RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer: 03/064522-18 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 juli 2019 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboortegegevens verdachte] , wonende te [adresgegevens verdachte] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. R. Engwegen, advocaat kantoorhoudend te Echt. 1Het onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 juli 2019. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige dochter. 3De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd feit 1 en feit 2 wettig en overtuigend bewezen te verklaren. De verklaring van het slachtoffer wordt ondersteund door de verklaring van haar vriendin [aangever 1] , de verklaring van haar mentor mevrouw [aangever 2] en de verklaring van [aangever 3] . 3.2 Het standpunt van de verdediging Het verweer van de verdediging is opgenomen in een schriftelijk pleidooi dat tijdens de terechtzitting is overgelegd. De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit, omdat de verklaring van het slachtoffer onbetrouwbaar is en van het bewijs moet worden uitgesloten. Bovendien is er onvoldoende steunbewijs in het dossier aanwezig. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat bepaalde ontuchtige handelingen niet in de ten laste gelegde periode kunnen worden geplaatst en om die reden dient de verdachte hiervoor te worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 2 dient de periode te worden verkort tot de zomer van 2015. 3.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat er thans geen wettig bewijs is om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat de verdachte ontuchtige handelingen met zijn minderjarige dochter [slachtoffer] heeft gepleegd. In zedenzaken is het vaak zo dat er een belastende verklaring van het slachtoffer is, waartegenover een ontkennende verklaring van de verdachte staat. In dit geval is dat niet anders. Er is een erg belastende verklaring van verdachtes dochter [slachtoffer] . Op grond van de wet is echter de enkele verklaring van een getuige - in dit geval dus die van verdachtes dochter [slachtoffer] - onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. In het dossier moet dus bewijsmateriaal uit andere bron zitten dat haar verklaring op specifieke punten ondersteunt. Hiervoor is niet voldoende dat getuigen ‘van horen zeggen’ verklaren over wat zij destijds van de dochter hebben gehoord. De bron van hun verklaringen blijft dan immers steeds alleen de dochter. De rechtbank stelt vast dat om die reden de aangifte door de moeder van het slachtoffer, de verklaring van vriendin [aangever 1] en van de mentor van de school mevrouw [aangever 2] niet kunnen worden gebruikt als steunbewijs. De bron van hun wetenschap is namelijk steeds dezelfde, te weten het slachtoffer. Zij verklaren allen over hetgeen [slachtoffer] hun heeft verteld. De verklaring van [aangever 3] kan evenmin worden gebruikt als steunbewijs, omdat die naar het oordeel van de rechtbank in een te verwijderd verband staat tot de verklaring van het slachtoffer. [aangever 3] spreekt immers over een gebeurtenis die rond 2002 zou hebben plaatsgevonden. De rechtbank overweegt verder dat van de verdachte bekend is dat hij een seksuele voorkeur heeft voor minderjarigen en ook dat hij eerder is veroordeeld voor zedendelicten. Tegen de achtergrond daarvan laat het door de officier van justitie aan de rechtbank gepresenteerde dossier een groot aantal vragen onbeantwoord, bijvoorbeeld over de omgang van de verdachte met zijn dochter(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.