RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer: 03/659407-17 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 juni 2019 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboortegegevens verdachte] , wonende te [adresgegevens verdachte] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. A.A.Th.X. Vonken, advocaat kantoorhoudende te Maastricht. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 mei
(69)’). De verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] hoorden dat [medeverdachte 1] zei dat dit de persoon was die was weggerend op die bewuste avond. Later heeft [medeverdachte 1] verklaard dat de oude [verdachte] van 1969 is en dat deze [verdachte] de aanvoerder, het aanspreekpunt, de contactpersoon was. De verklaring van [medeverdachte 1] over de betrokkenheid van de verdachte vindt steun in de volgende bewijsmiddelen: A. Op 19 oktober 2017 omstreeks 13:37 uur zag verbalisant L160 dat een bestelauto van het merk/type Peugeot Partner met het kenteken 72-RZF-7 het terrein opreed van de [naam winkel 2] te Sittard en op het parkeerterrein geparkeerd werd. Vervolgens zag hij dat twee mannen uit deze Peugeot stapten. De bestuurder herkende hij als [verdachte] , geboren op [geboortegegevens verdachte] te Eindhoven. Omstreeks 13:38 uur zag verbalisant L108 dat [verdachte] ( [X] ) en een andere man de [naam winkel 2] binnen gingen en schroeven kochten. Vervolgens zag verbalisant L108, omstreeks 13:43 uur, dat [verdachte] ( [X] ) en de andere man in de Peugeot stapten en vertrokken. Diezelfde dag, omstreeks 14:41 uur, zag verbalisant L115 dat de Peugeot met het kenteken 72-RZF-7 over [adres] te Velden reed en even tot stilstand kwam ter hoogte van [adres] te Velden. Vervolgens reed de auto het bosgebied in. Op 24 oktober 2017 omstreeks 13:53 uur zag verbalisant L110 dat de Peugeot Partner met het kenteken 72-RZF-7 over de [straatnaam] te Venlo reed. Hij herkende de bestuurder, tevens enige inzittende van de auto, als [verdachte] ( [X] ). Omstreeks 13:56 uur zag verbalisant L160 dat deze Peugeot reed over [adres] te Velden. Hij zag dat de Peugeot in het bosgebied rondreed. B. Zoals hierboven is overwogen zag verbalisant AOT-Zuid 311 op 22 november 2017 twee hem onbekende personen rennen uit de richting van de productieloods door de poort de achtertuin in. De persoon, NN1, rende weg door de achtertuin richting de omheining. Uiteindelijk schoot de verbalisant met een shotgun, geladen met zogenoemde beanbags, van achteren driemaal op NN
- Na het eerste schot hoorde hij NN1 luidkeels ‘Auw’ roepen. NN1 rende verder en verdween uit het zicht. De verbalisant staakte de achtervolging van NN
- Op 29 november 2017 werd [verdachte] ( [X] ) buiten heterdaad aangehouden. Op 30 november 2017 vond een forensisch geneeskundig onderzoek plaats van deze [verdachte] . De forensisch geneeskundige constateerde dat aan de buitenzijde van het linker bovenbeen een semi circulair samengesteld, iets gezwollen letsel, zichtbaar was met een totale diameter van zesenhalve centimeter. Het letsel bestond uit drie samengestelde concentrische cirkels. Het centrum was tweeënhalve centimeter bij drieënhalve centimeter en bestond uit deels ontstoken, deels afgestorven weefsel. Het letsel had in algemene zin kenmerken die passen bij een projectielinslag of zéér hevig botsend geweld met een stomp voorwerp met kenmerken zoals een projectiel, bijvoorbeeld een steen. C. Op 23 november 2017 werd door de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , als forensisch onderzoekers, forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met het vervaardigen van harddrugs in perceel [adres] (de rechtbank begrijpt: [adres] ) te Velden. Het onderzoek is verricht in de woning (vrijstaand) van [medeverdachte 1] . Aan de rechterzijde van de woning bevond zich een loods. De verbalisanten zagen en roken dat in de loods een amfetaminelaboratorium aanwezig was. Op een tafeltje in de loods werd aangetroffen een halfgelaatmasker, merk North (SIN van biologisch spoor AAKA9799NL). Van het halfgelaatmasker (SIN AAKA9799NL) is een DNA-profiel gegenereerd dat is vergeleken met het DNA-profiel van [verdachte] ( [X] ), van wie sinds 26 april 2013 een DNA-profiel is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank strafzaken. Uit vergelijkend DNA-onderzoek is gebleken dat het biologisch spoor op het halfgelaatmasker met SIN AAKA9799NL het DNA-mengprofiel bevat dat afkomstig is van celmateriaal van twee donoren, van wie zeker één man. [verdachte] ( [X] ) en een onbekende persoon zijn de mogelijke donoren van het celmateriaal. De matchkans met een willekeurig persoon is kleiner dan één op één miljard. D. Op 23 november 2017 stond in de vaste garage van de woning [adres] te Velden een voertuig van het merk/type Peugeot Partner met kenteken 72-RZF-7 geparkeerd. Het voertuig werd tactisch doorzocht. Op de bestuurdersstoel werd een heuptas aangetroffen met daarin een Nederlands rijbewijs op naam van [verdachte] , geboren op [geboortegegevens verdachte] te Eindhoven. 