RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer: 03/703007-09 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 maart 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] , [geboortegegevens 1] , [adres 2] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. J-H.L.C.M Kuijpers en mr. V. Poelmeijer, advocaten kantoorhoudende te Amsterdam. 1Onderzoek van de zaak In onderhavige zaak is door de meervoudige kamer van deze rechtbank bij uitspraak van 11 oktober 2013 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging, waarna de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld. Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 12 november 2015 dit vonnis vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank teneinde deze op de bestaande tenlastelegging te berechten en af te doen. De rechtbank heeft de zaak vervolgens inhoudelijk behandeld op de zittingen van 1, 6, 12, 15 en 22 november 2019 en 27 januari 2020. Op de zitting van 4 maart 2020 is het onderzoek gesloten. De verdachte en zijn raadslieden zijn – met uitzondering van 4 maart 2020 – op voornoemde dagen verschenen. Op 27 januari 2020 is alleen mr. Poelmeijer verschenen. De officieren van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, na wijziging tenlastelegging - kort en feitelijk - weergegeven, op neer dat de verdachte al dan niet samen met anderen: feit 1: a. I. een factuur van [bedrijf 2] valselijk heeft opgemaakt/vervalst om deze als echt te (doen) gebruiken; II. van diezelfde valse factuur gebruik heeft gemaakt; en/of huurovereenkomsten valselijk heeft opgemaakt/vervalst om deze als echt te (doen) gebruiken; en/of [verzekeringsmaatschappij] heeft opgelicht; de [bank] heeft opgelicht; feit 2: primair: een beroep of gewoonte heeft gemaakt van het kopen van panden met het oogmerk om zonder volledige betaling zich en/of een ander de beschikking over die panden te verzekeren; subsidiair: [naam 1] (sub
- a)en/of [naam 2] (sub
- b)en/of [naam 3] (sub
- c)heeft opgelicht; feit 3: in vier notariële leveringsaktes valse opgave heeft doen opnemen aangaande de koopprijs van het betreffende pand; feit 4: gewoonte)witwassen, dan wel schuldwitwassen I primair: van vijf panden door te verbergen en/of te verhullen wie de rechthebbende was; subsidiair: van vijf panden door deze te verwerven en/of voorhanden te hebben; II door geldbedragen en/of goederen en/of tegoeden op bankrekeningen verworven en/of voorhanden te hebben, te weten: een geldbedrag van 250.110,43 euro uit verkoop van een pand (sub a), een (groot) aantal 500 euro biljetten (sub b), zogenaamde huuropbrengsten (sub
- c)en/of tegoeden op Belgische bankrekeningen (sub d); feit 5: primair: het doen van onjuiste of onvolledig aangifte voor de Inkomstenbelastingen Premie Volksverzekeringen over de jaren 2003 tot en met 2007 door: geen opgave te doen van banktegoeden bij een bank in België, die op een rekening stonden op naam van hemzelf en/of zijn echtgenote en/of op naam van zijn destijds minderjarige zoon en beide meerderjarige dochters; geen volledige opgave te doen van ontvangen huurinkomsten; opgave te doen van valse of vervalste kostenfacturen; subsidiair: onjuist of onvolledig aangifte voor de Inkomstenbelastingen Premie Volksverzekeringen over de jaren 2003 tot en met 2007 heeft gedaan door te lage of onjuiste bedragen aan belastbare winst uit onderneming, aan belastbaar inkomen uit werk en woning, aan voordeel uit sparen en beleggen en/of aan belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te vermelden; feit 6: medeplichtig is geweest aan het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken of aanwezig hebben van hennep door het ter beschikking stellen van twee panden. 3De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Het standpunt van de officieren van justitie De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de volgende ten laste gelegde misdrijven zijn verjaard: de onder 4 ten laste gelegde variant van schuldwitwassen met betrekking tot sub a voor de periode van 1 oktober 2006 tot en met 5 december 2007 betreffende het pand aan de [straatnaam 1] te [plaats 1] , alsmede de schuldvarianten van sub C (zogenaamde huurinkomsten) en sub D (tegoeden op Belgische bank); de onder 6 ten laste gelegde medeplichtigheid aan hennepteelt, en het openbaar ministerie derhalve niet-ontvankelijk is in de strafvervolging van verdachte. De verdediging heeft bepleit dat naast de door het openbaar ministerie benoemde feiten, ten aanzien van de volgende ten laste gelegde feiten eveneens sprake is van