RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer : 03.030571.18 tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 december 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboortegegevens 1] 1958, wonende te [adres 1] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat kantoorhoudende te Maastricht. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 25 oktober 2019, 9 november 2020 en 14 december 2020. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De strafzaak van verdachte is gelijktijdig, doch niet gevoegd behandeld met de strafzaak tegen [medeverdachte] (03/030570-18). [medeverdachte] wordt eveneens bijgestaan door mr. I.T.H.L. van de Bergh. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: Feit 1: in de periode van 1 januari 2012 tot en met 10 juli 2012 met [slachtoffer 1] die toen tussen de 12 en de 16 jaar oud was, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1] . Feit 2: in de periode van 11 juli 2012 tot 11 juni 2015 [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] . Feit 3: primair in de periode van 1 mei 2011 tot en met 10 januari 2015 met [slachtoffer 2] die toen tussen de 12 en 16 jaar oud was, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 2] en subsidiair in de periode van 1 mei 2011 tot en met 8 december 2011 met [slachtoffer 2] , die toen tussen de 12 en 16 jaar oud was, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het betasten van de vagina van [slachtoffer 2] . 3De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie wijst op het feit dat het gaat om twee verhalen die lijnrecht tegenover elkaar staan. [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) en haar zus [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) doen allebei aangifte, maar enkel hun verklaringen zijn onvoldoende om tot een bewezenverklaring te leiden. De officier van justitie wijst op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad waaruit volgt dat er in een dergelijke situatie steunbewijs nodig is en dat er niet een te ver verwijderd verband mag bestaan tussen, in dit geval, de aangiftes en dat steunbewijs. De officier van justitie verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Hoge Raad van 4 juli 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1216), die in haar optiek grote gelijkenissen vertoont met deze strafzaak. Zij merkt op dat in die zaak en ook in deze zaak de verklaringen van beide aangeefsters elkaar ondersteunen. [slachtoffer 1] verklaart dat verdachte haar heeft gevingerd en dat hij haar drie tot vijf keer met zijn geslachtsdeel heeft gepenetreerd. Bij de rechter-commissaris verklaart [slachtoffer 1] dat verdachte haar heeft aangeraakt bij haar borsten en haar vagina. [slachtoffer 1] heeft ook verklaard dat zij een keer in haar eigen bed met kleren aan is gaan slapen en dat zij vervolgens naakt in een ander bed wakker werd. Het gebeurde steeds in huis, toen haar moeder niet thuis was of in het ziekenhuis lag. [naam getuige] is voor [slachtoffer 1] de disclosure-getuige. [naam 1] en [naam 2] worden daarna door haar in vertrouwen genomen. Toen [slachtoffer 2] in het ziekenhuis lag heeft [slachtoffer 1] ook aan [medeverdachte] (haar moeder) openheid van zaken gegeven. Bij de politie en de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 1] een consistente verklaring afgelegd. [slachtoffer 2] verklaart dat verdachte aan haar borsten zat en dat haar moeder, de medeverdachte [medeverdachte] er toen bij was en lachte. De keer erna, toen [slachtoffer 2] in de slaapkamer van verdachte op het luchtbed sliep, heeft verdachte zijn vingers in haar vagina geduwd. [slachtoffer 2] geeft aan dat dit zeker tien keer is gebeurd. Verder verklaart ze dat haar moeder, medeverdachte [medeverdachte] , getuige is geweest van het misbruik. Ten overstaan van de rechter-commissaris trekt [slachtoffer 2] vervolgens haar verklaring in, met uitzondering van hetgeen zij heeft verklaard over 2011: zij persisteert in haar verklaring dat verdachte in 2011 in Alphen aan den Rijn over haar vagina heeft gewreven. Op school heeft [slachtoffer 2] dit toen tegen haar vriendinnen gezegd en haar mentor, [naam mentor] , is hiervan op de hoogte geraakt. Er heeft toen een gesprek plaatsgevonden op school met [naam mentor] , in het bijzijn van de moeder van [slachtoffer 2] . Dit heeft ertoe geleid dat [slachtoffer 2] , samen met haar moeder naar het politiebureau is gegaan. Dit heeft echter niet geleid tot een aangifte. [naam mentor] is later door de rechter-commissaris verhoord. Hij heeft ook toen het verhaal van [slachtoffer 2] bevestigd en verklaard dat haar moeder destijds had aangegeven dat het waar was wat [slachtoffer 2] verklaarde over het seksueel misbruik. Ook verklaarde hij, dat er na het gesprek op school nog een gesprek had plaatsgevonden met de moeder en dat zij hem toen verzocht had zich er verder niet mee te bemoeien. Ter zitting van 9 november 2020 heeft [slachtoffer 2] onder ede verklaard dat zij niet eerlijk is geweest bij haar verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris, omdat zij zich onder druk gezet voelde door haar moeder en door verdachte en de angst had dat zij uit huis gezet zou worden als zij aan haar eerdere verklaringen ten overstaan van de politie vast zou houden. [slachtoffer 2] heeft op 9 november 2020 expliciet aangegeven dat haar verklaring bij de politie de waarheid is en dat haar moeder op de hoogte was van het misbruik. De officier van justitie stelt zich dan ook op het standpunt dat: * de aangifte van [slachtoffer 1] en haar verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris, * de verklaring van disclosure-getuige [naam getuige] , * de verklaring van [naam 2] inhoudende dat [slachtoffer 1] (samen met [naam getuige] ) tegen haar heeft verteld dat zij door verdachte is misbruikt, * de aangifte van [slachtoffer 2] die op meerdere punten overeenkomsten vertoont met de wijze waarop [slachtoffer 1] door verdachte is misbruikt, in onderlinge samenhang beschouwd ertoe leiden dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Voorts stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat: * de aangifte van [slachtoffer 2] , * haar verklaring ter terechtzitting van 9 november 2020, * de verklaringen van haar mentor [naam mentor] bij de politie en de rechter-commissaris, * de verklaringen van [naam 1] en [naam 3] over de seksueel getinte app-berichten en * de aangifte van [slachtoffer 1] die op meerdere punten overeenkomsten vertoont met de wijze waarop [slachtoffer 2] door verdachte is misbruikt, in onderlinge samenhang beschouwd er toe leiden dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft gepleegd. 3.2 Het standpunt van de verdediging Het ten laste gelegde onder 1 en 2 De verdediging stelt zich op het standpunt dat [slachtoffer 1] in staat wordt geacht om te liegen, dat zij een reden had om te liegen, dat haar verklaringen veel opmerkelijke tegenstrijdigheden bevatten en dat haar verklaringen en daarmee de aangifte onbetrouwbaar dienen te worden geacht. Volgens de verdediging is er onvoldoende wettig bewijs om tot een veroordeling te komen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde. De getuigenverklaringen betreffen ‘de auditu’-verklaringen (steeds met [slachtoffer 1] als bron) en kunnen om deze reden niet het vereiste steunbewijs bieden. Ook de emotie die [slachtoffer 1] toont kan niet als steunbewijs gelden. De emoties zijn niet direct na het delict waargenomen. Bovendien hebben de emoties van [slachtoffer 1] en de gestelde fysieke klachten onvoldoende onderscheidend vermogen. Zo blijkt uit de verklaring van [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris dat zij om uiteenlopende redenen emotioneel wordt. Ook de paniekerige reactie op aanrakingen, waar [naam getuige] over heeft verklaard, kan niet als steunbewijs gelden. Dit verhoudt zich immers niet met de vermeende vrije seksuele moraal van [slachtoffer 1] waarover [naam 1] en [naam 4] hebben verklaard. Ook het msn-gesprek waarin verdachte en [medeverdachte] erover zouden spreken dat [slachtoffer 1] het bed met hen zou gaan delen vormt geen steunbewijs. Het staat niet vast dat dit gesprek daadwerkelijk is gevoerd tussen verdachte en [medeverdachte] , de authenticiteit van dit gesprek is niet vastgesteld en de inhoud van het gesprek is in het licht van de verklaring van [slachtoffer 1] moeilijk te plaatsen. Tot slot stelt de verdediging in dit kader dat ook de aangifte en de verklaring van [slachtoffer 2] niet als schakelbewijs in de vorm van steunbewijs kunnen worden gebruikt, omdat de wijze waarop de onderscheidene feiten zouden zijn begaan niet op essentiële punten overeenkomt, hetgeen volgens de Hoge Raad wél vereist is. De verdediging stelt zich dan ook op het standpunt dat het steunbewijs dan wel schakelbewijs dat nodig is om tot een veroordeling te komen, ontbreekt, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Het ten laste gelegde onder 3 Primair De verdediging stelt zich op het standpunt dat sprake is van onbetrouwbaar bewijs. [slachtoffer 2] heeft aantoonbaar gelogen, hetgeen reeds blijkt uit het feit dat zij twee totaal verschillende – en daarmee tegenstrijdige – verklaringen heeft afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris. Bovendien zijn er meerdere getuigen in het dossier die verklaren dat [slachtoffer 2] niet terugdeinst voor het vertellen van een leugen. Verwezen wordt naar de verklaringen van [naam 1] , [naam 2] en [naam 4] , ten overstaan van de rechter-commissaris. [slachtoffer 2] leefde vaak in onmin met haar moeder en met verdachte en voelde kennelijk loyaliteit jegens haar zus, waardoor het volgens de verdediging niet ondenkbaar is dat [slachtoffer 2] gelogen heeft om haar zus te helpen en om haar aangifte kracht bij te zetten. De verdediging concludeert dan ook dat ten aanzien van de gehele verklaring van [slachtoffer 2] geldt dat er (telkens) een reëel risico