ECLI:NL:RBLIM:2019:8924
RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: AWB/ROE 19/449 uitspraak van de meervoudige kamer van 4 oktober 2019 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. C.A.M. Lemeer-Smeets), en de Directeur-Generaal van de Statistiek, verweerder (gemachtigde: mr. W.E. Louwerse).
Procesverloop Bij besluit van 27 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat niet zal worden overgegaan tot enige uitkering na 18 januari 2018, alsmede dat geen aanvulling meer op de uitkering van eiser zal worden verstrekt over de periode van 1 juli 2008 tot 7 juni 2013.
Bij besluit van 2 januari 2019 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.
Bij (herstel)besluit van 7 maart 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder zowel het primaire besluit als het bestreden besluit I herzien en besloten aan eiser met terugwerkende kracht van 18 januari 2018 tot aan het door eiser bereiken van de leeftijd van 65 jaar een uitkering te verstrekken ter hoogte van 80% van zijn laatstverdiende bezoldiging.
Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiser (mede) betrekking op het gewijzigde besluit (het bestreden besluit II).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en M. Renaud.
Overwegingen 1. De rechtbank verwijst voor wat betreft de voorgeschiedenis naar de (bij partijen bekende) uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 juni 2006 en voegt daar het volgende aan toe.
Voormeld ontslag heeft geleid tot een geschil tussen partijen. In de vaststellingsovereenkomst (VSO) van 10 april 2008 zijn afspraken gemaakt tussen partijen om voornoemd geschil definitief te beëindigen. In deze overeenkomst is bepaald dat er een fictief herstel van het dienstverband tot 1 juli 2008 zal plaatsvinden en dat verweerder de aan eiser toegekende WW-uitkering en Bovenwettelijke uitkering (BWW) zal aanvullen tot 80% van de laatstelijk door hem genoten bezoldiging en dat deze aanvulling zal worden beëindigd bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Verweerder heeft de uitbetaling van deze ontslaguitkering belegd bij APG-Loyalis. Op 18 januari 2018 is de uitbetaling van de uitkering beëindigd. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser, naar aanleiding van zijn verzoek van 5 juli 2018, meegedeeld dat niet zal worden overgegaan tot enige uitkering na 18 januari 2018, alsmede dat geen aanvulling meer op zijn uitkering wordt verstrekt over de periode van 1 juli 2008 tot 7 juni 2013 aangezien deze vordering is verjaard. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder besloten aan eiser met terugwerkende kracht van 18 januari 2018 tot aan het door eiser bereiken van de leeftijd van 65 jaar (derhalve tot 13 februari 2020), een (BWW) uitkering te verstrekken ter hoogte van 80% van zijn laatstverdiende bezoldiging. Ten aanzien van eisers vordering over de periode van 1 juli 2008 tot 7 juni 2013 vindt geen herziening plaats. Het besluit ten aanzien van de verjaring, zoals verwoord in het primaire besluit en het bestreden besluit I, blijft onverkort gehandhaafd.
In artikel 2 van de VSO is vermeld dat verweerder de ontslaguitkering van eiser zal aanvullen tot aan de pensioengerechtigde leeftijd (einde WW + BWW).
Bij de uitleg van een overeenkomst zoals deze komt het op grond van vaste rechtspraak (bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2017:2838) niet uitsluitend aan op de bewoordingen van hetgeen in de overeenkomst is bepaald, maar ook op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op wat zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
Op grond van artikel 8, vierde lid, van het Besluit (zoals dat destijds luidde) eindigt het recht op aansluitende uitkering na ommekomst van de duur van de aansluitende uitkering, maar uiterlijk op de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
Op grond van artikel 8, vierde lid, van het Besluit (zoals dat thans luidt) eindigt het recht op aansluitende uitkering na ommekomst van de duur van de aansluitende uitkering, maar uiterlijk op de dag waarop betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.
Ingevolge artikel 20e, eerste lid, onder b van het Besluit eindigt voor de ambtenaar bedoeld in artikel 8, vierde lid, van het besluit zoals dit gold op 31 december 2011, het recht op aansluitende uitkering na ommekomst van de duur van de aansluitende uitkering, dan wel op de dag waarop betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd bereikt indien dat eerder is.
Zodoende kan slechts aansluiting worden gezocht bij de specifieke termijn ‘pensioengerechtigde leeftijd’. Bij brief van 31 mei 2007 is verweerder hiermee – zonder verdere opmerking of aanvulling – akkoord gegaan. Hoewel de rechtbank onderkent dat tussen deze correspondentie en de datum van ondertekening van de VSO (april 2008) enige tijd is gelegen, beschikt de rechtbank niet over andere correspondentie of documenten, die het standpunt van verweerder, zoals ingenomen in het bestreden besluit II, ondersteunen. Uit de door eiser overgelegde correspondentie volgt in elk geval dat beide partijen zich bewust waren van de mogelijkheid dat de pensioengerechtigde leeftijd zou wijzigen. Nu in de VSO geen expliciete verwijzing is opgenomen dat met “einde WW + BWW” is bedoeld het einde naar het toen geldende recht, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om de uitleg van verweerder over de bedoeling van de tekst van de VSO te volgen.
Ingevolge artikel 4:104, eerste lid, van de Awb verjaart de rechtsvordering tot betaling van een geldsom vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken.
Ingevolge artikel 4:107 van de Awb kan de schuldeiser van het bestuursorgaan de verjaring ook stuiten door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin hij zich ondubbelzinnig zijn recht op betaling voorbehoudt.
Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit I ongegrond; verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit II gegrond; vernietigt het bestreden besluit II; bepaalt dat eiser recht heeft op een uitkering tot aan de pensioengerechtigde leeftijd, zoals deze thans geldt op grond van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk; de rechtbank herroept het primaire besluit in zoverre; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit II; wijst het verzoek om schadevergoeding af;
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen (voorzitter), en mr. K.M.P. Jacobs, en mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2019. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: 4 oktober 2019 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.