← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2019:9242

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/659141-17 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 oktober 2019 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [adres verdachte] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. Y.W.A.M. van der Koelen, advocaat kantoorhoudende te Tegelen. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 oktober

  1. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenkingen komen er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte vijf fietsen heeft gestolen (onder 1 tot en met 4 primair) dan wel (subsidiair) geheeld en dat de verdachte een geldbedrag van € 4.875,00 (eenvoudig) heeft witgewassen (onder 5). 3De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie rekwireert tot vrijspraak van het onder 1 tot en met 4 primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 1 tot en met 4 subsidiair ten laste gelegde vordert de officier van justitie, gelet op de aangiftes en de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting, een bewezenverklaring. Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde vordert de officier van justitie een bewezenverklaring. Blijkens het procesdossier is onder het bed van de verdachte een geldbedrag van € 4.875,00 aangetroffen waarover de verdachte geen belasting heeft betaald. Gelet hierop is dit geldbedrag afkomstig uit een eigen misdrijf. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tot en met 4 primair ten laste gelegde, omdat het procesdossier geen bewijs bevat dat de verdachte de fietsen heeft gestolen. Ten aanzien van het onder 1 tot en met 4 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 5 ten laste gelegde, omdat er geen bewijs is dat het aangetroffen geld afkomstig is uit enig eigen misdrijf. De verdachte heeft verklaard dat dit bedrag bestaat uit eigen geld en geld dat hij had ontvangen voor door hem verrichte werkzaamheden die hij nog moest afrekenen met zijn baas. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Vrijspraak Het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet is bewezen dat de verdachte de onder 1 tot en met 4 primair ten laste gelegde diefstallen heeft gepleegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het onder 5 ten laste gelegde De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het eenvoudig witwassen van een geldbedrag van € 4.875,00, omdat op basis van het procesdossier en het verhandelde ter zitting niet kan worden bewezen dat dit geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf. Bewijs De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 4 subsidiair ten laste gelegde feiten. De verdachte heeft de feiten bekend. Door of namens hem is voor deze feiten geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal daarom voor deze feiten volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten: Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde - de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 2 oktober 2019; - het proces-verbaal van de aangifte van [naam aangever 1] , dossierpagina’s 128 en 129; - het eindproces-verbaal, dossierpagina 18; Het onder 2 subsidiair ten laste gelegde - de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 2 oktober 2019; - het proces-verbaal van de aangifte van [naam aangever 2] , dossierpagina’s 131 tot en met 134; - het eindproces-verbaal, dossierpagina’s 18 en 19; Het onder 3 subsidiair ten laste gelegde - de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 2 oktober 2019; - het proces-verbaal van de aangifte van [naam aangever 3] , dossierpagina’s 142 tot en met 144; - het eindproces-verbaal, dossierpagina 20; Het onder 4 subsidiair ten laste gelegde - de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 2 oktober 2019; - het proces-verbaal van de aangifte van [naam aangever 4] , dossierpagina’s 135 tot en met 139; - het eindproces-verbaal, dossierpagina’s 18 en
  2. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
  3. subsidiair op 31 maart 2017 te Oirlo een fiets, merk Giant voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die fiets wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
  4. subsidiair op 31 maart 2017 te Oirlo een fiets, merk Gazelle Orange, en een fiets, merk Batavus Mambo, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die fietsen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;
  5. subsidiair op 31 maart 2017 te Oirlo , een fiets, merk Gazelle Orange voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde het voorhanden krijgen van die fiets wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
  6. subsidiair op 31 maart 2017 te Oirlo een fiets, merk RIH, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die fiets wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
  7. subsidiair opzetheling;
  8. subsidiair opzetheling, meermalen gepleegd;
  9. subsidiair opzetheling;
  10. subsidiair opzetheling. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5De straf 5.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest en een taakstraf voor de duur van 170 uren. 5.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft de rechtbank, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), het feit dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten en de verdachte met zijn gezin woonachtig is in [adres verdachte] , verzocht een geldboete op te leggen. 5.