vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer: C/03/248124 / HA ZA 18-167 Vonnis van 26 juni 2019 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , en 2 [eiseres sub 2] , beiden wonend te [woonplaats 1] , eisers, advocaat mr. N.P.H. Vissers; tegen: 1 [gedaagde sub 1] , en 2. [gedaagde sub 2], beiden wonend te [woonplaats 2] , gedaagden, advocaat mr. R.C.C.M. Nadaud. Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd worden. 1Het verdere verloop van de procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 27 maart 2019; de akte van [eisers] van 24 april 2019; de akte van [gedaagden] van 24 april 2019; de akte van 1 mei 2019 van [eisers] 1.2. Ten slotte is wederom vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling Verzoek om rectificatie van het tussenvonnis van 27 maart 2019 2.1. De rechtbank zal allereerst ingaan op het verzoek van [gedaagden] om rectificatie van het tussenvonnis van 27 maart 2019. 2.2. [gedaagden] stellen terecht, hetgeen wordt onderschreven door [eisers] , dat het tussenvonnis een kennelijke vergissing bevat, nu onder 5.2. en 5.3. standaardteksten zijn opgenomen die betrekking hebben op een bewijsopdracht, doch niet de bewijsopdracht zelf, terwijl in de overwegingen van het vonnis niet is opgenomen dat een der partijen wordt toegelaten tot het leveren van bewijs. De bedoelde overwegingen 5.2. en 5.3. zijn inderdaad abusievelijk opgenomen in het dictum van het vonnis. 2.3. Dit betekent dat het tussenvonnis van 27 maart 2019 als volgt moet worden verbeterd: de overwegingen 5.2. en 5.3. moeten worden geschrapt; de overwegingen 5.4., 5.5. en 5.6. moeten respectievelijk worden hernummerd tot 5.2., 5.3. en 5.4. 2.4. [gedaagden] hebben voorts bezwaar gemaakt tegen de vaststelling door de rechtbank in het vonnis dat [gedaagden] geen bezwaar hebben gemaakt tegen de stelling van [eisers] , dat de bestaande poort te smal was om te worden hergebruikt en dat de staanders ervan verrot waren. 2.5. De rechtbank ziet geen aanleiding om op deze vaststellingen terug te komen, nu de juistheid van de stellingen van [gedaagden] niet blijkt uit de door de rechtbank gehouden aantekeningen van de zitting en [gedaagden] ook niet nader hebben onderbouwd waaruit de juistheid van hun standpunt zou blijken. Het dak 2.6. [eisers] hebben de rechtbank in hun akte van 24 april 2019 verzocht een akte te mogen nemen met betrekking tot het geschil betreffende het beweerde gebrek aan het dak. 2.7. De rechtbank begrijpt dat verzoek als een verzoek om terug te komen op een bindende eindbeslissing. In rechtsoverweging 4.39. heeft de rechtbank immers overwogen dat de vordering met betrekking tot het dak moet worden afgewezen, doch dat een daarmee corresponderende beslissing zal worden aangehouden totdat eindvonnis kan worden gewezen, zodat het geschil omtrent het dak als afgesloten moet worden beschouwd. 2.8. Uit constante jurisprudentie volgt dat een rechter kan terugkomen op een bindende eindbeslissing, indien deze berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. 2.9. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke onjuiste juridische of feitelijke grondslag geen sprake is. Immers, aan de hand van de stellingen en de overgelegde bewijsmiddelen, waaronder het partijdeskundigenrapport en de cd met geluidsopnames, heeft de rechtbank geoordeeld dat [eisers] onvoldoende hebben gesteld dat er sprake is van een gebrek aan het dak. Voorts heeft de rechtbank tijdens de comparitie slechts aangegeven dat, indien er behoefte was aan (nader) bewijs met betrekking tot de gestelde gebreken aan het dak, de rechtbank de voorkeur gaf aan bewijslevering door middel van een deskundigenbericht. Enerzijds heeft de rechtbank daarmee slechts een voorshands oordeel gegeven, waaraan [eisers] geen rechten kunnen ontlenen. Anderzijds, indien [eisers] zouden hebben mogen begrijpen dat er geen sprake zou zijn geweest van een voorlopig oordeel, was er enkel sprake van een instructie over de voortgang van de zaak, waaraan de rechter niet is gebonden en waarop hij dus kan terugkomen. Een