← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2019:6561

RECHTbANK Limburg Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/866139-18 (ontneming) Tegenspraak Uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 10 juli 2019 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Bondrepubliek Duitsland) op [geboortedag] 1981, wonende te [adres 1] , hierna te noemen: [verdachte] . [verdachte] wordt bijgestaan door mr. G.A.C. Beckers, advocaat, kantoorhoudende te Sittard. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 juni

  1. [verdachte] en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaken met parketnummers 03/866139-18 en 03/238992-17, alsmede met de behandeling van de ontnemingsvordering met parketnummer 03/238992-
  2. Op 10 juli 2019 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de (gevoegde) strafzaken. Vervolgens zijn de ontnemingsuitspraken gewezen. 2De vordering van de officier van justitie De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie had dit bedrag in eerste instantie geschat op 22.691,34 euro. Op de terechtzitting van 26 juni 2019 heeft de officier van justitie de vordering gezamenlijk met de vordering met parketnummer 03/238992-17 beoordeeld en geconcludeerd tot een totaal wederrechtelijk verkregen voordeel van 27.689 euro met – in verband met schending van de redelijke termijn – een betalingsverplichting van 25.000 euro. 3Het oordeel van de rechtbank 3.1 Inleiding Bij voormeld vonnis d.d. 10 juli 2019 is [verdachte] veroordeeld wegens: - de voortgezette handeling van: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd op 16 februari 2017, en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd in de periode van 1 oktober 2016 tot en met 22 februari 2017; - diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, gepleegd in de periode van 1 oktober 2016 tot en met 22 februari
  3. Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [verdachte] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden en/of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door [verdachte] zijn begaan. 3.2 Beoordeling van de rechtbank De officier van justitie heeft zowel in de zaak met parketnummer 03/866139-18 als in de zaak met parketnummer 03/238992-17 een ontnemingsvordering ingediend. Deze zijn op de terechtzitting van 26 juni 2019 gelijktijdig behandeld. Uit hetgeen ter zitting naar voren is gekomen en uit het dossier blijkt dat beide vorderingen betrekking hebben op – kort gezegd – de opbrengst van een geslaagde oogst van een hennepkwekerij in de woning van [verdachte] aan de [adres 2] te Landgraaf. Die hennepkwekerij was onderdeel van de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 03/238992-
  4. In de daaraan gekoppelde ontnemingsprocedure doet de rechtbank eveneens heden uitspraak en legt zij aan [verdachte] een ontnemingsmaatregel op voor het voordeel dat hij uit de hennepkwekerij heeft genoten, na aftrek van de hennep die nog is aangetroffen op de [adres 3] te Kerkrade en de [adres 2] te Landgraaf. De onderhavige vordering is gebaseerd op zes aangetroffen lege zakken op de [adres 3] te Kerkrade, waarvan de voormalige inhoud (6 kilogram hennep) als verkocht werd verondersteld. Uit hetgeen ter terechtzitting en uit het dossier naar voren is gekomen, is echter aannemelijk dat die hennep eveneens afkomstig was uit de geslaagde oogst van de kwekerij op de [adres 2] te Landgraaf. De opbrengst daarvan is dus reeds verwerkt in de ontnemingsprocedure met parketnummer 03/238992-
  5. Toewijzing van (een deel van) onderhavige vordering zou dus leiden tot een dubbele ontneming voor dezelfde opbrengst. Daarom zal de rechtbank deze vordering afwijzen. 4De beslissing De rechtbank: - wijst af de vordering van de officier van justitie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze uitspraak is gegeven door mr. A.P.A. Bisscheroux, voorzitter, mr. drs. J.M.A. van Atteveld en mr. A.K. Kleine, rechters, in tegenwoordigheid van mr. O.A.G. Corten, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 juli
  6. Buiten staat Mr. drs. J.M.A. van Atteveld is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/866139-18 (ontneming) Proces-verbaal van de openbare zitting van 10 juli 2019 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Bondrepubliek Duitsland) op [geboortedag] 1981, wonende te [adres 1] , hierna te noemen: [verdachte] . Raadsman is mr. G.A.C. Beckers, advocaat, kantoorhoudende te Sittard. Tegenwoordig: mr. , rechter, mr. , officier van justitie, , griffier. De rechter doet de zaak uitroepen. [verdachte] is wel/niet in de zittingzaal aanwezig. De rechter spreekt de beslissing uit en geeft [verdachte] kennis dat hij daartegen binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen. Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de rechter en de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.