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Naar aanleiding van een melding dat er gestolen fietsen zouden worden verkocht aan een persoon woonachtig op de boerderij aan [adres 2] , gaat de politie ter plaatse en treft daar gestolen fietsen aan. De verdachte heeft daarover verklaard dat hij deze fietsen voor iemand bewaarde en dat hij wist dat de fietsen gestolen waren. De verdachte heeft met deze handelswijze bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen fietsen. De vanzelfsprekendheid waarmee de verdachte de feiten lijkt te hebben gepleegd, getuigt van weinig respect en zorg voor de eigendommen van anderen. De verdachte lijkt zich ook niet druk te hebben gemaakt over de gevolgen die zijn handelen zou (kunnen) hebben voor de eigenaren en medebewoners van de boerderij waar hij de fietsen liet stallen. De rechtbank rekent dit verdachte aan. De rechtbank heeft acht geslagen op de justitiële documentatie van de verdachte d.d. 3 september 2019, waaruit blijkt dat hij in Nederland niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Verdachte heeft verklaard in [adres verdachte] wel een gevangenisstraf te hebben ondergaan. De rechtbank zal in de strafoplegging ten gunste van verdachte rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM en de uitleg die de Hoge Raad heeft gegeven over de wijze waarop met een dergelijke overschrijding moet worden omgegaan. Uitgangspunt hierbij is dat de behandeling van een strafzaak in eerste aanleg binnen twee jaren dient te zijn afgerond met een eindvonnis. Als aanvang van de termijn geldt het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De verdachte is op 1 april 2017 in verzekering gesteld. De redelijke termijn is dan ook op die dag gaan lopen. De zaak is pas op 2 oktober 2019 voor het eerst ter terechtzitting aangebracht en dit vonnis wordt op 16 oktober 2019 gewezen. De redelijke termijn is daarmee met ruim zes maanden overschreden. De verdachte is inmiddels niet meer woonachtig of met enige regelmaat werkzaam in Nederland. Gelet hierop, en rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn en het door de verdachte ondergane voorarrest, zal de rechtbank volstaan met de oplegging van een geldboete. In het licht van het aantal bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, acht de rechtbank een geldboete van € 5.000,00 passend. 6Het beslag De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring van het onder de verdachte inbeslaggenomen geldbedrag gevorderd. Omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 5 tenlastegelegde, zal de rechtbank gelasten dat het in beslag genomen geldbedrag van € 4.875,00 wordt teruggegeven aan de verdachte, zijnde degene bij wie het geld in beslag is genomen en die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. 7De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 23, 24c, 57 en 416 van het Wetboek van Strafrecht. 8De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - verklaart niet bewezen hetgeen de verdachten onder feit 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair en 5 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij; Bewezenverklaring verklaart het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat onder feit 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 5.000,00; beveelt dat, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal volgt, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen; Beslag - gelast de teruggave aan de verdachte van het onder hem in beslag genomen geldbedrag van € 4.875,
  11. Dit vonnis is gewezen door mr. R. Verkijk, voorzitter, mr. C. Wapenaar en mr. K.G. Witteman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A.J. Wenders, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 16 oktober
  12. Mr. C. Wapenaar is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
  13. hij op of omstreeks 16 maart 2017 te Vierlingsbeek, in elk geval in de gemeente Boxmeer, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, merk Giant, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam aangever 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte; Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat: hij in of omstreeks de periode van 16 tot en met 31 maart 2017 te Vierlingsbeek, in elk geval in de gemeente Boxmeer, en/of te Oirlo , in elk geval in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, een goed te weten een fiets, merk Giant heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van die fiets wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
  14. hij in of omstreeks de nacht van 28 op 29 maart 2017 te Swolgen, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, merk Gazelle Orange, en/of een fiets, merk Batavus Mambo, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte; Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat: hij in of omstreeks de periode van 28 op 31 maart 2017 te Swolgen, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas, en/of te Oirlo , in elk geval in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland een goed te weten een fiets, merk Gazelle Orange, en/of een fiets, merk Batavus Mambo, heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van die fiets(en) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;
  15. hij op of omstreeks 30 maart 2017 te Ysselsteyn, in elk geval in de gemeente Venray, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, merk Gazelle Orange, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam aangever 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte; Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat: hij in of omstreeks de periode van 30 tot en met 31 maart 2017 te Ysselsteyn, en/of te Oirlo , in elk geval in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, een goed te weten een fiets, merk Gazelle Orange heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van die fiets wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
  16. hij in of omstreeks de periode van 27 tot en met 28 februari 2017 in de gemeente Venray met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, merk RIH, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam aangever 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte; Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat: hij in of omstreeks de periode van 27 februari 2017 tot en met 31 maart 2017 te Oirlo , in elk geval in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, een goed te weten een fiets, merk RIH, heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van die fiets wist, althans redelijkerwijs het moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
  17. hij op of omstreeks 06 april 2017, te Oirlo , in elk geval in de gemeente Venray, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van EURO 4875,--, heeft verworven en/of voorhanden gehad terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf; Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, District Noord- en Midden Limburg, Basisteam Venray/Gennep, proces-verbaalnummer 2017052778, gesloten d.d. 13 juni 2018, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 442.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.