vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond zaaknummer / rolnummer: C/03/258094 / HA ZA 18-615 Vonnis van 10 juli 2019 in de zaak van de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE GENNEP, zetelende te Gennep, eiseres, advocaat mr. M.H.P. Bullens, tegen de besloten vennootschap [bedrijfsnaam gedaagde] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde] , advocaat mr. P.L.G. Haccou. Partijen zullen hierna de gemeente Gennep en [bedrijfsnaam gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de aan [bedrijfsnaam gedaagde] , Enexis en WML betekende dagvaardingen van respectievelijk 28 november 2018 en 4 december 2018, de akte depot van 10 december 2018 (aktenummer 1/2018), waarbij de stukken als bedoeld in artikel 23 van de Onteigeningswet zijn gedeponeerd, de conclusie van antwoord van 16 januari 2019, de akte reactie op conclusie van antwoord van 20 februari 2019, de antwoordakte van 13 maart 2019. 2De beoordeling 2.1. De gemeente vraagt de rechtbank vervroegd uit te spreken de onteigening ten name van de gemeente Gennep en ten algemenen nutte van: [perceelsgedeelte 1] , [perceelsgedeelte 2] , [perceelsgedeelte 3] , (verder: de perceelsgedeelten). 2.2. De gemeente heeft aan gedaagde voor de ontneming van het te onteigenen aangeboden een schadeloosstelling van € 330.220,00. 2.3. Er is door [bedrijfsnaam gedaagde] verweer gevoerd tegen de gevorderde onteigening. [bedrijfsnaam gedaagde] heeft aangevoerd dat de gemeente in onvoldoende mate heeft getracht hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen als bedoeld in artikel 17 OW. De gemeente heeft aangevoerd dat wel aan deze bepaling is voldaan. 2.4. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van schending van artikel 17 OW en heeft daartoe als volgt overwogen. 2.5. Artikel 17 OW bepaalt dat de onteigenende partij moet trachten hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen en dat die pogingen moeten worden ondernomen in de periode tussen het definitief worden van het onteigeningsbesluit en het uitbrengen van de dagvaarding. Deze bepaling heeft betrekking op de gerechtelijke onteigeningsprocedure, niet op de administratieve fase. Voor de beoordeling van de vraag of er voldoende serieus is onderhandeld mag wel mede acht worden geslagen op hetgeen zich met betrekking tot verkrijging in der minne voorafgaand aan het definitief worden van het onteigeningsbesluit tussen partijen heeft afgespeeld en op het daaruit blijkende standpunt van de eigenaar. 2.6. Uit (onder andere) het KB (van 21 november 2017, gepubliceerd 17 januari 2018) blijkt dat de gesprekken tussen partijen al in 2008 zijn begonnen en dat in de periode 2008-2011 gesprekken zijn gevoerd over de mogelijkheden voor uitbreiding dan wel hervestiging van het bedrijf van [bedrijfsnaam gedaagde] . Gesprekken hierover zijn in 2015 met [bedrijfsnaam gedaagde] gevoerd door [bedrijfsnaam X] (op basis van een overeenkomst tussen de gemeente en laatstgenoemde). Deze gesprekken hebben niet tot resultaat geleid, waarna de gemeente weer zelf rechtstreeks in onderhandeling met [bedrijfsnaam gedaagde] is getreden. Een concreet aanbod in geld voor de betrokken perceelsgedeelten is door de gemeente aan [bedrijfsnaam gedaagde] gedaan bij brieven van 26 november 2015 en 28 juni 2016, welk aanbod door [bedrijfsnaam gedaagde] bij brief van 1 augustus 2016 is afgewezen. Verder blijkt uit het KB dat partijen vanaf november 2016 opnieuw de uitbreidingsmogelijkheden voor [bedrijfsnaam gedaagde] zijn gaan onderzoeken; daarbij is het niet alleen gegaan om uitbreiding van de gebouwen op onder andere de te onteigenen perceelsgedeelten (dat wil zeggen: op eigen terrein van [bedrijfsnaam gedaagde] ) maar ook - en later: vooral - om uitbreiding in een andere richting op gronden die niet aan [bedrijfsnaam gedaagde] toebehoren. Uit de stukken blijkt verder dat de gemeente bij brief van 8 februari 2018 een finaal bod heeft uitgebracht groot € 330.220,00. Aan dit bod ligt ten grondslag een taxatierapport uit 2015 en het bedrag bestaat uit een component waardevergoeding voor de grond, een component inkomensschade en een component bijkomende schade. Ook dit finale bod is door [bedrijfsnaam gedaagde] afgewezen, waarbij wederom is aangegeven dat niet alleen over geld maar ook over compensatiegrond moet worden gesproken (zoals onder ander blijkt uit de mail van 23 maart 2018, door de gemeente overgelegd als productie 15.3). Voorafgaand aan het genoemde finale bod en ook daarna is tussen partijen onderhandeld over niet alleen een financiële vergoeding voor de betrokken perceelsgedeelten, maar met name over uitbreidingsmogelijkheden voor [bedrijfsnaam gedaagde] . Uit de stukken blijkt dat [bedrijfsnaam gedaagde] meermalen te kennen heeft gegeven niet te willen spreken over alleen een prijs voor de door de gemeente benodigde perceelsgedeelten maar dat hij met name wilde spreken over compensatiegrond dan wel uitbreidingsmogelijkheden. [bedrijfsnaam gedaagde] is ook in de onderhavige onteigeningsprocedure dit standpunt blijven handhaven, zoals ook blijkt uit haar laatste antwoordakte, waarin met zoveel woorden wordt gezegd dat de gemeente dient te spreken over uitbreidingsmogelijkheden om aldus alsnog een onteigening te voorkomen. Uit de stukken - waarbij met name te noemen zijn het KB en het als productie 15 door de gemeente overgelegde logboek van de onderhandelingen - blijkt dat er tussen partijen in de loop van de jaren veel contactmomenten zijn geweest. Inhoudelijk moet in het bijzonder worden gewezen op het gesprek tussen de taxateurs van partijen op 16 november 2018, bij welke gelegenheid onder andere is gebleken dat partijen in belangrijke mate verschillen van inzicht omtrent de prijsvaststelling en de daarbij te hanteren uitgangspunten. Anders dan de gemeente is [bedrijfsnaam gedaagde] bijvoorbeeld van mening dat in ieder geval compensatiegrond behoort te worden aangeboden en dat er van het verlies van de betrokken perceelsgedeelten een grote invloed zal uitgaan op de (huur)waarde van het overblijvende. Een en ander heeft als gevolg dat de gemeente denkt aan een schadeloosstelling in termen van enkele tonnen en [bedrijfsnaam gedaagde] aan ruim 2 miljoen. 2.7. De rechtbank vat de hierboven aangeduide gang van zaken in de onderhandelingen als volgt samen. Partijen hebben voor en na het definitief worden van het onteigeningsbesluit en voor het uitbrengen van de dagvaarding uitgebreid onderhandeld om te komen tot een minnelijke verwerving van de betrokken perceelsgedeelten. In deze onderhandelingen is meermalen een schadevergoeding uitgedrukt in geld door de gemeente aangeboden aan [bedrijfsnaam gedaagde] en in die zin is in ieder geval aan dit formeel basisvereiste voldaan. Daarnaast is ook in inhoudelijke zin voldaan aan het voorschrift van artikel 17 OW. Er is langdurig en veelvuldig onderhandeld. In overwegende mate is tussen partijen onderhandeld over andere wijzen om [bedrijfsnaam gedaagde] schadeloos te stellen namelijk door het onderzoek van uitbreidingsmogelijkheden, wat in belangrijk mate is gebeurd op aangeven van [bedrijfsnaam gedaagde] . [bedrijfsnaam gedaagde] kan daarom naar het oordeel van de rechtbank de gemeente niet verwijten dat de gemeente niet of nauwelijks over alleen een geldbedrag heeft onderhandeld; [bedrijfsnaam gedaagde] heeft dit immers zelf uitdrukkelijk zo gewild. Daarnaast geldt dat [bedrijfsnaam gedaagde] ten onrechte lijkt te stellen dat de gemeente compensatiegrond dient aan te bieden. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval, omdat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.