verjaring: de onder feit 1 ten laste gelegde oplichting van [verzekeringsmaatschappij] en de [bank] ; de onder feit 2 sub a primair ten laste gelegde flessentrekkerij en subsidiair ten laste gelegde oplichting. Immers gold voor deze misdrijven in de ten laste gelegde periode nog een strafmaximum van drie jaar, in plaats van de huidige vier jaar. De rechtbank overweegt dat in artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat het recht tot strafvervolging vervalt in zes jaren voor misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. De termijn van verjaring vangt blijkens artikel 71 van het Wetboek van Strafrecht (behoudens hier niet ter zake doende uitzonderingen) aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd. Op grond van artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht stuit elke daad van vervolging de verjaring waarna een nieuwe verjaringstermijn aanvangt. Ingevolge artikel 72 tweede lid van het Wetboek van Strafrecht vervalt het recht tot strafvordering evenwel ten aanzien van misdrijven wanneer vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn. Dit resulteert in een verjaringstermijn van 12 jaren. Ten behoeve van de overzichtelijkheid zal de rechtbank hieronder bij de beoordeling van de feiten aangeven indien de genoemde regeling consequenties heeft voor de strafvervolging daarvan. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Inleiding In 2009 is het strafrechtelijke onderzoek Landlord gestart naar onder meer vermoedelijke gepleegde fiscale strafbare feiten in de vastgoedhandel van de familie [naam 4] en in het bijzonder de rol van [voornaam 1] [naam 4] . In dit onderzoek zijn een groot aantal panden en vastgoedtransacties van [voornaam 1] [naam 4] in beeld gekomen, waarna onder andere verdenkingen ontstonden van frauduleus handelen, witwassen en Opiumwet-gerelateerde feiten. Dit heeft geresulteerd in de aanhouding van [voornaam 1] [naam 4] , zijn echtgenote [naam echtgenote] en hun kinderen in juni 2011. Het opsporingsonderzoek heeft geresulteerd in een zeer omvangrijk dossier, dat bestaat uit onder meer vijf afzonderlijke zaakdossiers. De rechtbank zal hieronder per ten laste gelegd feit aangeven of zij dit bewezen acht. Ten behoeve van de overzichtelijkheid zal de rechtbank het ook per feit aangeven indien daar tot (partiële) vrijspraak wordt gekomen. 4.2 De standpunten van de officieren van justitie en de verdediging De officieren van justitie hebben – zoals opgenomen in het overgelegde schriftelijke requisitoir – gerekwireerd tot bewezenverklaring van: het onder 1 sub a onder I en II ten laste gelegde alsmede het onder feit 1 sub b ten laste gelegde waar het gaat om de valse huurovereenkomsten; het onder 2 primair onder sub a, sub b en sub c ten laste gelegde; het onder 3 sub a, sub b en sub c ten laste gelegde; het onder 4 onder I subsidiair alsmede onder II sub A, sub B, sub C en sub D ten laste gelegde; het onder 5 sub a, sub b en sub c ten laste gelegde in de opzetvariant. De verdediging heeft – zoals opgenomen in de overgelegde pleitnota – ten aanzien van het onder feit 4 onder II sub B en sub C ten laste gelegde verzocht de dagvaarding partieel nietig te verklaren. Voorts heeft de verdediging zich op het op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van: het onder 1 sub a onder I en II ten laste gelegde; het 2 primair en subsidiair ten laste gelegde; het onder 3 ten laste gelegde; het onder 4 onder I primair en subsidiair en het onder II sub A, sub B en sub C ten laste gelegde; het onder 5 onder sub a en sub b ten laste gelegde. De standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging zullen, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs nader worden weergegeven dan wel impliciet worden besproken. Ook eventuele partiële niet-ontvankelijkheids- en nietigheidsverweren zullen voor de leesbaarheid per feit besproken worden. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Voor de leesbaarheid van het vonnis heeft de rechtbank de inhoud van de wettige bewijsmiddelen met daarin de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, in bijlage II opgenomen. 4.3.1 Valse facturen en huurovereenkomsten (feit 1) 4.3.1.1 Verdenking Aan verdachte is onder feit 1 ten laste gelegd dat hij al dan niet samen met anderen: een factuur van [bedrijf 2] valselijk heeft opgemaakt/vervalst om deze als echt te (doen) gebruiken en van diezelfde valse factuur gebruik heeft gemaakt; huurovereenkomsten valselijk heeft opgemaakt/vervalst om deze als echt te (doen) gebruiken; en/of [verzekeringsmaatschappij] heeft opgelicht; de [bank] heeft opgelicht. Dit ten laste gelegd feit heeft betrekking op de volgende panden: de [naam straat] te [plaats 2] (sub A); de [straatnaam 2] [huisnummer 1] te [plaats 2] (sub B). 