bestaat dat een onderdeel van de verklaring niet op de waarheid berust. Reeds om deze reden, maar ook omdat ook overigens het wettig bewijs ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde ontbreekt, dient verdachte te worden vrijgesproken. Ook hier geldt immers dat alle getuigenverklaringen ‘de auditu’-verklaringen zijn en daarmee van onvoldoende gewicht zijn om als steunbewijs te gelden. Ook de WhatsAppconversatie tussen verdachte en [slachtoffer 2] levert niet het benodigde bewijs op. Op de eerste plaats, omdat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat dit daadwerkelijk een gesprek is dat verdachte heeft gevoerd. En daarnaast geldt dat de inhoud van dit gesprek in de optiek van de verdediging makkelijker te plaatsen is als de onder 3 ten laste gelegde feiten niet zouden hebben plaatsgevonden, dan wanneer dit wel het geval zou zijn geweest. Tot slot kan volgens de verdediging de verklaring van [slachtoffer 1] niet worden gebruikt als schakelbewijs in de vorm van steunbewijs. Op de eerste plaats omdat die verklaring onbetrouwbaar is en ook omdat ook hier geldt dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] niet op essentiële onderdelen overeenkomen. Subsidiair Ook hiervan dient verdachte in de optiek van de verdediging te worden vrijgesproken, nu de verklaring van [slachtoffer 2] dat zij éénmaal door verdachte over haar pyjamabroek is betast, geen steun vindt in enig ander bewijsmiddel dat niet ‘de auditu’ is. Bovendien is ook deze verklaring volgens de verdediging ongeloofwaardig. Daarnaast blijft het onduidelijk wanneer dit dan in 2011 zou hebben plaatsgevonden. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Feit 3 De rechtbank heeft ervoor gekozen de feiten niet te beoordelen in de volgorde zoals ten laste is gelegd, maar in chronologische volgorde. Dit betekent dat de rechtbank aanvangt met het beoordelen van het onder 3 ten laste gelegde. De bewijsmiddelen Op 3 maart 2016 vertelde [slachtoffer 2] in een informatief gesprek aan de politie dat: Haar moeder [medeverdachte] in maart of april 2011 een relatie kreeg met [verdachte] ; [verdachte] in Alphen aan de Rijn woonde; [slachtoffer 2] en haar zus [slachtoffer 1] vanaf 2011 soms samen en soms alleen met hun moeder mee gingen naar de woning van [verdachte] in Alphen aan de Rijn; In de zomervakantie van 2011 het eerste incident gebeurde: [slachtoffer 2] lag in Alphen aan de Rijn alleen in bed op een tweepersoons luchtbed, op de slaapkamer van haar moeder en [verdachte] . Ze schrok wakker en voelde en zag dat [verdachte] onder haar kleding en dus op haar blote huid met zijn hand aan haar borsten zat en erin kneep. Ze ging rechtop zitten en zag dat [verdachte] dit deed en dat haar moeder ook in die kamer was. Haar moeder zag wat [verdachte] deed bij haar en was aan het lachen. Moeder stuurde [verdachte] toen naar onderen en [verdachte] ging toen ook. Haar moeder bleef toen even zitten op haar eigen bed en zei dat [slachtoffer 2] weer moest gaan slapen. Toen ze de volgende dag met haar moeder in een auto terug naar Zuid-Limburg reed, zei haar moeder dat ze hierover niets mocht vertellen aan anderen; Een tweede incident gebeurde enkele maanden later, ongeveer in de maand december. Ook nu lag [slachtoffer 2] weer alleen op het luchtbed in de slaapkamer en deze keer hield zij zich slapend toen [verdachte] aan haar borsten zat. Hij ging toen ook met een vinger in haar vagina naar binnen en bewoog zijn vinger daarbij op en neer, deels dieper in haar vagina en dan weer deels eruit. Deze betastingen en penetraties zijn in de jaren daarna veelvuldig gebeurd; [slachtoffer 2] durfde nooit stop te zeggen uit angst voor [verdachte] , die groot en fors is. [verdachte] zoende haar ook op haar mond; De laatste keer ‘betasten en vingeren’ gebeurde in het begin van 2015. Daarna heeft [verdachte] nog 1 keer geprobeerd haar te zoenen en heeft hij over haar been gewreven, maar toen heeft [slachtoffer 2] hardop gezegd dat ze dit niet meer wilde, waarop [verdachte] stopte; Pas een paar maanden geleden heeft [slachtoffer 2] van haar oudere zus [slachtoffer 1] gehoord dat [slachtoffer 1] door [verdachte] verkracht werd; Aanvankelijk zei [slachtoffer 2] dat ze door [verdachte] niet gepenetreerd was, zoals bij haar zus [slachtoffer 1] gebeurd was, omdat zij toen dacht dat hiermee alleen penetratie door een penis bedoeld was. Dezelfde dag heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan. Zij heeft toen verklaard: [verdachte] heeft meer dan 50 keer met zijn vingers in mijn vagina gezeten en aan mijn borsten gezeten en heeft heel vaak met mijn hand zich afgetrokken. Dat is gebeurd in een periode van 4 jaar, vanaf mijn 12e tot en met mijn 16e levensjaar. [verdachte] en mijn moeder kregen hun relatie in maart of april 2011. Mijn moeder en haar kinderen woonden toen in de [straat] in Maastricht. [verdachte] woonde toen in Alphen aan de Rijn. De eerste keer dat er wat gebeurde was toen ik al 3 weekenden bij [verdachte] was geweest. De keer dat het gebeurde lag ik te slapen op een luchtbed in de slaapkamer van [verdachte] en mijn moeder. Dat luchtbed waar ik op sliep was een tweepersoons luchtbed. Ik heb daar ook vaker samen met [slachtoffer 1] op geslapen, maar dat bewuste weekend niet en lag ik daar alleen. Ik was toen 12 jaar oud. Ik schrok toen op enig moment wakker en voelde dat [verdachte] met zijn hand onder mijn bovenkleding op mijn blote huid aan mijn borsten aan het voelen was en daarin kneep. Toen ik wakker schrok, ging ik snel rechtop zitten in dat bed en toen zag ik dat mijn moeder ook in die kamer was en aan het lachen was. Toen heeft mijn moeder [verdachte] naar beneden gestuurd en ze zei tegen mij dat ik verder moest gaan slapen. Mijn moeder zei dat ik er thuis niks van mocht zeggen. We zaten toen in de auto onderweg naar huis. Na een aantal weken terwijl ik alleen op die kamer in het luchtbed lag voelde ik weer die hand aan mijn borsten en toen voelde ik dat hij over mijn kleren heen met zijn hand naar beneden ging en over mijn vagina wreef. Ik ben toen niet rechtop gaan zitten maar ik heb gedaan of ik sliep. Dat heb ik heel vaak gedaan, net gedaan of ik sliep. […] Mijn moeder heeft er vaker zelf bij gestaan en het zien gebeuren. Ik zag haar ook wel eens in de deuropening staan. Tweede deel van de aangifte. De eerste keer dat verdachte met zijn vingers in mijn vagina kwam was in Alphen aan de Rijn. Ik was aan het slapen. Hij was eerst over mijn arm aan het aaien en ik was een beetje wakker maar te moe om mijn ogen open te doen. Toen ging hij steeds verder met zijn hand naar beneden en toen was het niet meer over mijn kleding wrijven over mijn vagina maar onder mijn kleding wrijven over mijn vagina en toen gingen die vingers naar binnen. Met naar binnen bedoel ik in mijn vagina. Volgens mij was ik toen 12 of 13 jaar oud. Ik droeg een pyjama. Met zijn vingers ging hij op en neer in mijn vagina. […] Op de vraag welke andere seksuele handelingen door [verdachte] bij mij hebben plaatsgevonden, antwoord ik: met mijn hand om zijn penis deed hij zich aftrekken. Hij is in ieder geval nooit klaargekomen. Een aantal keren kwam mijn moeder binnen gelopen. Zij heeft dat gezien. Op 8 juli 2019 is [naam mentor] , de mentor van school van [slachtoffer 2] in 2011, door de rechter-commissaris verhoord. Hij heeft verklaard: Ik kan mij [slachtoffer 2] zeker nog herinneren. Ik was mentor van [slachtoffer 2] . We hebben over het seksueel misbruik een bijeenkomst gehad op school met een politieagent erbij en ook de moeder. [slachtoffer 2] was erbij en ik ben toen ook de zus, [slachtoffer 1] , gaan halen. Die zou ook misbruikt zijn door de vriend van de moeder. De moeder zou aangifte gaan doen. Ik heb toen een paar weken later nog gevraagd aan [slachtoffer 2] of haar moeder aangifte had gedaan. [slachtoffer 2] gaf toen aan dat dit nog niet gebeurd was. Ik heb toen ook nog contact met de moeder gehad en die zei dat ik me er niet mee moest bemoeien. In het eerste gesprek dat ik met [slachtoffer 2] hierover heb gehad, heeft zij mijzelf verteld dat die vriend van haar moeder aan haar zat. Wat precies heeft ze niet verteld, maar het was voor mij duidelijk dat het om seksuele aanrakingen ging. Ze vertelde dat hij haar gezoend had en aan haar geslachtsdeel had gezeten. Toen is er twee of drie dagen later een gesprek geweest met moeder en een politieagent. Moeder heeft toen tijdens dat gesprek aangegeven dat ze aangifte zou gaan doen. Tijdens die bijeenkomst met moeder en de politieagent heeft [slachtoffer 2] niets meer verklaard. Dat seksueel misbruik staat voor mij wel vast. Ik had wel het gevoel dat het waar was wat [slachtoffer 2] daarover vertelde. Moeder heeft ook aangegeven dat het waar was. In het bedrijfsprocessen-systeem van de politie blijkt onder nummer [nummer] een registratie te staan over mogelijk seksueel misbruik van [slachtoffer 2]. Zij had in 2011 aan een leraar van het [naam school] verteld dat haar stiefvader over haar vagina had gewreven. De leraar gaf dit door aan het zorgteam van de school. Zij gingen in gesprek met [medeverdachte] . In 2011 werd hiervan melding gedaan bij de politie en werd een informatief gesprek gevoerd met [medeverdachte] . Hierin werd verklaard dat [verdachte] bij de 12-jarige [slachtoffer 2] meerdere keren de broek en onderbroek naar beneden had gedaan en vervolgens over haar vagina gewreven had. [medeverdachte] besloot hiervan geen aangifte te doen, omdat zij opzagen tegen de lange weg die zij zouden moeten bewandelen. Getuige [naam 1], destijds de pleegmoeder van [slachtoffer 2] , heeft bij de politie het volgende verklaard: [slachtoffer 1] was erg gesloten. Het is pas de laatste maanden dat ze is gaan vertellen wat er allemaal gebeurd is in haar jeugd. Terwijl [slachtoffer 2] van begin af aan ‘het al van de daken schreeuwde’ wat er allemaal mis was thuis, nam [slachtoffer 1] haar moeder in bescherming en werd ze dan kwaad op [slachtoffer 2] . Later is dat dus veranderd. […] Terwijl wij in het politiebureau in de wachtzaal zaten, [slachtoffer 1] , ik en [medeverdachte] , was [medeverdachte] via WhatsApp in contact met [verdachte] en [slachtoffer 2] . [medeverdachte] liet mij toen op haar mobieltje zien wat [verdachte] haar schreef. Ze gaf mij de hele telefoon in de hand en ik kon zelf door dat gesprek scrollen. Ik heb toen gelezen dat [verdachte] schreef dat ‘ [slachtoffer 2] lekker geil en opstandig was en dat ze mooie dikke tieten had’ en dat hij vrouwen in Afrika ging pakken en daarvan foto’s naar [slachtoffer 2] ging sturen. Kort daarna ging hij op vakantie in Tanzania. [slachtoffer 2] heeft altijd een grote mond gehad tegen iedereen, maar niet tegen haar moeder of ze draaide tegen haar snel bij. Ze was in die tijd ook zo weinig mogelijk thuis, vooral als [verdachte] er was. Ook als ze met haar moeder mee moest naar [verdachte] in Alphen aan de Rijn, dan wilde ze dat niet en ging huilend op de stoep zitten. Overigens wilde [slachtoffer 1] ook nooit mee en moest toch. [slachtoffer 2] zei dan dat [verdachte] gewoon een pedofiel was. Als ik dan vroeg waarom ze dat zei dan gaf ze daar geen antwoord op. Ze zei ook dat hij haar aanraakte. Als ik dan vroeg waar hij haar aanraakte dan klapte zij dicht. [slachtoffer 2] heeft mij zelf verteld dat zij door [verdachte] in haar slaapkamer en in haar bed betast werd. Ook [medeverdachte] , de moeder van [slachtoffer 2] , moet dit weten, want [slachtoffer 2] heeft mij verteld dat [medeverdachte] daar zelf bij aanwezig was. In haar verhoor op 8 juli 2019 bij de rechter-commissaris heeft [naam 1] verklaard: Ik wist vanaf het begin dat [verdachte] haar aanraakte en haar uitdaagde en dingen met haar deed, maar vooral ook met haar zusje. Vrijwel meteen heeft ze iets over het misbruik van [verdachte] tegen mij gezegd. Ze vertelde dat [verdachte] een pedofiel was. Ik geloofde haar eerst niet meteen, maar de verhalen werden steeds sterker en uitgebreider. Ze was toen 14 jaar. (…) Eerst vertelde ze niet meer dan dat [verdachte] een pedofiel was, maar [ze] vertelde later dat hij haar aangeraakt had. Ze heeft nooit uitgesproken waar hij haar had aangeraakt, maar wel aangewezen. Ze heeft gewezen tussen haar benen bij haar vagina en naar haar tieten. Ik weet niet of het bovenop haar kleding was of onder haar kleding. Dat durf ik nu niet meer met 100 procent zekerheid te vertellen. Ter terechtzitting van 9 november heeft verdachte verklaard: In 2011 woonde ik in Alphen aan de Rijn aan de [adres 2] . Het luchtbed lag bij ons op de slaapkamer. Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer 2] heeft gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen die verdachte bij haar heeft verricht. Bovendien heeft zij destijds, in 2011 – en dus niet pas toen [slachtoffer 1] aangifte had gedaan – al melding gemaakt van het misbruik. Immers, zij heeft toen al haar mentor [naam mentor] in vertrouwen genomen en heeft in die periode ook signalen over het misbruik afgegeven aan haar pleegmoeder [naam 1] . Bij het gesprek met de mentor was haar moeder, [medeverdachte] , aanwezig en [naam mentor] heeft onder ede, ten overstaan van de rechter-commissaris, bevestigd dat [medeverdachte] op de hoogte was van het misbruik in 2011 en heeft gezegd dat dit waar was. Dit komt overeen met de verklaring van [slachtoffer 2] . Ook zij geeft namelijk aan dat haar moeder op de hoogte was van het misbruik. Dit essentiële onderdeel in de verklaring van [naam mentor] betreft geen ‘de auditu’-waarneming gerelateerd aan de verklaring van [slachtoffer 2] , maar betreft een eigen waarneming van [naam mentor] met betrekking tot hetgeen [medeverdachte] destijds in het gesprek op school heeft verklaard, zodat deze overeenkomst in beide verklaringen bijdraagt aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2] . Ter terechtzitting heeft [verdachte] bevestigd dat [slachtoffer 2] in Alphen aan den Rijn sliep op een luchtbed in de slaapkamer waar hij met [medeverdachte] sliep. Ook deze verklaring biedt steun aan de verklaring van [slachtoffer 2] . De rechtbank stelt op grond van bovenstaande bewijsmiddelen vast dat de verklaring die [slachtoffer 2] heeft afgelegd ten overstaan van de politie, geloofwaardig en betrouwbaar is. De verklaring van [slachtoffer 2] ten overstaan van de rechter-commissaris [slachtoffer 2] heeft haar verklaring ten overstaan van de politie ingetrokken, toen zij – onder ede - op 6 december 2018 door de rechter-commissaris is gehoord. Tijdens dit verhoor heeft [slachtoffer 2] verklaard dat er niets gebeurd is, behalve dat verdachte ‘enkel’ éénmaal in 2011 met zijn hand over haar pyjama heen over haar vagina heeft gewreven. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of deze – ter terechtzitting van 9 november 2020 weer ingetrokken –verklaring maakt dat de aangifte van [slachtoffer 2] niet als bewijs kan worden gebruikt, omdat die niet als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Ter terechtzitting van 9 november 2020 heeft [slachtoffer 2] onder ede verklaard dat juist de door haar afgelegde verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris niet op de waarheid berust en dat haar eerdere verklaringen bij de politie, waarin zij heeft aangegeven dat het misbruik wél heeft plaatsgevonden, waar zijn. Over de reden waarom zij niet eerlijk is geweest bij de rechter-commissaris heeft zij onder meer het volgende verklaard: De eerste keer, bij de politie, heb ik de waarheid verteld. De tweede keer, bij de rechter commissaris, ben ik niet eerlijk geweest. Ik was niet eerlijk omdat ik me onder druk gezet voelde door [verdachte] en mijn moeder, omdat ik wist wat er voor me op het spel stond. Het was voor mijn eigen veiligheid. Ik heb al vaker aanvaringen gehad met [verdachte] . Op zeer agressieve wijze. Mijn moeder zei er elke keer niets van. Ze kiest altijd [verdachte] zijn kant. […] Op uw vraag of mijn loyaliteit naar mijn moeder, waar [naam 5] en [naam 1] naar verwijzen, heeft meegespeeld antwoord ik dat ik bij de rechter-commissaris naar binnen liep met het idee dat ik dit zo en zo moest doen. omdat ik anders niet eens meer wist waar ik terecht kon. […] De mail naar de advocaat ging zo: ik kwam thuis en ik vertelde dat ik het [de rechtbank begrijpt: het aangifte doen tegen verdachte] had gedaan om [slachtoffer 1] tevreden te stellen. Ik heb hun er nooit mee geconfronteerd dat het [de rechtbank begrijpt: het misbruik van [slachtoffer 2] ] echt gebeurd is. Mijn moeder wel maar [verdachte] nooit. Toen ik zei dat wat ik heb gezegd in mijn aangifte niet gebeurd is, zeiden ze of ik dan de advocaat kon mailen. Ik heb die mail heel snel getypt en verzonden en niet nagedacht over de consequenties. Het was een normaal gesprek met een normale sfeer. Ik voelde van binnen de druk maar heb dat van buiten niet laten merken. Er is met mij besproken welke vragen de advocaat mij zou kunnen stellen en wat ik dan moest antwoorden. Ook bij de rechter-commissaris. Het was allemaal voorbereid. […] Het is een vent van bijna twee meter. Ik kan daar niet tegenop. Ik wilde de agressie niet voeden. Die druk voelde ik. Dat heeft ertoe geleid dat ik de mail gestuurd heb. Ik voelde de druk van binnen. Ik heb de mail aan de advocaat cc naar [verdachte] gestuurd, als bevestiging naar hem dat ik de advocaat echt gemaild heb. [verdachte] heeft me gevraagd of ik hem als cc kon bijvoegen. Op de vraag van de jongste rechter in rang of expliciet tegen mij gezegd is dat ik uit huis zou worden gezet, antwoord ik dat het me is gezegd en dat het bovendien ook vaker gebeurde. Beide dus. [verdachte] heeft het me niet gezegd, maar mijn moeder wel. […] Het verhoor bij de rechter-commissaris heeft heel lang geduurd. Mijn moeder is toen met me mee gegaan, zij zat buiten. Ik heb het liegen heel lang volgehouden. Dat klopt. Ik heb het verhoor voorbesproken met mijn moeder. Ik heb ook op veel vragen 'weet ik niet meer’ en 'nee, is niet zo' gezegd. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 2] in haar verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard: Ik zou er alles aan doen om ervoor te zorgen dat mijn moeder niet vast komt te zitten. […] Ik moet nu kiezen tussen mijn zus en [verdachte] . Ik kies nu voor de waarheid en voor [verdachte] is het dan goed. […] U vraagt naar het mailtje van december 2017, die naar mr. Van de Bergh met een cc naar [verdachte] is gestuurd. Ik heb die mail getypt. [..] Ik wilde [verdachte] bevestigen dat ik de mail naar de advocaat had gestuurd. […] Op de vraag of ik gelogen heb over het misbruik bij de politie antwoord ik: ja, houd het daar maar op. Door alles wat ik heb verklaard bij de politie kun je een dikke streep zetten. Ik heb alles gelogen. De rechtbank leidt uit de onder ede afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] ter terechtzitting van 9 november 2020 af dat [slachtoffer 2] heeft gelogen bij de rechter-commissaris. De rechtbank gelooft [slachtoffer 2] dat zij zich voorafgaand en tijdens het verhoor door de rechter-commissaris onder druk gezet voelde om haar eerdere verklaring bij de politie in te trekken. Buiten de druk die zij zegt te hebben gevoeld, is de rechtbank ook ervan overtuigd dat haar loyaliteit naar haar moeder een grote rol heeft gespeeld. Deze overtuiging wordt nog versterkt door de verklaringen van [naam 1] en [naam 5] , die ook de rechter-commissaris zijn gehoord en die daarover het onderstaande hebben verklaard. [naam 1] , destijds de pleegmoeder van [slachtoffer 2] , heeft bij de rechter-commissaris verklaard: U zegt mij dat [slachtoffer 2] hier bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat wat zij eerder bij de politie heeft verklaard gelogen is en dat zij niet is misbruikt. Dan heeft ze hier bij de rechter-commissaris gelogen. Ik begrijp het wel dat ze hierover liegt, want ze woont nu bij haar moeder. Dat was toen niet