RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 8607413 \ CV EXPL 20-3042 Vonnis van de kantonrechter van 28 oktober 2020 in de zaak van: [eiser] , wonend [adres] , [woonplaats eiser] , eiser, gemachtigde mr. H.P. Wellenberg, tegen: [gedaagde] , wonend [adres] , [woonplaats gedaagde] , gedaagde, procederende in persoon. 1De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende door partijen uitgewisselde processtukken: het exploot van dagvaarding de dato 9 juni 2020, met bijlagen, de conclusie van antwoord, met bijlagen, de conclusie van repliek, met nadere bijlagen, de conclusie van dupliek, met nadere bijlagen. Aansluitend is de zaak op vonnis gesteld, waarvan de uitspraak – nader, mede in verband met de coronapandemie maatregelen – is bepaald tegen heden. 2De vaststaande feiten Uit het over en weer door partijen naar voren gebrachte kunnen de volgende vaststaande feiten worden afgeleid, voor zoveel nu voor een beoordeling ter zake doend: gedaagde fokt, in de vorm van een kennel, onder de naam [kennelnaam] , honden (Labrador), dit sedert kennelijk 22 jaren; zo heeft gedaagde een nest pups voor de verkoop beschikbaar gehad, geboren op [geboortedatum] 2019; een van deze pups (genaamd [naam hond] ) is door eiser gekocht op 25 augustus 2019; een en ander is neergelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen partijen van die datum (productie 2 bij dagvaarding); in de periode na 25 augustus 2019 heeft deze pup verschijnselen van incontinentie vertoond; in eerste instantie heeft eiser die verschijnselen geweten aan de leeftijd van de pup en nog aan te leren zindelijkheid en in tweede instantie aan wellicht een blaasinfectie; nadien is een mogelijk aangeboren afwijking binnen beeld gekomen, een zogeheten Sfinctermechanisme Incontinentie (SMI); eiser heeft een en ander bij gedaagde aan de orde gesteld met vraag de aankoopsom voor de pup ten bedrage van € 1200,00 terugbetaald te krijgen en/of verdere gemaakte extra kosten vergoed te krijgen; behoudens een door gedaagde aan eiser betaalde bijdrage in extra kosten van dierenarts/medicatie tot € 157,55, heeft dat niet tot overeenstemming tussen partijen geleid, waarna eiser de onderhavige procedure is gestart. 3De stellingen en vorderingen van eiser Eiser stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat de transactie tussen partijen op 25 augustus 2019 heeft te gelden als een consumentenkoop, zoals bedoeld in artikel 7:5 van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge het daarop volgende artikel 6 zijn daarom de dwingendrechtelijke bepalingen ten aanzien van consumentenkoop van toepassing, waaraan daarvan afwijkende bepalingen in de schriftelijke koopovereenkomst tussen partijen niet af kunnen doen. Eiser wijst vervolgens op de in zijn ogen vastgestelde aangeboren afwijking bij de door hem gekochte pup en stelt zich op het standpunt dat de pup daarmee en daardoor niet heeft beantwoord aan hetgeen eiser daarvan ingevolge aankoop nu juist mocht verwachten. Die afwijking is aangeboren en derhalve: op 25 augustus 2019 reeds aan de orde geweest, waarbij overigens in ieder geval al het vermoeden geldt, zoals dat voor een consumentenkoop in artikel 7:18, lid 2, Burgerlijk Wetboek is neergelegd, te weten: dat een en ander vermoed wordt het geval te zijn indien de afwijking zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering openbaart, zoals het geval is. Op deze grondslag vordert eiser vermindering van de koopprijs voor de pup tot nihil en daarmee: terugbetaling van de koopsom ad € 1200,00 en verder vergoeding van het restant van de inmiddels voor eiser ontstane schade tot een bedrag van € 442,