4.3.1.2 Partiële niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De ten laste gelegde oplichting zou zich hebben voorgedaan in de periode van 1 september 2004 tot en met 8 maart 2006 met betrekking tot [verzekeringsmaatschappij] en in de periode van 1 juni 2004 tot en met 23 november 2004 met betrekking tot de [bank] . Destijds kende artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht een strafbedreiging van maximaal drie jaren. Zoals de rechtbank reeds onder 3 heeft overwogen, bedraagt de verjaringstermijn voor dit misdrijf zes jaren (artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht) en na stuiting 12 jaren. Inmiddels zijn sinds de genoemde ten laste gelegde periode meer dan 12 jaren verstreken, waardoor het recht tot strafvordering op grond van artikel 72 tweede lid van het Wetboek van Strafrecht is komen te vervallen. De rechtbank verklaart derhalve het openbaar ministerie partieel niet- ontvankelijk in de strafvervolging voor dit onderdeel van het onder 1 ten laste gelegde. 4.3.1.3 De factuur van [bedrijf 2] betreffende de [naam straat] te [plaats 2] (sub
- a)De rechtbank stelt op basis van de in bijlage II onder 1 weergegeven bewijsmiddelen vast dat in verband met brandschade in het pand aan de [naam straat] te [plaats 2] , eigendom van [voornaam 2] [naam 4] , een schadeclaim is ingediend bij [verzekeringsmaatschappij] . Bij een herbouwcontrole op dit adres op 29 juni 2004 bleek dat de schade was hersteld, maar dat volgens de schade-expert deze werkzaamheden niet door een professioneel bedrijf waren verricht. Verdachte zou tijdens deze herbouwcontrole hebben medegedeeld dat de bewoner het schilderwerk had verricht, hetgeen hij later verbeterde door te stellen dat ook dit door de aannemer was uitgevoerd. Nadat [verzekeringsmaatschappij] in augustus 2004 verzocht om een nota van de herstelwerkzaamheden, werd op 1 oktober 2004 een factuur van het bedrijf [bedrijf 2] ingestuurd. Het totaalbedrag van de herstelwerkzaamheden op de factuur bedraagt 59.790 euro. Getuige [getuige 1] van [bedrijf 2] heeft echter verklaard dat hij nooit werkzaamheden heeft uitgevoerd voor [voornaam 2] [naam 4] noch op de [naam straat] te [plaats 2] herstelwerkzaamheden heeft verricht. [getuige 1] heeft aangifte gedaan van oplichting en valsheid in geschrift, omdat met zijn briefhoofd en handtekening een valselijk opgemaakte rekening naar [verzekeringsmaatschappij] is gestuurd. De betreffende factuur is aangetroffen in de administratie van verdachte. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht de rechtbank de verklaring van [getuige 1] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Zij overweegt daartoe als volgt: [getuige 1] (die Duits sprekend
- is)heeft meteen nadat hij op de hoogte was geraakt van de bij [verzekeringsmaatschappij] ingediende factuur van [bedrijf 2] , aangifte gedaan dat deze factuur vals was en heeft verklaard dat hij geen werkzaamheden op het betreffende adres heeft uitgevoerd. Dit heeft hij tijdens zijn verhoor als getuige ter terechtzitting van 27 januari 2020 bevestigd. [getuige 1] heeft aangegeven dat hij nooit dit soort grote opdrachten had. Hij deed alleen kleinere klussen van maximaal een paar duizend euro. Hij werd doorgaans ingehuurd door aannemers die naar buiten toe niet kenbaar wilden maken dat zij de werkzaamheden niet zelf verrichtten. Daarom had [getuige 1] bewust geen logo of belettering op zijn bedrijfswagen. Voorts bevat het dossier ook geen aanwijzingen dat [getuige 1] wel werkzaamheden zou hebben verricht bij het betreffende pand. Het enkele feit dat een bewoner met betrekking tot de herstelwerkzaamheden aan de [naam straat] verklaart over een (bedrijfs)busje met belettering en Duits sprekende werknemers acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Op basis van de verklaring van [getuige 1] stelt de rechtbank vast dat de herstelwerkzaamheden aan het betreffende pand niet zijn uitgevoerd door [bedrijf 2] en dat de bij [verzekeringsmaatschappij] ingediende factuur met deze kosten vals is. Omdat de factuur is aangetroffen in de administratie van verdachte, verdachte als beheerder van het pand optrad en namens [voornaam 2] [naam 4] alle handelingen met betrekking tot het pand verrichtte én verdachte degene is geweest die contact heeft gehad met de schade-expert van de verzekering