dergelijke instructie van de zaak is niet te beschouwen als een bindende eindbeslissing. Dat deze door [eisers] als voorlopige oordeel begrepen instructie voor haar aanleiding is geweest om, in afwachting van het deskundigenbericht de (diverse) verweren van [gedaagden] op dat moment niet te weerspreken, moet dus voor haar risico blijven. Het deskundigenbericht 2.10. [gedaagden] hebben gesteld dat de oude haag bestond uit bramen, klimop en een 4 m lange haag van meidoorn. De meidoornhaag was volgens [gedaagden] 2 m hoog, de rest van de haag was 1,70 m hoog. De oorspronkelijke oprit was volgens [gedaagden] 3,5 m breed. 2.11. Met betrekking tot de vraag naar aantal en de persoon van de te benoemen deskundigen en de aan deze voor te leggen vragen hebben [gedaagden] geantwoord dat zij de benoeming van één deskundige voldoende vinden, dat zij landschaps- en tuinarchitect [naam] , te [plaats] voorstellen als te benoemen deskundige en dat zij akkoord zijn met de door de rechtbank voorgestelde vragen. 2.12. Volgens [eisers] was de hoogte van de oude haag tussen de 1,50 m en 2 m. Zij merken in dat verband nog op dat de voortuin in het verleden volledig was omsloten, niet alleen door een haag maar ook door struiken en bomen. Na de aanleg van de nieuwe oprit ligt de voortuin volledig open. Om te komen tot een situatie die overeenstemt met de oude situatie is volgens hen een haag op hoogte dan ook absoluut noodzakelijk. De nieuwe haag moet derhalve ook wintergroen zijn. Daarom is gekozen voor een taxushaag. De oude haag kon er volgens [eisers] voor zorgen dat er geen inkijk mogelijk was, doordat in de winter de inkijk mede werd voorkomen door de haag zelf en door wat er achter stond: bomen en struiken. [eisers] stellen te hebben gekozen voor een taxushaag, omdat deze het beste aansluit op de bestaande hagen. Wat de breedte van de oprit betreft stellen [eisers] , naar de rechtbank begrijpt, dat deze 3,5 m was, zodat de te benoemen deskundige, gelet op hetgeen de rechtbank in het tussenvonnis onder 4.29. heeft overwogen, van dat gegeven kan uitgaan. 2.13. Zoals de rechtbank in het tussenvonnis onder 4.25. al had overwogen, hebben [eisers] ter bescherming van hun privacy recht op een erfafscheiding, die zoveel mogelijk – wat betreft de aard en de hoogte – lijkt op de gerooide haag. 2.14. De rechtbank is van oordeel dat [eisers] voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de gerooide haag op grond van de gemengde samenstelling in de zomer en winter ondoorzichtig was en dat deze tussen de 1,5 m en 2 m hoog was. Derhalve is het gerechtvaardigd dat door hen vergoeding wordt gevorderd van de kosten van de aanleg van een haag die enkel bestaat uit taxus, met een hoogte van ongeveer 1,75 m, nu een dergelijke haag ondoorzichtig is en in zomer en winter groen is, zodat deze dezelfde mate van privacy biedt als de gerooide haag. De rechtbank zal de voorgestelde vraag 5 aan de deskundige dan ook aanpassen, in die zin dat enkel nog zal worden gevraagd wat de kosten zijn van een aan te planten taxushaag met een hoogte van 1,75 m en een lengte van 11 m. 2.15. Ten aanzien van de aan de te benoemen deskundige voor te leggen vragen, hebben [eisers] suggesties gedaan voor een andere vraagstelling. De rechtbank zal die suggesties niet overnemen, nu deze, zoals [eisers] zelf al vermoeden, geen relevante aanvulling zijn op de door de rechtbank geformuleerde vragen. De rechtbank heeft, gelet op de bezwaren van [eisers] tegen een door [gedaagden] voorgestelde deskundige, zelf een deskundige aangezocht, zie hierna in het dictum onder 3.3. 2.16. [eisers] wijzen er terecht op dat in de voorgestelde vraag 1 ten onrechte wordt verwezen naar rechtsoverweging 4.30., zodat de rechtbank die verwijzing in de definitieve vraagstelling zal schrappen. 2.17. Het eerder aangekondigde deskundigenbericht zal nu worden bevolen. De rechtbank heeft kennis genomen van het tussen partijen gevoerde debat omtrent het aantal te benoemen deskundigen, de persoon van de deskundige(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.