RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: AWB 18/2905 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2020 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres , en de Belastingdienst Toeslagen, verweerder (gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ). Procesverloop Bij besluit van 16 november 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van eiseres op zorgtoeslag voor het berekeningsjaar 2012 vastgesteld op € 497,- en het teveel ontvangen, reeds uitbetaalde voorschot ad € 236, teruggevorderd. De huurtoeslag voor het jaar 2012 is definitief vastgesteld op nihil. Het teveel ontvangen, reeds uitbetaalde voorschot ad € 434,- is teruggevorderd. Bij besluit van 8 april 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september
- Eiseres is verschenen, vergezeld door [naam ] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen
- Eiseres ontvangt van verweerder zorg- en huurtoeslag. Op 7 december 2013 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Verweerder heeft vervolgens op 8 april 2014 het bestreden besluit genomen. Op 21 juli 2018 heeft eiseres opnieuw bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 16 november
- Bij brief van 27 november 2018 heeft verweerder het schrijven van eiseres aangemerkt als beroepschrift tegen het besluit van 8 april 2014 en doorgestuurd naar de rechtbank. Verweerder bepleit niet-ontvankelijkheid van het beroep wegens termijnoverschrijding.
- Eiseres voert de volgende gronden aan. Eiseres stelt dat zij, nadat zij op29 november 2013 een verzoek bij verweerder heeft ingediend om een verrekenoverzicht en zij op 7 december 2013 bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 16 november 2013, niets meer van verweerder vernomen heeft. Zij heeft het bestreden besluit niet ontvangen.
- In geschil is of het beroep van eiseres niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.
- Het toetsingskader is volgens vaste rechtspraak het volgende. Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van die stukken op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 augustus 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN4254 en 14 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:715).
- Verweerder heeft aangevoerd dat het bestreden besluit van 8 april 2014 een handmatig verzonden beschikking betreft. Volgens verweerder kan uit de systemen van verweerder opgemaakt worden dat de behandeling van het bezwaar op 3 april 2014 is afgerond. Ter onderbouwing heeft verweerder een schermafdruk uit zijn systeem overgelegd. Als een beslissing op bezwaar is afgehandeld, wordt deze op dezelfde dag of vlak na deze dag verzonden. Ook zijn er bij verweerder geen problemen bekend bij het verzenden van besluiten in de periode waarin de beslissing op bezwaar van 8 april 2014 is verzonden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat aannemelijk is gemaakt dat het bestreden besluit tijdig naar het juiste adres is verzonden. Op het besluit op bezwaar is het juiste adres vermeld, dat wil zeggen het adres van eiseres dat in 2014 in de Basisregistratie personen is opgenomen.
- De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de beslissing op bezwaar van 8 april 2014 daadwerkelijk door hem is verzonden. Uit de overgelegde schermafdruk en de gegeven toelichting ter zitting kan dit niet opgemaakt worden. Volgens de toelichting bevat de schermafdruk de informatie dat er op 15 januari 2014 een begin is gemaakt met de behandeling van het bezwaarschrift, dat er op 3 april 2014 een collegiale toets heeft plaatsgevonden en dat er op diezelfde dag door de behandelaar een beslissing op bezwaar is gemaakt. De rechtbank kan hieruit echter niet opmaken dat de beslissing op bezwaar daadwerkelijk is verzonden. De schermafdruk bevat hier immers geen mededeling van en kan dan ook niet als deugdelijke verzendregistratie dienen. Niet gebleken is verder dat de beslissing op bezwaar van 8 april 2014 op een ander moment nog deugdelijk bekend is gemaakt. Het moet er daarom voor gehouden worden dat eiseres het bestreden besluit niet heeft ontvangen en pas voor het eerst bekend is geraakt met dit besluit, toen de rechtbank dit aan haar heeft doorgezonden als onderdeel van de stukken die verweerder in deze procedure heeft overgelegd. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank onvoldoende grond voor het oordeel dat eiseres met haar schrijven van 21 juli 2018 te laat is opgekomen tegen het besluit van 8 april
- Eiseres is dan ook ontvankelijk in haar beroep.