bij de herbouwcontrole, is de rechtbank van oordeel dat verdachte betrokken is geweest bij het valselijk opmaken van de factuur en deze vervolgens bij de schadeverzekering heeft ingediend. De rechtbank acht dan ook het onder feit 1, sub a onder I en II ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen 4.3.1.4 De huurovereenkomsten betreffende de [straatnaam 2] [huisnummer 1] te [plaats 2] (sub B) De rechtbank stelt op basis van de in bijlage II onder 2 opgenomen bewijsmiddelen vast dat verdachte en [naam 5] drie huurcontracten op naam van [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] hebben opgemaakt, waarin in strijd met de waarheid staat vermeld dat zij een ruimte huurden in het pand aan de [straatnaam 2] [huisnummer 1] te [plaats 2] . De getuigen [naam 7] en [naam 8] hebben immers beiden verklaard de betreffende huurovereenkomsten niet te kennen en niet te hebben ondertekend. Getuige [naam 6] heeft verklaard dat hij niet op het desbetreffende adres heeft gewoond, maar de huurovereenkomst als dienst voor [naam 5] heeft ondertekend, omdat [naam 5] deze nodig had voor de financiering. Deze huurovereenkomsten zijn bij de [bank] ingediend in het kader van de financieringsaanvraag voor de aankoop van het pand. Verdachte heeft verklaard dat op het moment dat hij het pand aan [naam 5] verkocht, hij er geen huurders in had zitten. Hij heeft de betreffende huurcontracten voor [naam 5] opgemaakt. Deze huurcontracten waren alleen door hemzelf ondertekend en nog niet door de huurders. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij [naam 5] wilde helpen, omdat [naam 5] niet wist hoe hij alles in Nederland moest regelen. De rechtbank acht dit laatste ongeloofwaardig, gelet op de inhoud van de tapgesprekken in het bewijsmiddelenoverzicht. Daaruit kan worden afgeleid dat verdachte aan [naam 5] voorstelt om in het kader van de financieringsaanvraag huurovereenkomsten op te maken, die niet waar hoeven te zijn; als de contracten en de personen maar kloppen. Voorts blijkt uit de tapgesprekken dat verdachte de huurcontracten heeft opgesteld op basis van de door [naam 5] verschafte paspoorten, [naam 5] heeft gezorgd voor de ondertekening van de overeenkomsten en deze vervolgens ingeleverd bij de bank. Uit de verklaring van [Bankmedewerker] [naam 9] volgt dat onder andere deze drie huurcontracten hebben bijgedragen aan de beslissing een hypothecaire geldlening te verstrekken aan [naam 5] . De rechtbank acht dan ook het onder feit 1 sub B ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal feit 2 bespreken na feit 3. 4.3.2 Valse akten (feit 3) 4.3.2.1 Verdenking Aan verdachte is onder 3 ten laste gelegd dat hij - al dan niet samen met anderen - valse opgave van de koopprijs heeft doen opnemen in vier leveringsaktes met het oogmerk om die te gebruiken als ware die overeenkomstig de waarheid. Dit zou hebben plaatsgevonden bij de aankoop van de volgende panden: [straatnaam 3] te [plaats 3] (sub A); [straatnaam 4] te [plaats 2] (sub B); [straatnaam 5] te [plaats 2] (sub C) [straatnaam 6] te [plaats 2] (sub D). 4.3.2.2 Partiële vrijspraak (feit 3 sub D) Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het feit 3 sub d ten laste gelegde. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Het pand [straatnaam 6] te [plaats 2] was eigendom van medeverdachte [naam 3] . Uit informatie van de [Bank 1] blijkt dat er op 29 oktober 2007 een executieverkoop van het pand werd aangekondigd in verband met betalingsproblemen van [naam 3] . De executiewaarde werd bepaald op 150.000 euro. Het pand verkeerde in een deplorabele staat. Een door een derde gedaan bod van 185.000 euro werd ingetrokken na bezichtiging van het pand. Op 8 februari 2008 heeft verdachte contact met de bank opgenomen en aangegeven dat hij 160.000 tot 170.000 euro wilde betalen voor het pand. Op 11 februari 2008 werd opnieuw gebeld door verdachte die vertelde dat hij bij [naam 3] was geweest en dacht dat hij bereid zou zijn tot verkoop. Uiteindelijk is een verkoopbedrag van 172.500 euro overeengekomen. [naam 3] heeft verklaard dat verdachte hem bij de aan de verkoop voorafgaande onder-handelingen heeft toegezegd nog tien procent van de verkoopwaarde van 172.500 euro ‘onder tafel’ te betalen. Verdachte heeft deze afspraak ontkend. De rechtbank overweegt dat uit de hierboven aangehaalde informatie van de [Bank 1] blijkt dat het in de akte overeengekomen aankoopbedrag van 172.500 euro een reële prijs betreft. De bank is met dit bedrag akkoord gegaan onder het voorbehoud dat er geen hoger bod gedaan zou worden, welk hoger bod uit is gebleven. De rechtbank vermag dan ook niet in te zien welk belang verdachte zou hebben om zich door middel van een belofte van een zwarte betaling te voorzien van de medewerking aan de verkoop door [naam 3] . Tegen deze achtergrond acht de rechtbank de andersluidende verklaringen van [naam 3] en [naam 104] daarover onvoldoende om te kunnen komen tot een wettige en overtuigende bewezenverklaring van het ten laste gelegde, te meer daar deze laatstgenoemden zelf een zeer schimmige rol hebben gespeeld rond het verkrijgen van de hypothecaire lening benodigd voor de aankoop van de woning (valse loonstroken en een valse werkgevers-verklaring), de besteding van het bouwdepot (verdeeld tussen beiden) en het gebruik van de woning (als hennepplantage). Gelet op vorenstaande stelt de rechtbank vast dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat de in de leveringsakte genoemde kooprijs van 172.500 euro niet overeenkomstig de waarheid is, zodat geen sprake is van een valselijk opgemaakte notariële akte. 4.3.2.3 Het pand aan de [straatnaam 3] te [plaats 3] (feit 3 sub A) Op basis van de in bijlage II onder 3 opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [naam 105] het pand aan de [straatnaam 3] te [plaats 3] op 14 oktober 2002 aan verdachte heeft verkocht. Het pand werd vervolgens op 24 december 2002 geleverd aan medeverdachte [naam echtgenote] . In de leveringsakte staat als koopprijs genoemd een bedrag van 67.500 euro. [naam 105] heeft echter verklaard dat afgesproken was dat zij daarnaast nog een contant bedrag van 15.000 euro voor het pand zou krijgen van verdachte, waarvan zij daadwerkelijk 5.000 euro heeft ontvangen bij het tekenen van de koopovereenkomst. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van getuige [naam 106] , die aanwezig was bij het tekenen van de koopovereenkomst. Anders dan de verdediging heeft bepleit, acht de rechtbank beide verklaringen betrouwbaar. Niet alleen heeft [naam 105] zichzelf belast, maar evenmin heeft de rechtbank aanwijzingen dat [naam 105] en [naam 106] hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd. Hoewel de verklaringen op details verschillen, hetgeen niet vreemd is gelet op het tijdsverloop tussen het ten laste gelegde en het afleggen van de verklaringen, komen deze op de grote lijnen overeen. Immers verklaren beiden dat de kooprijs van 67.500 euro die in de leveringsakte staat vermeld, niet de daadwerkelijke koopprijs betreft. Daarnaast heeft [naam 105] van verdachte in ieder geval een contant geldbedrag van 5.000 euro ontvangen. Dit laatste spoort met de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 november 2019 dat hij [naam 105] een contant geldbedrag heeft gegeven bij het tekenen van de koopovereenkomst. Het bedrag van 67.500 euro dat in de leveringsakte is opgenomen, betreft dan ook niet de daadwerkelijk overeengekomen kooprijs, maar slechts het via de notaris betaalde bedrag. In werkelijkheid heeft [naam 54] daarnaast nog een bedrag van 5.000 euro contant ontvangen. Dat betekent dat de leveringsakte valselijk is opgemaakt. De rechtbank acht derhalve het onder 3 sub A ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. 4.3.2.4 Het appartement aan de [straatnaam 4] te [plaats 2] (feit 3 sub B) Op basis van de in bijlage II onder 4 opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [voornaam 4] het appartement aan de [straatnaam 4] te [plaats 2] op 3 oktober 2007 heeft gekocht voor een bedrag van 59.750 euro en op 23 september 2008 aan [voornaam 3] [naam 4] heeft verkocht. Verdachte trad daarbij op als gevolmachtigde van zijn zoon. Het appartement werd vervolgens op 7 oktober 2008 geleverd. In de leveringsakte staat als koopprijs genoemd een bedrag van 32.000 euro. [voornaam 4] heeft verklaard dat verdachte hem daarnaast een bedrag van 23.000 euro onder de tafel zou betalen, dus buiten de notaris om. Dit laatste bedrag heeft hij echter nooit ontvangen. Verdachte ontkent dat een dergelijke afspraak heeft bestaan. De rechtbank overweegt dat [voornaam 4] niet alleen consistent heeft verklaard, maar vervolgens ook door het inschakelen van een advocaat en het opstarten van een civiele procedure tegen verdachte en [voornaam 3] [naam 4] daadwerkelijk maatregelen heeft genomen om nakoming van deze afspraak te bewerkstelligen. De verklaring van [voornaam 4] wordt voorts ondersteund door de verklaring van getuige [naam 107] , die bij een deel van de onderhandelingen tussen [voornaam 4] en [naam 4] aanwezig is geweest. Getuige [naam 107] bevestigt