffer 1] een stuk glas in de richting van het hoofd van [medeverdachte] . [slachtoffer 1] verdwijnt weer uit beeld waarna het eerste schot valt. Direct daarna is te zien dat rechts in het steegje nog een stuk glas kapot valt. [slachtoffer 2] richt zich dan tot [verdachte] , waarna het tweede schot valt. Direct daarna werpt zij nog haar mes in de richting van [verdachte] waarna zij hinkend wegloopt. De rechtbank is met de verdediging eens dat [medeverdachte] op enig moment in een situatie komt waarin sprake is van een aanranding van zijn lijf. Dat moment begint als [slachtoffer 2] met het mes op hem afkomt en [slachtoffer 1] hem trapt, waardoor hij achteruit de steeg in moet lopen en [verdachte] en [getuige 3] niet meer in zijn buurt staan. Vervolgens gooit [slachtoffer 2] een mes in de richting van [medeverdachte] en dreigt daarna gericht het andere mes naar [medeverdachte] te gooien. Korte tijd later – [medeverdachte] heeft [slachtoffer 2] dan achteruitgedrongen – gooit [slachtoffer 1] een stuk glas in de richting van [medeverdachte] . Nu ook [slachtoffer 1] tot geweld overging en met stukken glas naar [medeverdachte] ging gooien, zou gezegd kunnen worden dat voor [verdachte] en [medeverdachte] een situatie was ontstaan waarin men zich zou mogen verdedigen tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Een beroep op noodweer gaat echter niet op in het licht van alle omstandigheden die tot het ontstaan van deze dreigende situatie hebben geleid. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte] zichzelf willens en wetens bewapend hebben begeven in voormelde situatie van escalerend geweld. De rechtbank is van oordeel dat aan [verdachte] en [medeverdachte] kan worden verweten dat zij zich hadden kunnen en moeten blijven onttrekken aan de dreigende situatie die op dat moment bestond. Dit oordeel berust op de volgende feiten en omstandigheden. De hiervoor beschreven confrontatie was niet de eerste keer dat [verdachte] , [medeverdachte] , [getuige 3] en [getuige 2] met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te maken kregen die ochtend. De eerste daad van agressie is daarbij afkomstig geweest van [verdachte] zelf. Hij is het die die ochtend rond 5:00 uur vuurwerk tot ontploffing brengt bij een woonkamerraam van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] waardoor dit raam wordt vernield. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] bellen daarop de politie. Al voordat de politie ter plaatse is (rond 5:21 uur gecorrigeerde tijd), is [verdachte] ervan op de hoogte (vanuit zijn bovenraam kan hij alles zien en horen) dat zijn onderburen door het bekijken van de beelden bij [getuige 1] weten dat híj de vuurwerkbom heeft geplaatst. De politie onderneemt uiteindelijk, ondanks aandringen van de zijde van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , geen actie in de richting van [verdachte]. Uit de beelden blijkt dat [slachtoffer 2] zich vervolgens om 6:11 uur voor de eerste keer in de richting van de voordeur begeeft die toegang geeft tot de opgang naar de woning van [verdachte] . Uit de printgegevens van de telefoons van [verdachte] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] blijkt dat [verdachte] tussen 5:20 en 6:11 uur talloze keren telefonisch contact zoekt en gesprekken voert met (de telefoonnummers van) [naam 1] , een vijftal onbekenden en ene [naam 2] . Uit het feit dat daarna vrijwel geen gesprek meer getraceerd is afkomstig van [verdachte] , is gerechtvaardigd om aan te nemen dat [medeverdachte] , [getuige 3] en [getuige 2] al vóór 6:11 uur zijn benaderd om naar [verdachte] te komen. Dit wordt bevestigd doordat [medeverdachte] op de zitting zegt dat hij ongeveer een uur voor zijn aankomst bij [verdachte] (dat was om 6:26 uur) is gevraagd om te komen (dus omstreeks 5:26 uur: de politie was toen nog ter plaatse). Het eerste moment dat [slachtoffer 2] op de beelden met een mes te zien is, is om 6:11 uur. De eerste keer dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] met een mes bij de bovendeur van [verdachte] staan, is omstreeks 6:18 uur. De reden dat [medeverdachte] , [getuige 3] en [getuige 2] gevraagd werd om te komen, is dus niet gelegen in het feit dat [slachtoffer 2] met messen boven aan de deur verscheen (zoals [verdachte] verklaart). Zij zijn al gevraagd te komen op het moment dat er nog geen actuele dreiging met messen was. Het gedrag van met name [slachtoffer 2] gaf er blijk van dat zij woedend was. Ze was verbaal en fysiek agressief en niet voor rede en dreiging vatbaar. De deur beneden die toegang geeft tot de opgang naar de woning van [verdachte] wordt geforceerd en tot drie keer toe vertoont zij zich boven aan de deur bij [verdachte]. Tegen de deur is door haar geschopt en (met het mes) geslagen. [verdachte] verklaart dat hij de eerste twee keer de deur heeft opengemaakt, [slachtoffer 2] (en één keer [slachtoffer 1] ) met mes(sen) bewapend was en hij haar met moeite buiten de deur kon houden. In die bovendeur zijn 3 inkepingen zichtbaar die aansluiten bij de verklaring van [getuige 2] dat [slachtoffer 2] met haar mes in de deur stak. Diezelfde gefixeerdheid van [slachtoffer 2] op het verhaal halen bij [verdachte] en afwezigheid van angst bij [slachtoffer 2] blijkt daarna als [verdachte] c.s. weg willen gaan. Op de beelden is te zien dat [slachtoffer 2] al pratend naar de buitendeur van [verdachte] toeloopt (zonder dat er al iemand buiten te zien is op de beelden, maar aangenomen kan worden dat de deur dan is geopend). Als ze daar aankomt en er een knuppel door de lucht zwiept rakelings langs haar lichaam, aarzelt ze geen moment en loopt met een trappende beweging, het mes in haar hand, naar binnen (waarbij [slachtoffer 1] nog lijkt te proberen om haar tegen te houden). Binnen vindt dan een schermutseling plaats waarover [medeverdachte] verklaart dat hij achterover struikelde en [slachtoffer 2] met de knuppel moest slaan om te voorkomen dat ze hem zou steken en [verdachte] zegt dat hij zijn wapen moest tonen om ervoor te zorgen dat [slachtoffer 2] weer door de buitendeur verdween. Waarna de deur wordt gesloten en [verdachte] en [medeverdachte] zich konden onttrekken aan de dreigende situatie die van met name [slachtoffer 2] uitging. De rechtbank is van oordeel dat verdachten zich vanaf dat moment moesten realiseren dat zij de woning niet konden verlaten zonder dat er grote kans op een gewelddadige confrontatie ontstond. Met name de gemoedstoestand van [slachtoffer 2] had hen ervan moeten weerhouden twee minuten na de confrontatie bij de voordeur de woning (opnieuw) te verlaten. Van hen mocht verwacht worden dat zij in de woning van [verdachte] waren gebleven en de politie hadden gebeld of tenminste hadden gewacht totdat [slachtoffer 2] tot bedaren was gekomen. Uit de beelden en geluidsopname blijkt duidelijk dat de gemoederen nog behoorlijk verhit waren bij met name [slachtoffer 2] . Ze loopt druk heen en weer in de steeg. [slachtoffer 2] heeft dan ook letsel. [slachtoffer 1] belt buiten op straat met de politie om te melden dat [slachtoffer 2] geslagen is en dat ze zijn bedreigd met een vuurwapen. [slachtoffer 2] schreeuwt op een gegeven moment in de telefoon dat ze haar buurman gaat neersteken als de politie nu niet komt. Vanuit de woning van [verdachte] kon gevolgd worden wat op straat gebeurde (zie hiervoor). [verdachte] en [medeverdachte] hebben aangevoerd dat zij op