RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/702630-18 Rekestnummer: 18/2323 Deze beschikking is gegeven door de rechtbank Limburg, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, naar aanleiding van het verzoekschrift ex artikel 36 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965 (hierna te noemen: de verzoekster), te dezer zake domicilie kiezend te 5911 CK Venlo, St. Martinusstraat 64, ten kantore van haar raadsvrouw, mr. J.H.M. Handring. 1De procesgang Op 23 november 2018 heeft de verzoekster ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend, ertoe strekkend dat de rechtbank haar verzoek als bedoeld in artikel 36 Sv om te verklaren dat de strafzaak tegen haar is geëindigd, toewijst. De rechtbank heeft op 8 januari 2019 mr. K.D.M. Schepers (de toenmalige raadsvrouw) en mr. J.S. Valenteijn-Engels, officier van justitie, in besloten raadkamer gehoord. Na debat heeft de rechtbank aanleiding gezien de behandeling in raadkamer voor onbepaalde tijd te schorsen, met dien verstande dat zij hierbij heeft verstaan dat de behandeling in raadkamer over uiterlijk zes maanden zal worden hervat. Van het verhandelde in raadkamer is proces-verbaal opgemaakt. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoekschrift uiteindelijk op 6 augustus 2019 in besloten raadkamer voortgezet. De rechtbank heeft bij die gelegenheid de verzoekster, bijgestaan door de (opvolgend) raadsvrouw mr. J.H.M. Handring en mr. J.S. Valenteijn-Engels, officier van justitie, gehoord. 2Het standpunt van de verzoekster De verzoekster heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat het onderzoek in de strafzaak tegen haar door talmen aan de kant van het openbaar ministerie inmiddels zo lang duurt, dat een verdere vervolging niet meer redelijk is. Het openbaar ministerie heeft voldoende tijd en gelegenheid gehad het onderzoek tegen haar af te ronden. Daar komt volgens de verzoekster bij dat iedere basis voor een redelijke verdenking jegens haar ter zake het overtreden van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) ontbreekt, nu de deskundige prof. mr. J.S.L.A.W.B. Roes onomwonden heeft verklaard dat het Nederlandse testament niet ‘vals’ is. Die conclusie kan volgens de verzoekster overeind blijven ongeacht de vraag of het openbaar ministerie de instrumenterend notaris mr. [naam notaris] te Maastricht zal vervolgen. Op de in dit verband betrokken stellingen van de verzoekster, voor zover relevant, zal de rechtbank hierna bij de beoordeling nader ingaan. 3Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek dient te worden afgewezen. Het openbaar ministerie heeft immers niet getalmd of stilgezeten. Zo heeft op 16 mei 2019 het verhoor van de deskundige prof. mr. J.S.L.A.W.B. Roes bij de rechter-commissaris plaatsgevonden. Deze deskundige heeft onder andere zijn licht laten schijnen over de wijze van totstandkoming en de inhoud van het door notaris mr. [naam notaris] te Maastricht verleden testament van de moeder van de verzoekster. Vervolgens zijn op 28 mei 2019 op verzoek van het openbaar ministerie een vijftal aanvullende vragen voorgelegd aan de deskundige naar aanleiding waarvan de definitieve versie van het proces-verbaal van het verhoor van de deskundige op 5 juni 2019 door de rechter-commissaris is gesloten. Het openbaar ministerie is momenteel in beraad of zij de notaris mr. [naam notaris] gaat vervolgen. Daartoe is recent aanvullende informatie van de politie ontvangen. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het antwoord op die vraag van doorslaggevende betekenis is voor de voortgang van het onderzoek tegen de verzoekster. Ook hier geldt dat de rechtbank op de door de officier van justitie in dit verband betrokken stellingen, voor zover relevant, hierna bij de beoordeling nader zal ingaan. 4De beoordeling In artikel 36, eerste lid, Sv is bepaald: ‘’Wordt eene vervolging niet voortgezet, dan kan het gerecht in feitelijken aanleg, voor hetwelk de zaak het laatst werd vervolgd, op het verzoek van den verdachte of op voordracht van de rechter-commissaris op de voet van artikel 180, verklaren dat de zaak geëindigd is.’’ Op 6 juli 2018 is de verzoekster door de officier van justitie schriftelijk ervan in kennis gesteld dat zij wordt verdacht van overtreding van artikel 225, tweede lid, Sr. Op 13 juli 2018 heeft de officier van justitie die verdenking verduidelijkt door de raadsvrouw te berichten: “Mevrouw [verdachte] wordt thans door het Openbaar Ministerie verdacht ter zake het opzettelijk gebruik maken van een door notaris [naam notaris] vermoedelijk vals opgesteld testament aangaande mevrouw [moeder verzoekster] ter verkrijging van de nalatenschap van mevrouw [moeder verzoekster] (waaronder de thans in beslag genomen woning), terwijl zij kennis draagt van de totstandkoming van het testament, met name haar wetenschap over de wilsbekwaamheid, haar dementie, onderbewindstelling en mentorschap.” Daarmee heeft de datum 6 juli 2018 te gelden als het begin van de ‘criminal charge’ en als het beginpunt van de vervolging in de zin van artikel 36 Sv. Volstrekt helder is voorts dat het openbaar ministerie die vervolging tegen de verzoekster vooralsnog wenst door te zetten. Niet kan dan ook worden volgehouden dat de verzoekster in enige onzekerheid verkeert over de vraag of zij wel of niet vervolgd zal worden. Desalniettemin kan ook in een dergelijk geval de rechtbank de zaak voor geëindigd verklaren. Blijkens de wetsgeschiedenis is dat mogelijk indien het gelet op de inactiviteit van de kant van het openbaar ministerie en/of de zeer lange duur van het onderzoek, onredelijk is dat de vervolging nog doorgang vindt (vgl. Kamerstukken II 2009/2010, 32 177, MvT, pag. 13). De verzoekster heeft sinds 6 juli 2018 de status van verdachte. Op 14 augustus 2018 heeft de rechter-commissaris prof. mr. J.S.L.A.W.B. Roes, hoogleraar Ethiek, grondslagen en geschiedenis van het notariaat en in die hoedanigheid verbonden aan het centrum voor notarieel recht van de Radboud Universiteit Nijmegen, benoemd tot deskundige ter beantwoording van een zestal aanvullende vragen zoals gesteld door de brigadier [brigadier] in zijn proces-verbaal van 4 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.