dat als koopprijs een bedrag van 55.000 euro is afgesproken. Daarbij kwam verdachte met de constructie om daarvan 23.000 euro zwart aan [voornaam 4] te betalen. Anders dan de verdediging heeft betoogd, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de juistheid van de verklaring van [naam 107] te twijfelen. Het enkele feit dat door de verdediging is gesteld dat getuige [naam 107] een eigen belang zou hebben in verband met de mogelijke erfenis van [voornaam 4] (die inmiddels -na het afleggen van de verklaringen door [naam 107] - is overleden), is daartoe onvoldoende. Voorts vindt de verklaring van [voornaam 4] op verschillende onderdelen steun in andere bewijsmiddelen, te weten: de afspraak met verdachte dat [voornaam 4] tot januari 2009 in het appartement kon blijven, wordt bevestigd door getuige [naam 107] ; [voornaam 4] heeft verklaard dat hij - nadat hij een advocaat in de arm had genomen - op 7 november 2008 met geweld door [voornaam 1] [naam 4] uit zijn woning is gezet met de mededeling dat [naam 4] niet met zich liet sollen. Zijn sleutels zijn hem afgepakt en zijn spullen zijn buiten op de galerij en het trappenhuis gezet. Deze gang van zaken vindt bevestiging in de verklaring van getuige [naam 108] , een medebewoner van het appartementencomplex, die geen enkel belang heeft om in strijd met de waarheid te verklaren. Nu de verklaring van [voornaam 4] steun vindt in andere bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de overeengekomen koopprijs van het appartement 55.000 euro bedroeg. Het bedrag van 32.000 euro dat in de leveringsakte is opgenomen, betreft dan ook niet de daadwerkelijke koopprijs, maar slechts het via de notaris betaalde bedrag. Dat betekent dat de leveringsakte valselijk is opgemaakt. De rechtbank verwerpt het verweer dat de verklaringen van [voornaam 4] niet gebruikt kunnen worden, omdat de verdediging hem door zijn overlijden niet meer kan horen. De verklaring van [voornaam 4] is niet ‘sole and decisive’ omdat deze wordt ondersteund door de verklaring van onder anderen [naam 107] . Dit brengt met zich mee dat de door [voornaam 4] bij de politie afgelegde verklaring, tot bewijs kan dienen. De rechtbank acht derhalve het onder 3 sub B ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. 4.3.2.5 Het pand aan de [straatnaam 5] te [plaats 2] (feit 3 sub C) Op basis van de in bijlage II onder 5 opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [naam 11] het pand aan de [straatnaam 5] te [plaats 2] op 25 oktober 2006 aan [voornaam 2] [naam 4] heeft verkocht. Het pand werd vervolgens op 15 december 2006 geleverd. In de leveringsakte, opgemaakt door notaris [naam 32] , staat als koopprijs genoemd een bedrag van 172.500 euro. [naam 11] heeft echter verklaard dat zij van verdachte bij het tekenen van de koop-overeenkomst buiten de genoemde koopprijs nog een contant geldbedrag van 60 .000 euro heeft ontvangen. Dit geldbedrag heeft zij diezelfde dag gedeponeerd in haar kluis bij de [bank] . Anders dan de verdediging heeft bepleit, acht de rechtbank de verklaring van [naam 11] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Zij overweegt daartoe als volgt: Hoewel [naam 11] in haar eerste verhoor op 28 april 2010 heeft verklaard dat de in het koopcontract en in de leveringsakte genoemde koopprijs van 172.500 euro juist is, is zij diezelfde dag - na overleg met haar raadsman - daarop teruggekomen en heeft zij vervolgens meerdere verklaringen afgelegd waarin zij ook zichzelf belast. Daarbij beperkte [naam 11] aanvankelijk de hoogte van het ontvangen geldbedrag tot 45.000 euro, maar in het derde verhoor van 29 april 2010 heeft zij dit bedrag bijgesteld naar 60 .000 euro. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de betrouwbaarheid van de verklaring van [naam 11] niet aangetast door de geschetste gang van zaken op dit punt, nu haar verklaringen steun vinden in het dossier, te weten: het aantreffen van een contant geldbedrag van 36.790 euro in de kluis van [naam 11] bij de [bank] . Het merendeel van de aangetroffen biljetten waren nagenoeg nieuwe biljetten van 100, 200 en 500 euro, zoals door [naam 11] is verklaard; het bezoeken van de kluis op de dag van het tekenen van de koopovereenkomst, waarbij [naam 11] het contante geldbedrag zou hebben ontvangen. In de jaren daarna bezoekt zij - in tegenstelling tot de jaren 2004 en 2005 - meerdere malen per jaar deze kluis; de verklaring van getuige [naam 116] dat hij op 25 oktober 2006 met [naam 11] mee is gegaan naar [naam 109] voor het tekenen van de koopovereenkomst en vervolgens naar haar kluis bij de [bank] . Het bedrag van 172.500 euro dat in de leveringsakte is opgenomen, betreft dan ook niet de daadwerkelijk overeengekomen kooprijs, maar slechts het via de notaris betaalde bedrag. In werkelijkheid heeft [naam 11] daarnaast nog een bedrag van 60 .000 euro contant ontvangen, zodat de koopprijs feitelijk 232.500 euro bedroeg. Dat betekent dat de leveringsakte valselijk is opgemaakt. De rechtbank acht derhalve het onder 3 sub C ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. 