dat moment geen andere mogelijkheid zagen dan de woning te verlaten omdat zij bang waren dat [slachtoffer 2] (en [slachtoffer 1] ) anders de bovendeur zouden forceren en alsnog binnen zouden komen. Deze redenering kan niet worden gevolgd. Niet valt in te zien immers dat het je gezamenlijk in de woning achter een gesloten voordeur terugtrekken risicovoller zou zijn dan op dat moment naar buiten gaan. De rechtbank vindt dat de stelling van [verdachte] en [medeverdachte] dat sprake was van een situatie van grote angst zich ook niet verdraagt met hun gedrag voor en tijdens het verlaten van de woning. De duidelijkste aanwijzing daarvoor is dat [verdachte] , [medeverdachte] , [getuige 2] en [getuige 3] , nadát [slachtoffer 2] (en [slachtoffer 1] ) al drie keer boven aan de deur bij [verdachte] geweest is, van tijdstip 00:53:38 tot 00:55:27 (1 minuut 49 seconden), bewapend met knuppels ( [medeverdachte] en [getuige 2] ) en een hand in de linkerzak ( [verdachte] ) uitgebreid bij [getuige 1] aan de deur gaan omdat [verdachte] per sé wilde dat de beelden van het vuurwerkincident gewist zouden worden. Hoewel de mannen gewapend zijn, maken ze geen heel gestreste indruk. [getuige 3] staat met de handen in de zak aan de straat en hoewel gedurende die gehele tijd (en blijkens de beelden ook nog twee minuten daarna: tot tijdstip 00:57:26) [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] niet aanwezig, althans niet in beeld zijn, maken de mannen geen enkele aanstalten om de steeg te verlaten. Daarnaast mag in aanmerking worden genomen dat [verdachte] en [medeverdachte] grote kerels zijn. [verdachte] is tien jaar militair geweest en heeft een opleiding in de beveiliging gevolgd. Hij was een goeie schutter en had ervaring in het hanteren van gevaarlijke en risicovolle situaties. [medeverdachte] had Taekwondo als gevechtsport beoefend. De beschreven feiten en omstandigheden voeden het beeld dat verdachten voorafgaand aan de finale confrontatie niet gedreven werden door angst, maar door de onwil om zich ten opzichte van [slachtoffer 2] (en [slachtoffer 1] ) zodanig op te stellen dat een confrontatie werd voorkomen. Het is derhalve [verdachte] die de woede van [slachtoffer 2] opwekt door een vuurwerkbom bij haar woning af te steken, die vervolgens kennelijk problemen voorziet en drie kompanen laat komen en bewapent, die niets doet om de situatie te de-escaleren, die zelfs nog probeert om bewijsmateriaal te verdonkeremanen en die tenslotte bereid is om, bewapend met een vuurwapen en vrienden met knuppels het dreigende geweld van [slachtoffer 2] (en [slachtoffer 1] ) te weerstaan. Het is [medeverdachte] die [verdachte] daarin vanaf het moment van zijn aankomst actief bijstaat. [medeverdachte] die naar eigen zeggen op dat moment bereid was om iedereen die in zijn buurt kwam, met de knuppel kapot te slaan. Deze feiten en omstandigheden dragen het oordeel van de rechtbank dat [verdachte] en [medeverdachte] onverantwoord en welbewust de te verwachten confrontatie met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn aangegaan. Zij hebben daarbij de aanmerkelijke kans op de koop toe genomen dat [verdachte] daarbij gebruik moest maken van zijn vuurwapen. Dit staat het beroep op noodweer in de weg. De rechtbank wordt in dit oordeel gesterkt door het gedrag van [verdachte] c.s. ná de beschietingen. In plaats van dat zij zich om de slachtoffers bekommeren of in elk geval wachten tot de politie ter plaatse komt, maken zij zich zo snel ze kunnen uit de voeten, waarbij [medeverdachte] [slachtoffer 2] nog een klap met de knuppel nageeft en nog wordt geroepen ‘lekker voor je, kankerkop’. Als het de dag(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.