3.4.7 De bijzondere bewijsoverweging III Op grond van onder meer de resultaten van de observaties stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 19 en 24 oktober 2017 met de Peugeot Partner met kenteken 72-RZF-7 op het adres [adres] te Velden is geweest. Dit biedt steun aan de verklaring van [medeverdachte 1] dat de verdachte in die periode betrokken was bij het verbouwen van de loods. Op grond van (de combinatie van) het volgende bewijs stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 22 november 2017 in de loods op het adres [adres] te Velden werkzaam is geweest: [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de verdachte toen in de loods werkzaam was. De onbekende persoon die op 22 november 2017 heeft kunnen vluchten, is kennelijk geraakt toen de politie met zogenoemde beanbags op hem heeft geschoten. Bij de verdachte is één week nadien letsel geconstateerd dat bij een schotwond met een beanbag past (en bij weinig anders). Op 23 november 2017 is in de betreffende loods een halfgelaatmasker aangetroffen met daarop DNA-materiaal van de verdachte. De Peugeot Partner met het kenteken 72-RZF-7, die de verdachte heeft bestuurd op 19 en 24 oktober 2017, is op 23 november 2017 aangetroffen in de vaste garage behorende bij de woning [adres] te Velden. Op de bestuurdersstoel werd een heuptas aangetroffen met daarin een Nederlands rijbewijs op naam van de verdachte. Gelet op vorenstaande bewijsmiddelen en -overwegingen is de rechtbank van oordeel dat hetgeen [medeverdachte 1] heeft verklaard over de rol van de verdachte voldoende steun vindt in de andere bewijsmiddelen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden zodanig op de betrokkenheid van de verdachte bij het delict wijzen, dat van hem een redelijke verklaring mag worden verlangd om die te weerleggen. De verdachte heeft zich echter telkens beroepen op zijn zwijgrecht en deze verklaring niet willen geven. Dit betrekt de rechtbank bij haar selectie en waardering van het voorhanden bewijsmateriaal in het nadeel van verdachte. Gelet op het vorenstaande staat het voor de rechtbank vast dat de verdachte een coördinerende én uitvoerende rol heeft gehad bij het opzetten en exploiteren van het amfetamine- en BMK-laboratorium. Overigens acht de rechtbank niet bewezen dat de voorbereidingshandelingen ook zagen op de uitvoer van amfetamine. Waar het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren een vanzelfsprekend gevolg zijn van de productie van een grote hoeveelheid amfetamine, geldt dit niet ook direct voor de uitvoer ervan. Evenmin acht de rechtbank bewezen dat de voorbereidingshandelingen zagen op strafbare feiten met betrekking tot MDMA. 3.4.8 De bewijsmiddelen IV De (verdere) betrokkenheid van een ander, medeverdachte [medeverdachte 2] (geboren op [geboortegegevens medeverdachte 2] ) Op 22 november 2017 te 23:15 uur is een man aangehouden in de omheinde tuin, behorende bij [adres] te Velden. Voordat deze man werd aangehouden zag verbalisant AOT Zuid 207 hem in de loods staan. Deze loods was ingericht als drugslab. De verbalisant sommeerde de man dat hij uit het lab moest komen. Deze man verklaarde [geboortegegevens medeverdachte 2] te heten. Later gaf hij zijn personalia op: [geboortegegevens medeverdachte 2] , geboren op [geboortegegevens medeverdachte 2] te Eindhoven (om hem te onderscheiden van de verdachte zal de rechtbank de medeverdachte hierna ook wel aanduiden als [geboortegegevens medeverdachte 2] ( [X] )). [geboortegegevens medeverdachte 2] ( [X] ) heeft onder meer het volgende verklaard: Ik ben maar twee keer bij de woning van [medeverdachte 1] op [adres] te Velden geweest. De eerste keer was in het laatst van oktober (de rechtbank begrijpt: 2017). De tweede keer is geweest toen ik ben opgepakt, op 22 november (de rechtbank begrijpt: 2017). De eerste dag heb ik enkel uitleg gekregen over wat ik zou moeten doen. Ik heb toen geen handelingen verricht daar die dag. De tweede dag heb ik spullen in een ketel gedaan, gelet op de temperatuur van de ketels en moest ik ervoor zorgen dat peuken, maskers en handschoenen werden opgeruimd. Hiertoe moest ik alles in zakken gooien. In ieder geval was [medeverdachte 1] naast mij. 3.4.9 De bijzondere bewijsoverweging IV Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [geboortegegevens medeverdachte 2] ( [X] ) eind oktober 2017 in de betreffende loods is geweest en toen uitleg heeft gekregen over bepaalde werkzaamheden. Uit andere bewijsmiddelen blijkt echter dat er eind oktober 2017 in de loods nog geen in werking zijnde inrichting was. Het lijkt erop dat op dat moment nog verbouwingswerkzaamheden plaatsvonden. Het staat geenszins vast welke goederen, ten behoeve van de latere inrichting, toen in de loods aanwezig waren. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat [geboortegegevens medeverdachte 2] ( [X] ) zich op 22 november 2017 met anderen heeft bezig gehouden met de productie van BMK en hiertoe de in de loods aangetroffen goederen aanwezig heeft gehad. 3.5 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte feit 1 in de periode van 9 november 2017 tot en met 22 november 2017 te [adres] , gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervaardigd en bereid en aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; feit 2 in de periode van 9 november 2017 tot en met 22 november 2017 te [adres] , gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, zich of anderen middelen tot die feiten heeft trachten te verschaffen door in voornoemde periode een hoeveelheid BMK te produceren en een aantal stoffen voorhanden heeft gehad, (waaronder onder meer) - circa 25 liter BMK op een sterk waterige vloeistof en - circa 150 liter BMK en - circa 325 liter amfetamine in methanol en - circa 150 liter BMK en N-formylamfetamine in zwak zure vloeistof en - circa 330 liter BMK en een lage concentratie N-formylamfetamine in een zwak zure vloeistof en - circa 120 liter BMK en - circa 120 liter N-formylamfetamine en - circa 800 kilogram brokken vermoedelijk zout van BMK-glycidezuur en - circa 4 liter methanol en - circa 380 liter mierenzuur en - circa 80 liter methanol en - circa 60 liter N-formylamfetamine en - circa 1040 liter fosforzuur en - circa 200 liter formamide en - circa 10 liter (verdund) zwavelzuur en - circa 835 kilogram caustic soda en - circa 15 liter amfetamine in zwak alkalische waterige vloeistof, waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten dat die goederen bestemd waren tot het plegen van die feiten. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op: feit 1 medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, in eendaadse samenloop gepleegd feit 2 medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De straf 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft in de eerste plaats naar voren gebracht dat: sprake is van strafbare feiten die ernstig maatschappelijk verstorend zijn; de productie van synthetische drugs - in dit geval amfetamine - op alle fronten leidt tot buitengewoon onwenselijke situaties, zoals: het zonder enige waarborg vervoeren van chemicaliën, de opslag van chemicaliën met gevaar voor de omwonenden en de producenten zelf, het lozen van chemisch afval en het gebruik van amfetamine dat verslavend is en schadelijk voor de volksgezondheid; deze feiten zich afspelen in een criminele omgeving, waarbij het gaat om veel geld en waarbij de betrokkenen ver gaan om hun belangen te behartigen. Geweld wordt niet geschuwd; in beginsel niet anders kan worden gereageerd dan met een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gegeven deze omstandigheden, de sturende rol van de verdachte en de recidive waarvan blijkt uit zijn strafblad, heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van tweeënveertig maanden met aftrek van voorarrest. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om te volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van een jaar. Hiertoe heeft de raadsman gewezen op: de beperkte pleegperiode van twee weken; het beperkte strafblad van de verdachte; het feit dat de verdachte met betrekking tot het drugslaboratorium kan worden beschouwd als uitvoerder. Uit het feit dat hij het meeste risico heeft gelopen, zowel wat betreft zijn gezondheid, als wat betreft de mogelijke betrapping, blijkt al dat hij niet kan worden aangemerkt als een van de grootverdieners; het feit dat de hoeveelheid amfetamine die daadwerkelijk is geproduceerd - ongeveer elf kilogram - in schril contrast staat tot de door de verbalisant berekende hoeveelheid natte amfetaminesulfaat of -pasta, te weten 2.946 kilogram; de lange duur van het voorarrest van de verdachte; de strafoplegging in soortgelijke zaken. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft samen met anderen voorbereidingshandelingen gepleegd met het oog op de productie van en de handel in amfetamine. Hiertoe heeft hij samen met anderen BMK geproduceerd en stoffen voor de productie van amfetamine voorhanden gehad. Daarnaast heeft de verdachte samen met anderen daadwerkelijk amfetamine geproduceerd. Voorbereidingshandelingen voor de productie van en handel in amfetamine en de daadwerkelijke productie van amfetamine zijn zeer ernstige strafbare feiten, die de volksgezondheid in ernstig gevaar brengen. In de eerste plaats brengen de opslag van chemicaliën en de uiteindelijke productie van synthetische drugs grote gevaren met zich mee. Zo bestaat er gevaar voor andere personen door brand, ontploffing of het vrijkomen van giftige stoffen. Daarnaast leveren deze feiten ernstig gevaar op voor het milieu. Veelal wordt het chemische afval van een amfetaminelaboratorium gedumpt in de natuur. In dit geval werd het afval afgevoerd via het riool. Bovendien leveren deze harddrugs voor gebruikers ernstige gezondheidsrisico’s op. Verdachte heeft al deze risico’s terzijde geschoven voor zijn eigen gewin. Ten slotte gaat de productie van en de handel in harddrugs gepaard met diverse vormen van criminaliteit. Hieruit blijkt dat deze criminaliteit een maatschappelijk ontwrichtende werking heeft. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat in de regel voor het exploiteren van een amfetaminelaboratorium uitgangspunt is dat een gevangenisstraf van achttien maanden opgelegd dient te worden. Deze gevangenisstraf dient hoger uit te vallen als de rol van de verdachte in het geheel of bijvoorbeeld zijn strafblad hiertoe aanleiding geeft. In dit verband houdt de rechtbank rekening met het strafblad van de verdachte d.d. 9 april
- Daaruit volgt dat de verdachte eerder, voorafgaand aan het begaan van het bewezenverklaarde, is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ter zake van soortgelijke strafbare feiten. Deze eerdere veroordeling was ten tijde van het bewezenverklaarde onherroepelijk. Deze veroordeling heeft de verdachte er niet van weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te begaan. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting. Daarnaast houdt de rechtbank er in verdachtes nadeel rekening mee dat in de loods een hoeveelheid van in totaal ongeveer elf kilogram amfetaminebase is aangetroffen, naast stoffen en materialen voor de grootschalige productie van harddrugs. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden passend en geboden. Een gedeelte hiervan, groot zes maanden, zal de rechtbank voorwaardelijk opleggen. Zij hoopt dat dit voorwaardelijk gedeelte de verdachte er in de toekomst van zal weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. 7De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 8De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.5 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte voor de feiten 1 en 2 tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.M.M. Gijselaers, voorzitter, mr. R. Verkijk en mr. G.L.A.M. van Doveren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juni
- Buiten staat Mr. R. Verkijk en mr. G.L.A.M. van Doveren zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat feit 1 hij in of omstreeks de periode van 19 oktober 2017 tot en met 22 november 2017 te [adres] , gemeente Venlo, in elk geval binnen het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of aanwezig heeft gehad een hoeveelheid amfetamine, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; feit 2 hij in of omstreeks de periode van 19 oktober 2017 tot en met 22 november 2017 te [adres] , gemeente Venlo, in elk geval binnen het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelheid/ hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, zich of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen tot