4.3.3 Oplichting (feit 2) 4.3.3.1 Verdenking Aan verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat hij - al dan niet samen met anderen - een beroep of gewoonte heeft gemaakt van het kopen van panden met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die panden te verzekeren (primair) dan wel [naam 1] (sub A) en/of [naam 2] (sub B) en/of [naam 3] (sub C) heeft opgelicht (subsidiair). Het betreft de volgende panden: [straatnaam 3] te [plaats 3] (sub A); [straatnaam 4] te [plaats 2] (sub B); [straatnaam 6] te [plaats 2] (sub C). 4.3.3.2 Partiële niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (feit 2 sub A) De onder feit 2 primair onder a ten laste gelegde flessentrekkerij betreffende het pand aan de [straatnaam 3] te [plaats 3] en de onder feit 2 subsidiair sub a ten laste gelegde oplichting zouden zijn gepleegd in de periode van 1 oktober 2002 tot en met 24 december 2002. Destijds kenden de artikelen 326a en 326 van het Wetboek van Strafrecht een strafbedreiging van maximaal drie jaren. Zoals de rechtbank reeds onder 3 heeft overwogen bedraagt de verjaringstermijn voor deze misdrijven zes jaren (artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht) en na stuiting 12 jaren. Inmiddels zijn sinds de genoemde ten laste gelegde periode meer dan 12 jaren verstreken, waardoor het recht tot strafvordering op grond van artikel 72 tweede lid van het Wetboek van Strafrecht is komen te vervallen. De rechtbank verklaart derhalve het openbaar ministerie partieel niet-ontvankelijk in de strafvervolging met betrekking tot sub a van het onder 2 (primair en subsidiair) ten laste gelegde ( [straatnaam 3] ). 4.3.3.3 Vrijspraak (feit 2 primair onder B en C) Gelet op bovenstaande resteert met betrekking tot het primair ten laste gelegde de verdenking dat verdachte een beroep of gewoonte heeft gemaakt van het kopen van onroerende goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich de beschikking over twee panden ( [straatnaam 4] en [straatnaam 6] ) te verzekeren. De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van flessentrekkerij is vereist dat een handeling herhaaldelijk geschied binnen een bepaalde periode en dat tussen die handelingen een zodanig verband bestaat dat sprake is van een door een pluraliteit van handelen gevormde gewoonte van het kopen van goederen zonder (volledige) betaling. Daarbij komt volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad gewicht toe aan het aantal handelingen en het tijdsbestek waarbinnen deze hebben plaatsgevonden. De rechtbank stelt in dat kader vast dat de verdenking nog slechts betrekking heeft op twee panden in een periode van 1 februari 2008 tot en met 7 oktober 2008. Dit afgezet tegen de lange periode waarin en de grote schaal waarop verdachte vastgoedtransacties heeft verricht, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat er gesproken kan worden van een dergelijke gewoonte. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder feit 2 primair sub B en C ten laste gelegde. 4.3.3.4 Partiele vrijspraak (feit 2 subsidiair sub C) Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 2 subsidiair sub C ten laste gelegde, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Verdachte wordt verweten dat hij medeverdachte [naam 3] heeft bewogen tot verkoop van het pand aan [straatnaam 6] te [plaats 2] door hem – naast het bedrag van 172.500 euro – nog een bedrag ‘onder tafel’ toe te zeggen, welk bedrag hij nooit heeft betaald. De rechtbank heeft hiervoor onder 4.3.2.2 reeds geoordeeld dat niet kan worden bewezen dat deze afspraak heeft bestaan. Afgezien daarvan is de rechtbank tevens van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [naam 3] door deze toezegging zou zijn bewogen tot afgifte van het pand. Uit het dossier blijkt immers dat de [Bank 1] reeds de executieverkoop aan het voorbereiden was en daartoe het pand was getaxeerd op 150.000 euro. Voorts kan worden vastgesteld dat verdachte het hoogste bod op het pand heeft gedaan, welk bod ook daarna ook niet meer is overboden door anderen. 