het geval. Ik denk dat ze nu haar moeder probeert te redden. Haar moeder was zelf bij het doen van de aangifte aanwezig. [naam 5] , destijds de gezinsvoogd van [slachtoffer 2] , heeft bij de rechter-commissaris verklaard: U houdt mij voor dat [slachtoffer 2] hier bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat het niet waar was wat zij eerder bij de politie heeft verklaard en of ik dat kan plaatsen. Ja, dit kan ik plaatsen in zoverre dat het naar mijn idee niet gelijk als liegen kan worden beschouwd, maar meer door de druk die stond op de relatie tussen [slachtoffer 2] en haar moeder. Dat was geen gezonde situatie. Haar loyaliteit naar haar moeder was heel erg sterk. Zodra dat contact onder druk kwam te staan, kronkelde [slachtoffer 2] zich in alle richtingen om haar relatie met haar moeder te behouden. Het was een patroon van aantrekken en afstoten. Het verbreken van contact door haar moeder kon [slachtoffer 2] niet aan. De onder dit tussenkopje aangehaalde verklaringen van [slachtoffer 2] , [naam 5] en [naam 1] bevestigen de eerdere tussenconclusie van de rechtbank dat de verklaring van [slachtoffer 2] ten overstaan van de politie betrouwbaar en geloofwaardig is. Dit in tegenstelling tot de door haar afgelegde verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris. De rechtbank acht het zonder meer kwalijk dat [slachtoffer 2] aldaar onder ede heeft gelogen. [slachtoffer 2] is ter terechtzitting gewezen op de mogelijke consequenties daarvan. Het gaat echter te ver om haar aangifte bij de politie en haar ter terechtzitting van 9 november 2020 afgelegde verklaring uit te sluiten van het bewijs. De rechtbank zal die verklaringen dus wel voor het bewijs gebruiken. Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot feit 3 De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte in de periode van de zomer van 2011 tot en met begin 2015 in Alphen aan den Rijn en in Maastricht meerdere malen zijn vingers in haar vagina heeft geduwd. Haar moeder is minstens één keer ervan getuige geweest dat verdachte aan haar zat. De toenmalige mentor van [slachtoffer 2] , [naam mentor] , heeft verklaard dat [slachtoffer 2] hem in 2011 heeft verteld dat zij door verdachte werd misbruikt en dat [medeverdachte] in een gesprek op school bevestigd heeft dat dit waar was. Verder stelt de rechtbank vast dat beschrijving van de slaapplek van [slachtoffer 2] in Alphen aan den Rijn, waar zij stelt dat het misbruik heeft plaatsgevonden, overeenkomt met de beschrijving van deze slaapplek door verdachte. Tot slot stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 2] [naam 1] destijds in vertrouwen heeft genomen over het misbruik door verdachte. Het verweer van de verdediging dat elk steunbewijs in het dossier ‘de auditu’ is, wordt door de rechtbank dan ook niet gevolgd. De rechtbank is van oordeel dat naast de – betrouwbaar geachte – verklaring van [slachtoffer 2] , voldoende steunbewijs aanwezig is. Wat betreft de periode waarbinnen het misbruik heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank als begindatum nemen het begin van de zomervakantie, die in 2011 begon op 9 juli. Wat de einddatum betreft wordt aansluiting gezocht bij de verklaring van [slachtoffer 2] dat het misbruik heeft geduurd tot zij zestien jaar werd. Dit was in januari 2015. Het verweer dat [slachtoffer 2] op een gegeven moment bij [naam 1] ging wonen en dat het misbruik toen feitelijk niet meer mogelijk was, wordt niet gevolgd, gelet op de verklaring van gezinsvoogd [naam 5] ten overstaan van de rechter-commissaris dat verdachte – tegen de afspraken in – er toch was als [slachtoffer 2] bij haar moeder verbleef (pgn 10, tweede alinea). De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 9 juli 2011 tot en met 10 januari 2015 schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer 2] die destijds tussen de 12 en de 16 jaar oud was, door meermalen zijn vingers in haar vagina te duwen. Feiten 1 en 2 Het toetsingskader In het arrest van 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1355, heeft de Hoge Raad omtrent de bewijsminimumregel het volgende overwogen: “Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal”. Voorts kan met betrekking tot zedenzaken uit de rechtspraak van de Hoge Raad worden afgeleid dat niet is vereist dat het misbruik zelf steun vindt in ander bewijsmateriaal. Als maar de verklaring van de aangever op specifieke punten bevestiging vindt in het overige bewijsmateriaal en tussen dit een en ander niet een te ver verwijderd verband bestaat. Hoewel de vraag of aan het bewijsminimum is voldaan zich volgens de Hoge Raad niet in algemene zin laat beantwoorden maar per geval moet worden beoordeeld, is wel duidelijk dat wanneer de modus operandi van de tenlastegelegde feiten met elkaar overeenkomt, schakelbewijs voldoende steunbewijs kan opleveren. Met andere woorden: de aangifte van de een kan dienen als steunbewijs voor die van de ander. De concrete vraag