dat feit / die feiten heeft trachten te verschaffen door in/binnen voornoemde periode een hoeveelheid BMK te produceren, EN/OF, een aantal voorwerpen en/of stoffen voorhanden heeft gehad, (waaronder ondermeer) - circa 25 liter BMK op een sterk waterige vloeistof, en/of - circa 150 liter BMK, en/of - circa 325 liter amfetamine in methanol, en/of - circa 150 liter BMK en N-formylamfetamine in zwak zure vloeistof, en/of - circa 330 liter BMK en een lage concentratie N-formylamfetamine in een zwak zure vloeistof, en/of - circa 120 liter BMK, en/of - circa 120 liter N-formylamfetamine, en/of - circa 825 kilogram brokken vermoedelijk zout van BMK-glycidezuur, en/of - circa 4 liter metanol, en/of - circa 380 liter mierenzuur, en/of - circa 80 liter methanol, en/of - circa 60 liter N-formylamfetamine, en/of - circa 1040 liter fosforzuur, en/of - circa 200 liter formamide, en/of - circa 10 liter (verdund) zwavelzuur, en/of - circa 835 kilogram caustic soda, en/of - circa 15 liter amfetamine in zwak alkalische waterige vloeistof, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die goederen bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en). Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, Team Ondermijning Limburg, met proces-verbaalnummer LBRAA17034, inclusief twee aanvullingen op het eindproces-verbaal, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina
- Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft. Proces-verbaal inkijk loods [adres] te [adres] d.d. 11 december 2017 op de pagina’s 113 en
- LFO: Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen. Proces-verbaal van bevindingen van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen d.d. 21 december 2017 op de pagina’s 217 en
- Een zogenoemde LFO-lijst (met BVH nr: PL2300-2017166290) met aangetroffen goederen, als bijlage bij een kennisgeving van inbeslagneming, op pagina
- Op pagina 213 abusievelijk aangeduid met AAIY5712NL. Een zogenoemde LFO-lijst (met BVH nr: PL2300-2017166290) met aangetroffen goederen, als bijlage bij een kennisgeving van inbeslagneming, op pagina
- Een zogenoemde LFO-lijst (met BVH nr: PL2300-2017166290) met aangetroffen goederen, als bijlage bij een kennisgeving van inbeslagneming, op pagina
- Een zogenoemde LFO-lijst (met BVH nr: PL2300-2017166290) met aangetroffen goederen, als bijlage bij een kennisgeving van inbeslagneming, op pagina
- Een zogenoemde LFO-lijst (met BVH nr: PL2300-2017166290) met aangetroffen goederen, als bijlage bij een kennisgeving van inbeslagneming, op pagina
- Een zogenoemde LFO-lijst (met BVH nr: PL2300-2017166290) met aangetroffen goederen, als bijlage bij een kennisgeving van inbeslagneming, op pagina
- Een zogenoemde LFO-lijst (met BVH nr: PL2300-2017166290) met aangetroffen goederen, als bijlage bij een kennisgeving van inbeslagneming, op pagina
- Deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut ‘Drugsonderzoek aan materialen aangetroffen op de locatie [adres] te Velden, 22 november 2017’ d.d. 16 januari 2018 met zaaknummer 2017.12.05.184, aanvraagnummer 001, op de pagina’s 269-
- Deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut ‘Drugsonderzoek aan materialen aangetroffen op de locatie [adres] te Velden, 22 november 2017’ d.d. 16 januari 2018 met zaaknummer 2017.12.05.184, aanvraagnummer 001, op pagina
- Proces-verbaal van bevindingen van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen d.d. 21 december 2017 op de pagina’s 223 en
- AOT proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 november 2017 op de pagina’s 133 en
- Proces-verbaal Sporenonderzoek d.d. 20 maart 2018 op de pagina’s 280, 281 en
- Proces-verbaal onderzoek beslag d.d. 4 januari 2018 op de pagina’s 338 en
- Proces-verbaal Afname DNA celmateriaal door opsporingsambtenaar d.d. 29 december 2017 op pagina
- Proces-verbaal Waarnemer afname celmateriaal d.d. 29 december 2017 op pagina
- Brief van de officier van justitie d.d. 6 februari 2018 aan TMFI – DNalysis op pagina
- Aanvraag DNA-onderzoek sporen en benoeming DNA-deskundige d.d. 30 januari 2018 op de pagina’s 317-319 in combinatie met de brief van de officier van justitie d.d. 6 februari 2018 aan TMFI – DNalysis op pagina
- Deskundigenrapport Forensisch DNA-onderzoek d.d. 12 maart 2018, zaaknummer TMFI 2018.02.08.001 op pagina
- Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 december 2017 op pagina
- Extraction report ‘Web History