- Daarnaast maakt eiser aanspraak op vergoeding van te begroten schade voor de verdere toekomst, te vermeerderen met rente en buitengerechtelijke kosten, kosten rechtens. 4Het verweer van gedaagde Gedaagde heeft bestreden dat er sprake is geweest van een consumentenkoop, zoals door eiser gesteld, zodat uitsluitend de afspraken gelden, zoals die in de hierboven bedoelde schriftelijke overeenkomst tussen partijen zijn neergelegd. Die afspraken zijn duidelijk en geven geen ruimte voor de vorderingen, zoals eiser die heeft ingesteld. Daarnaast heeft gedaagde evenzeer bestreden dat er een aangeboren afwijking bij de door eiser gekochte pup aan de orde is. Uit het diergeneeskundig dossier zoals dat bij de pup behoort en zoals dat door eiser aan wordt gereikt blijkt immers van het voorgeschreven zijn en gebruikt zijn van medicatie tegen vlooien/teken die de incontinentieverschijnselen zal hebben veroorzaakt. Er is daarom geen sprake van een aangeboren afwijking doch van een nadien ontstane afwijking, ontstaan als gevolg van het gebruik van medicatie. 5Het oordeel van de kantonrechter Bij de vraag of er wel of niet sprake is van een consumentenkoop in de zin der wet kan en dient uitsluitend uit te worden gegaan van de omlijning daarvan in het hierboven reeds aangestipte artikel 7:5 Burgerlijk Wetboek. De omstandigheid dat gedaagde door de belastingautoriteiten hier te lande niet als ondernemer wordt aangemerkt, is daarom niet bepalend. Evenmin de wel of niet aanwezige inschrijving als ondernemer in het daartoe bestemde handelsregister (KVK). Ook niet: de kennelijk afwezige inschrijving als beroepsfokker bij een in aanmerking komende kynologische vereniging of instantie. Blijkens dit artikel 5 dient uitsluitend bepaald te worden of er in het onderhavige geval sprake is van de koop met betrekking tot een roerende zaak die wordt gesloten door een verkoper die handelt in het kader van zijn handels –, bedrijfs –, ambacht – of beroepsactiviteit en een koper, natuurlijke persoon, die handelt voor doeleinden buiten zijn bedrijfs – of beroepsactiviteit. Handelen door gedaagde vanuit een eigen handelsactiviteit is naar het oordeel van de kantonrechter inderdaad aan de orde door en met de door eiser geschetste omstandigheden, te weten: het in stand houden van een website, verkoop via deze website, meerdere nesten pups, gedurende kennelijk 22 jaren, hantering van een schriftelijke overeenkomst, de presentatie als kennel ( [kennelnaam] ) en niet in de laatste plaats: de als commercieel aan te merken koopsom voor de pup ad € 1200,
- In relatie tot eiser als kopende natuurlijke persoon heeft gedaagde daarmee te gelden als “handelaar”, zodat er sprake is van een consumentenkoop in de zin der wet. Dat betekent vervolgens – ingevolge artikel 7:6 Burgerlijk Wetboek – dat de schriftelijke overeenkomst tussen partijen geen gelding heeft voor zover daarmee en daardoor wordt afgeweken van dwingendrechtelijke bescherming van eiser als koper in het kader van een consumentenkoop. Die schriftelijke overeenkomst kan daarmee terzijde worden geschoven. Partijen verschillen vervolgens van mening ten aanzien van de vraag of de pup nu behept is met een aangeboren afwijking dan wel dat deze afwijking eerst nadien is ontstaan en dan meer in het bijzonder: als gevolg van het gebruik van medicatie tegen vlooien/teken. Aangezien de afwijking (incontinentie) zich in ieder geval binnen zes maanden na 25 augustus 2019 heeft geopenbaard en ook binnen die zes maanden aan gedaagde bekend is gemaakt, wordt de afwijking ingevolge het eerder genoemde artikel 18 vermoed reeds op 25 augustus 2019 aanwezig te zijn geweest. Dit bewijs vermoeden brengt met zich dat het op de weg van gedaagde komt te liggen alsnog aan te tonen dat er geen sprake is van een – reeds op 25 augustus 2019 aanwezig – aangeboren gebrek, doch van een verworven gebrek, al dan niet door en als gevolg van gebruik van medicatie in de periode nadien. Zo een tegenbewijs tegen dit wettelijke vermoeden lijkt met name mogelijk door inleiding van een deskundigenincident. Alvorens tot inleiding van zo een incident over te gaan, zal in de eerste plaats gedaagde (en vervolgens ook eiser) in de gelegenheid worden gesteld zich ten aanzien van zo een deskundigenincident alsnog bijzonderlijk uit te laten, waarbij gedaagde nadrukkelijk op het volgende wordt gewezen: A – het staat gedaagde vrij van