- Daarmee komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak. In de definitieve berekening van de huur- en zorgtoeslag over 2012 is uitgegaan van een toetsingsinkomen van eiseres van een bedrag van € 26.320,-. De rechtbank kan verweerder volgen in de berekening die is gemaakt. Voor de maand januari 2012 is de zoon van eiseres ( [naam zoon] ) als medebewoner van eiseres op het toeslagadres beschouwd. Het gezamenlijk inkomen van eiseres en haar zoon is, volgens de op dat moment bij verweerder bekende gegevens, vastgesteld op € 37.489,-. Overeenkomstig artikel 2, onderdeel b, van de Wet op de huurtoeslag (Wht) is het huishouden van eiseres aangemerkt als een meerpersoonshuishouden. In artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van de Wht is vervolgens bepaald dat geen huurtoeslag wordt toegekend als het rekeninkomen van het meerpersoonshuishouden meer bedraagt dan € 29.900,- in
- Omdat het gezamenlijk inkomen in januari € 37.489,- is, is er voor deze maand terecht geen huurtoeslag toegekend. In de maanden februari 2012 tot en met december 2012 is eiseres de enige bewoner van het toeslagadres. Dan geldt een rekeninkomen van € 22.025,-. Omdat het toetsingsinkomen van eiseres ten tijde van de definitieve vaststelling € 26.344,- bedraagt, is er terecht over de maanden van februari tot en met december 2012 geen huurtoeslag toegekend. De latere wijziging van het inkomen van eiseres naar € 26.320,- heeft geen gevolg voor de huurtoeslag omdat dat bedrag nog steeds boven het rekeninkomen ligt.
- Voor de zorgtoeslag 2012 geldt dat bij de definitieve berekening is uitgegaan van een toetsingsinkomen van € 26.344,-. Op basis van dit inkomen heeft eiseres recht op een bedrag aan zorgtoeslag van € 497,-. Volledigheidshalve vermeldt de rechtbank dat de zorgtoeslag op 2 mei 2014 is herzien omdat het inkomen van eiseres is aangepast (naar een bedrag van € 26.320,-). Daarmee heeft eiseres recht op € 498,- zorgtoeslag.
- Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat het door verweerder gehanteerde toetsingsinkomen niet overeenkomt met de jaaropgaven 2012, geldt het volgende. Het is vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN0487), dat verweerder bij het bepalen van de draagkracht is gehouden het verzamelinkomen zoals dat door de inspecteur van de Belastingdienst in de aanslag inkomstenbelasting is vastgesteld, in aanmerking te nemen. Als eiseres het niet eens met dit verzamelinkomen moet zij zich wenden tot de inspecteur van de Belastingdienst als zij meent dat sprake is van onjuiste inkomensgegevens. De rechtbank heeft dan ook geen aanknopingspunten dat verweerder van een onjuist toetsingsinkomen is uitgegaan. Voorts geldt dat verweerder er bij de definitieve berekening huurtoeslag 2012 van is uitgegaan dat de zoon van eiseres per 3 februari 2012 van het toeslagadres is uitgeschreven. Tenslotte heeft eiseres aangevoerd dat zij in 2012 (slechts) eenmalig een bedrag van € 73,- aan huurtoeslag heeft ontvangen. De rechtbank verwijst in dit verband naar een door eiseres overgelegde brief van het Landelijk Incassocentrum van 22 augustus 2018, waarin voor de huurtoeslag (2011 en) 2012 gespecificeerd is aangegeven hoe deze toeslag is aangewend voor terugvorderingen huurtoeslag 2008, 2009 en
- Om deze reden is het daadwerkelijk betaalde voorschot lager dan het toegekende voorschot. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om deze specificering voor onjuist te houden.
- Bij het bezwaarschrift van 21 juli 2018 heeft eiseres ook bezwaar gemaakt tegen de definitieve berekening huurtoeslag 2011 (dagtekening 8 november 2013) en de zorgtoeslag over 2011 (dagtekening 22 oktober 2012). Verweerder heeft met een beslissing op bezwaar van 27 november 2018 alsnog beslist op het bezwaarschrift van eiseres over de definitieve berekening huurtoeslag 2011 en in het verweerschrift aangegeven dat er nog een beslissing op bezwaar genomen gaat worden over de definitieve berekening zorgtoeslag
- Over de zaken over 2011 gaat het in deze procedure dan ook niet.
- De conclusie is dat verweerder het besluit van 8 april 2014 terecht heeft genomen. Het beroep van eiseres is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Derks, rechter, in aanwezigheid van mr. Y.M.H. Simonis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 februari
- De griffier is verhinderd de uitspraakte ondertekenen. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: 25 februari 2020 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.