die thans voorligt is of de aangifte en verklaring van [slachtoffer 2] als steunbewijs kan worden gebruikt voor de aangifte van [slachtoffer 1] om op deze manier tot een bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde te kunnen komen. Voorafgaand aan de beantwoording van die vraag is eerst van belang het antwoord op de vraag of de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaringen betrouwbaar kunnen worden geacht en derhalve voor het bewijs kunnen worden gebezigd. De aangifte [slachtoffer 1] heeft in haar aangifte verklaard: De feiten hebben plaatsgevonden op de [straat] te Maastricht en de [adres 3] te Simpelveld. De feiten werden gepleegd door [verdachte] . Hij kroop bij mij in bed en raakte mij bij mijn geslachtsdeel aan. Rond het derde jaar van de relatie tussen [verdachte] en mijn moeder lag mijn moeder in het ziekenhuis en toen werd ik naakt in [verdachte] zijn bed wakker. De dingen die [verdachte] deed, waren dat hij ook bovenop mij kwam, en dat ik dan niet weg kon. En toen begon hij mij aan te raken. En toen wilde hij zijn geslachtsdeel in mijn geslachtsdeel doen. De eerste keer lukte het mij wel om hem van mij af te duwen maar daarna lukte mij dat niet meer. Als hij naast mij in bed kwam liggen dan pakte hij mijn hand en bracht die naar zijn geslachtsdeel. En één keer moest ik ook zijn geslachtsdeel in mijn mond nemen. Als [verdachte] naast mij op de bank zat, dan zat hij met zijn handen aan mijn borsten. En als mijn moeder er niet was, dan ging hij met zijn handen ook naar mijn geslachtsdeel. En als ik op bed was, dan ging hij met zijn hand mij vingeren. De eerste keer dat [verdachte] met zijn geslachtsdeel in mij kwam was in januari 2013. Hij kwam bovenop mij liggen, hij had echt kracht gezet, ik kon niet weg. Hij had echt mijn armen vast. Hij deed toen zijn geslachtsdeel in mijn geslachtsdeel. Hij had mijn onderkleding al uitgedaan. [verdachte] kwam zelf al helemaal naakt naar mijn kamer toe. Hij maakte mij wakker en zei ‘kom, kom, we gaan verder’. Ik zei Nee, Nee, ik wil dit niet. Toen kwam hij bovenop mij zitten en toen gebeurde dit allemaal. Ik lig op mijn rug. Ik lig plat. Mijn benen naast elkaar. Hij duwde met zijn benen mijn benen uit elkaar en toen gebeurde dat. Als ik hem moest aftrekken hield hij met zijn hand mijn hand vast en dan bracht hij die naar zijn geslachtsdeel en toen maakte hij bewegingen dat ik hem moest aftrekken. Dat ging totdat hij klaar kwam en dan ging hij weg. Dat aftrekken is vaak voorgekomen. Dat ik zijn penis in mijn mond moest doen was net zo vaak als het aftrekken. Dat was bijna ieder weekend, dat was erbij. Anderen kregen hier niets van mee, dat was ’s nachts als iedereen sliep. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 1] het volgende verklaard: Ik heb geen stukken meer gelezen ter voorbereiding van dit verhoor. Ik heb verklaringen die ik heb afgelegd in mijn bezit, maar heb die niet meer gelezen. Ik heb al 4 jaar geen contact meer met [verdachte] . Ik heb nog een aantal stukjes goed in mijn geheugen zitten van dingen die in het verleden zijn gebeurd. U vraagt me wanneer de eerste keer was dat [verdachte] iets bij mij gedaan heeft. Dat weet ik niet meer. Ik kan me wel een keer herinneren dat [verdachte] een weekend bij ons was. Ik lag te slapen en toen kwam hij naast me liggen en begon me aan te raken op plekken waar ik dat niet wilde. Dit was in de woning van mijn moeder in Maastricht. Hij heeft me aangeraakt bij mijn borsten en bij mijn geslachtsdeel. Na die keer waren er nog andere keren dat hij me heeft aangeraakt. Ik weet niet hoe vaak het is gebeurd dat hij me heeft aangeraakt, maar wel heel vaak. Ik kan mij wel herinneren dat er van alles is gebeurd dat ik niet wilde. Daarmee bedoel ik aan mijn borsten en vagina. Dit gebeurde als mijn moeder niet thuis was of in het ziekenhuis lag. Het begon met aanrakingen van mijn borsten en mijn vagina en vingeren. Ik kan me niet meer herinneren hoe vaak [verdachte] met zijn geslachtsdeel in mij is geweest. Het kan dat ik bij de politie eerst heb verklaard dat het twee keer is gebeurd en in de aangifte drie á vijf keer. Het was over een langere periode en ik wist het ook bij de politie toen al niet meer exact. U houdt me voor dat ik bij de politie heb verklaard dat het [verdachte] één keer is gelukt om mij te verkrachten. Ik weet niet het exacte aantal. Het is in een periode gebeurd van 2011 tot 2016, daarom weet ik dat niet exact. Ik weet wel dat het vaker dan een keer is gebeurd. U houdt mij voor pagina 44, waarin ik heb verklaard dat mijn relatie met mijn moeder slecht is en dat zij niet wilde dat ik aangifte ging doen. Mijn moeder had toen ruzie met [verdachte] . Ze heeft toen gezegd dat ik toch aangifte mocht doen. Toen ik op het politiebureau was, wilde mijn moeder toen ineens toch niet meer dat ik aangifte deed, maar ik heb dat toch gedaan. De betrouwbaarheid van de verklaring(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.