de inleiding van zo een deskundigenincident af te zien; in geval gedaagde van inleiding daarvan af zou zien, blijft echter het hierboven bedoelde bewijs vermoeden gelden, zodat daarmee in deze procedure tussen partijen vast zou komen te staan dat het gebrek ten aanzien van de pup reeds op 25 augustus 2019 aan de orde is geweest en tevens: dat sprake is van een aangeboren afwijking die met zich brengt dat de pup niet heeft beantwoord aan hetgeen eiser daarvan ingevolge koop als huisdier mocht verwachten; B – gedaagde kan zelf een voorstel doen ten aanzien van een of meer tot deskundigen te benoemen personen; indien zo een voorstel door gedaagde wordt afgestemd met eiser en beide partijen eenstemmig zijn, dan kan zo een eenstemmig voorstel worden gevolgd; in ander geval zal anderszins een deskundige dienen te worden aangezocht, waarbij de kantonrechter op voorhand van oordeel is dat dan een veterinair deskundige aangewezen is, zo mogelijk verbonden aan de faculteit diergeneeskunde te Utrecht; C – de aan een eventuele deskundige of deskundigen ter beantwoording voor te leggen vragen zouden in ieder geval – behoudens verdere door gedaagde zelf te formuleren vragen – als volgt hebben te luiden:
- is er sprake van verschijnselen bij de in de onderhavige procedure aan de orde zijnde pup die wijzen op de aanwezigheid van een aangeboren afwijking (SMI) ? 2 – zo ja, is er dan sprake van een aangeboren afwijking bij deze pup? 3 – is de voorgeschreven medicatie (zoals te kennen uit het diergeneeskundig dossier, productie 3 bij dagvaarding) op enigerlei wijze van invloed geweest op de aard en ernst van deze aangeboren afwijking? 4 – welke opmerkingen komen de deskundige overigens dienstig voor in het licht van het partijen verdeeld houdende geschil? D – het te reserveren voorschot voor vergoeding van de door de deskundige te maken kosten dient ter beschikking van de rechtbank te worden gestort, alvorens de deskundige met zijn werkzaamheden een aanvang zou kunnen gaan maken; voorshands is de kantonrechter (gelet op het hierboven bedoelde bewijs vermoeden) van oordeel dat dit nog nader bij een te benoemen deskundige op te vragen voorschot door gedaagde zal dienen te worden gedeponeerd. De zaak zal dan ook worden verwezen naar de rolzitting voor akte uitlating aan de zijde van gedaagde, zoals hierboven aangeduid, waarna eiser vanzelfsprekend in de gelegenheid zal worden gesteld een antwoordakte te nemen. Ter instructie aan partijen wordt op dit moment voorshands en onder voorbehoud van een nadere beoordeling nog het volgende overwogen. Indien eiser van inleiding van een deskundigenincident af zou wensen te zien zowel als in die situatie dat een deskundige tot de aanwezigheid van een aangeboren gebrek mocht gaan concluderen, dient te worden bezien welke aanspraken daaruit voor eiser tegenover gedaagde voortvloeien. Ook zonder ontbinding van de overeenkomst tussen partijen lijkt terugbetaling van de koopsom tot € 1200,00 in de rede te liggen (artikel 7:22 BW) evenals ook vergoeding van extra door eiser gemaakte kosten in de periode tot aan vaststelling van het gebrek (november 2019); extra kosten nadien lijken in de eerste plaats toe te moeten worden gerekend aan het kennelijke besluit van eiser de pup ( [naam hond] ) “ondanks alles” te willen blijven behouden, terwijl de financiële gevolgen van dit eigen besluit van eiser niet voortgaand en voor de verdere toekomst voor rekening van gedaagde lijken te kunnen gaan worden gebracht. Onder aanhouding van elke nadere beslissing wordt er al met al beslist als volgt. 6Beslissing: Verwijst de zaak naar de rolzitting van 25 november 2020 om eiser in de gelegenheid te stellen zich nader schriftelijk uit te laten (een akte te nemen) ten aanzien van hetgeen hem hierboven in rechte werd voorgehouden. Houdt elke nadere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.P. Brouns, kantonrechter te Roermond, en in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. J.W. Rijksen op 28 oktober
- type: PB / DT coll: