vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer: C/03/273446 / KG ZA 20-14 Vonnis in kort geding van 27 februari 2020 in de zaak van [eiser] , wonend te [woonplaats 1] , eiser, advocaat mr. R.C.C.M. Nadaud; tegen: [gedaagde] , wonend te [woonplaats 2] , gedaagde, advocaat mr. W.J.F. Geertsen. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden. 1Het verloop van de procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met daarbij gevoegd producties 1 t/m 12; de e-mail van [eiser] van 17 februari 2020 met daarbij gevoegd productie 13; de brief van [gedaagde] van 13 februari 2020 met daarbij gevoegd producties 1 en 2; de mondelinge behandeling; de pleitnota van [eiser] ; de conclusie van antwoord/pleitnotitie van [gedaagde] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Bij vonnis van 6 november 2019 van deze rechtbank (zaaknummer C/03/263374 / HA ZA 19-211, verder te noemen: het vonnis) is [eiser] ten gunste van [gedaagde] onder andere veroordeeld om binnen vier maanden na betekening van het vonnis aan hem: de verbinding tussen zijn woonhuis en de garage ter plaatse van de garage op een deugdelijke manier geheel dicht te maken; ter plaatse van de garage deugdelijke maatregelen te nemen waardoor de elektra in zijn woning niet langer is verbonden met de elektra in de garage; ter plaatse van de garage deugdelijke maatregelen te nemen waardoor alle elektrische leidingen, alle gasleidingen en de waterleiding naar zijn woning niet langer via de garage lopen; de brievenbus in de zijmuur van de garage te verwijderen en verwijderd te houden van de zijmuur van de garage en de muur aldaar te herstellen zodat de voor [eiser] bestemde post etc. niet langer in de garage kan terechtkomen, alsmede de naast de brievenbus aanwezige vensteropening in de zijmuur van de garage op een deugdelijke wijze dicht te maken; de in garage aangebrachte alarmcentrale op een deugdelijke wijze te verwijderen en verwijderd te houden. 2.2. De voormelde garage is eigendom van [gedaagde] , maar een gedeelte daarvan staat, naar tussen partijen niet is betwist, op het perceel dat eigendom is van [eiser] . Voorts staat tussen partijen vast dat een recht van erfdienstbaarheid is gevestigd ten behoeve van het gedeelte van de garage dat de erfgrens overschrijdt, in die zin dat op de eigenaar van het dienend perceel ( [eiser] ) de plicht rust om ten behoeve van de eigenaar van het heersend erf ( [gedaagde] ) het gedeelte van de garage dat de eigendomsgrens overschrijdt te gedogen en toe te staan. 2.3. Het vonnis is op 14 november 2019 aan [eiser] betekend en hem is bevolen om binnen vier maanden, derhalve uiterlijk 14 maart 2020, aan de voormelde veroordeling te voldoen. 3Het geschil 3.1. [eiser] stelt dat de tenuitvoerlegging van het vonnis moeten worden geschorst. Ten eerste voert hij daartoe aan dat dat vonnis onlogisch en in strijd met de goede procesorde is. [eiser] baseert die stelling op het feit dat de rechtbank enerzijds voor recht heeft verklaard dat de ten processe bedoelde garage niet door verjaring eigendom is geworden van [eiser] , maar die verklaringen voor recht niet uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard, terwijl de rechtbank anderzijds wel de veroordeling van [eiser] tot ontruiming van de garage, als ook de veroordeling tot verwijdering van de in 2.1. bedoelde zaken, wél uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. 3.2. Indien de grondslag van de veroordelingen tot ontruiming van de garage c.a. niet uitvoerbaar bij voorraad is, dan dient volgens [eiser] ook het uitvloeisel daarvan, te weten de veroordeling tot het verlaten en ontruimen van de garage c.a., niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard te worden. De ene veroordeling is volgens [eiser] immers onlosmakelijk verbonden met de andere veroordeling. 3.3. Voorts moet de executie van het vonnis worden geschorst, omdat het volgens [eiser] een kennelijke misslag bevat. Het feit dat een erfdienstbaarheid ten behoeve van [gedaagde] rust op het deel van de garage dat volgens [eiser] zijn eigendom is, betekent volgens [eiser] niet dat hij van dat deel van zijn perceel geen gebruik mag maken. Dat houdt de erfdienstbaarheid volgens [eiser] niet in. 3.4. Volgens [eiser] kan hij niet worden veroordeeld om vensteropeningen dicht te maken, en leidingen en kabels te verwijderen die op zijn terrein liggen, ook indien die muur en dat gedeelte van de garage dienstbaar zijn aan het perceel van [gedaagde] . 3.5. Ter zitting heeft [eiser] nog aangevoerd dat de tenuitvoerlegging van het vonnis ook tot een noodtoestand aan zijn zijde zal leiden, omdat zijn gezondheidstoestand zich na de dagvaarding in de bodemprocedure heeft verergerd. Indien hij zijn woning niet meer kan betreden via de garage, ontstaat volgens [eiser] een noodtoestand. Hij kan zijn woning dan immers niet meer bereiken. 3.6. [gedaagde] heeft er volgens [eiser] ook geen belang bij om [eiser] thans de toegang tot zijn, [eiser] , woning te ontzeggen, omdat er nog geen koper is gevonden voor het pand dat nog eigendom is van [gedaagde] . 3.7. Op grond van het vorenstaande vordert [eiser] dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: [gedaagde] verbiedt het vonnis van de rechtbank Limburg, burgerlijk recht, zittingsplaats Maastricht, d.d. 6 november 2019, zaaknummer C/03/263374 / HA ZA 19-211, althans de veroordeling onder 5.4., 1 tot en met 4 (de voorzieningenrechter merkt op dat wellicht zal zijn bedoeld 1 tot en met 5), ten uitvoer te leggen alvorens in het onderhavige geschil onherroepelijk is beslist, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 100.000,-- voor het geval [gedaagde] wél ten uitvoer legt; [gedaagde] veroordeelt in de kosten van dit geschil. 3.8. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Als uitgangspunt heeft het volgende te gelden (vergelijk Hoge Raad: 20 december 2019:ECLI:NL:HR:2019:2026): a. Een uitgesproken veroordeling dient, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer te kunnen worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.