RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: AWB/ROE 17/2197 beslissing van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2019 in de zaak tussen [eiseres 1] , te [plaats], en de [eiseres 2], te [plaats], eiseressen (gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof), en het college van gedeputeerde staten van Limburg, verweerder. Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te [woonplaats]. Procesverloop Bij besluit van 15 juni 2017, kenmerk 2017/42462, heeft verweerder een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) verleend aan [belanghebbende], te [woonplaats] (vergunninghouder). Tegen dit besluit (verder: het bestreden besluit) hebben eiseressen beroep ingesteld. Overwegingen
- De rechtbank doet na vereenvoudigde behandeling op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.
- Verweerder heeft bij het bestreden besluit vergunning verleend voor een veehouderij die stikstofdepositie veroorzaakt op stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Verweerder heeft daarbij toepassing gegeven aan het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (hierna: het PAS) en de daarbij behorende regelgeving die vanaf 1 juli 2015 van kracht is. De vergunning kan volgens verweerder worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is opgesteld. Met de toepassing en uitvoering van het PAS is volgens verweerder gewaarborgd dat de stikstofdepositie die de veehouderij zal veroorzaken niet zal leiden tot een aantasting van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden.
- De strekking van het beroep is -kort gezegd- dat de vergunning niet kon worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt, omdat de passende beoordeling en het PAS niet voldoen aan artikel 6 van de Habitatrichtlijn.
- De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, geoordeeld dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn voortvloeien.
- Dit betekent dat verweerder de vergunning voor de veehouderij niet kon verlenen onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 2.8 van de Wnb. Omdat deze beroepsgrond slaagt, hoeven de overige beroepsgronden niet meer te worden besproken.
- Het beroep is kennelijk gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
- Verweerder zal een nieuw besluit op de aanvraag van vergunninghouder moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 volgt dat verweerder de gevolgen van de aangevraagde activiteit opnieuw in kaart moet brengen en alsnog moet beoordelen of een passende beoordeling is vereist. Verweerder kan voor het alsnog te nemen besluit op de aanvraag niet terugvallen op de eerder gevoerde procedure. Verweerder moet eerst een ontwerpbesluit opstellen en ter inzage leggen.
- Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseressen het door hen betaalde griffierecht vergoedt.
- De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - veroordeelt verweerder tot vergoeding van de bij eiseressen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,-; - bepaalt dat verweerder aan eiseressen het door hen betaalde griffierecht van € 333,- vergoedt. Deze beslissing is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 augustus
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: 19 augustus 2019 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.