vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer: C/03/269932 / KG ZA 19-486 Vonnis in kort geding van 5 november 2019 in de zaak van [eiser] , wonend te [woonplaats 1] eiser, advocaat mr. J.G.C. van Baar te Sittard; tegen: 1 [gedaagde sub 1] , wonend te [woonplaats 2] , 2 [gedaagde sub 2] , wonend te [woonplaats 3] , 3 [gedaagde sub 3] , wonend te [woonplaats 2] , gedaagden, advocaat mr. F.H.C. Aarts. Partijen zullen hierna [eiser] , gedaagde, en [gedaagden] , eisers gezamenlijk, en [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , eisers ieder afzonderlijk, genoemd worden. 1Het verloop van de procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding; de mondelinge behandeling; de pleitnota van [gedaagden] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] is op 1 augustus 2011 toegetreden tot de advocatenmaatschap die toentertijd was genaamd [naam maatschap 1] . Op dat moment bestond die maatschap uit de volgende maten: [naam maat 1] , [gedaagde sub 1] , [naam maat 2] (hierna: [naam maat 2] ) en [gedaagde sub 2] en, na diens toetreding, [eiser] . [eiser] is in 2019 uit de maatschap getreden. Op dit moment bestaat de maatschap (die thans is genaamd: [naam maatschap 2] ) uit de volgende maten: [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , de gedaagden in deze procedure. 2.2. Naar aanleiding van het uittreden van [eiser] uit de maatschap is tussen partijen op 20 maart 2019 een vaststellingsovereenkomst opgesteld, met daarin in artikel 5 een bepaling waarin [eiser] wordt gevrijwaard van aansprakelijkheid. Die bepaling luidt – voor zover te dezen van belang – als volgt: “Artikel 5: Ontslag (hoofdelijke aansprakelijkheid [eiser] en Vrijwaring. (…) 5.3 Verder vrijwaren zij (de verblijvende vennoten, de voorzieningenrechter) [eiser] eveneens uitdrukkelijk voor alle schulden en verplichtingen van de Maatschap, ook dewelke die zijn ontstaan voor dan wel hun grondslag vinden in de periode tot aan de dag dat [eiser] feitelijk is vertrokken. (…)” 2.3. Bij dagvaarding van 1 oktober 2019 heeft [naam maat 2] de maatschap [naam maatschap 2] (voorheen genaamd [naam maatschap 1] ) alsmede [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [eiser] in kort geding voor deze rechtbank gedagvaard. Deze zaak is door de rechtbank onder nummer C/03/269083 / KG ZA 19/452 geregistreerd en zal verder “de hoofdzaak” worden genoemd. 2.4. In de hoofdzaak vordert [naam maat 2] , kort gezegd, dat de maatschap [naam maatschap 2] , [gedaagden] en [eiser] worden veroordeeld tot – zakelijk weergegeven – betaling van achterstallige huur van een tweetal panden, waarvan [naam maat 2] mede-eigenaar is, en daarnaast nakoming van de exploitatieverplichting van die panden. 3Het geschil 3.1. [eiser] stelt dat uit het bepaalde in artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst, waaruit hierboven is geciteerd, volgt dat [gedaagden] hem dienen te vrijwaren in geval van een eventuele veroordeling in de hoofdzaak. 3.2. [gedaagden] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 3.3. Op grond van het vorenstaande vordert [eiser] dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk, des dat de één of meer van hen betalend, de andere(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.