4.3.3.5 Het appartement aan [straatnaam 4] te [plaats 2] (feit 2 subsidiair sub B) Verdachte wordt verweten dat hij [voornaam 4] heeft bewogen tot afgifte van het pand aan de [straatnaam 4] te [plaats 2] door in strijd met de waarheid tegen [naam 2] te zeggen dat hij behoudens de in de leveringsakte bij de notaris vastgelegde koopprijs van 32.000 euro nog een extra bedrag van 23.000 euro contant zou betalen. Oplichting Voor een veroordeling wegens oplichting is vereist dat een verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte één of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot onder meer de afgifte van een goed. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang. De rechtbank stelt op grond van de in bijlage II onder 4 weergegeven bewijsmiddelen in combinatie met hetgeen hiervoor onder 4.3.2.4 reeds is geconcludeerd de volgende feiten en omstandigheden vast: verdachte heeft het appartement aan de [straatnaam 4] te [plaats 2] namens zijn zoon [voornaam 3] gekocht van [voornaam 4] ; verdachte heeft de onderhandelingen met [voornaam 4] gevoerd; [voornaam 4] functioneerde op licht beperkt verstandelijk niveau, hetgeen volgens getuigen en verbalisant [Naam] op basis van zijn uiterlijk en gesprekken duidelijk waarneembaar was; de in de leveringsakte vastgestelde kooprijs van 32.000 euro betrof niet de werkelijk overeenkomen kooprijs van het appartement. Daarnaast heeft verdachte aan [voornaam 4] toegezegd dat hij nog een contant geldbedrag van 23.000 euro zou ontvangen, hetgeen niet is gebeurd; verdachte was degene die deze constructie voorstelde, omdat het beter was voor zijn zoon om maar 32.000 euro op papier te betalen; verdachte heeft ook aan [voornaam 4] toegezegd dat hij tot uiterlijk 1 januari 2009 in het appartement kon blijven, omdat [voornaam 4] op het moment van de verkoop nog geen andere woonruimte had. Ook die afspraak is niet nagekomen, nu verdachte [voornaam 4] op 7 november 2008 heeft uitgezet. Op grond van vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte door een samenweefsel van verdichtsels bij [voornaam 4] een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen waardoor deze is bewogen tot de verkoop van zijn appartement. In het bijzonder heeft de rechtbank bij de beoordeling van het gewicht van het betreffende oplichtingsmiddel als omstandigheden in aanmerking genomen: een door verdachte tevoren bedachte, gehanteerde werkwijze, en de vertrouwenwekkende aard en het aantal van de door de verdachte aan het slachtoffer gedane leugenachtige mededelingen, in hun onderlinge samenhang bezien, en het feit dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de kwetsbaarheid van [voornaam 4] . De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 subsidiair sub B ten laste gelegde. 4.3.4 Witwassen (feit 4) 4.3.4.1 Verdenking Aan verdachte is onder feit 4 I ten laste gelegd dat hij zich - al dan niet samen met anderen - (primair) schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen dan wel schuldwitwassen door van vijf panden te verbergen of te verhullen wie de rechthebbende was dan wel (subsidiair) deze vijf panden te hebben verworven en/of voorhanden te hebben. Onder feit 4 II wordt verdachte verweten dat hij - al dan niet samen met anderen - een bedrag van 250.110,43 euro (sub A), een aantal 500 euro biljetten (sub B), huuropbrengsten (sub C) en/of tegoeden op Belgische bankrekeningen (sub D) heeft witgewassen door deze geldbedragen en/of tegoeden te hebben verworven en/of voorhanden te hebben. 4.3.4.2 Geldigheid dagvaarding (feit 4 II sub B en sub C) De verdediging heeft ten aanzien van het onder feit 4 onder II sub B en sub C ten laste gelegde verzocht de dagvaarding partieel nietig te verklaren, omdat deze onvoldoende duidelijk (sub B) en feitelijk (sub C) is. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. De omschrijving van beide onderdelen in de tenlastelegging is naar het oordeel van de rechtbank voldoende concreet en voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Tevens is in het strafdossier duidelijk gespecificeerd waarop deze verdenkingen betrekking hebben. Gedurende het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank overigens niet gebleken dat daarover bij de verdachte onduidelijkheid heeft bestaan. 4.3.4.3 Vrijspraak (feit 4 I primair) Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 4 I primair ten laste gelegde. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Verdachte wordt verweten dat hij heeft verhuld/verborgen dat hij de rechthebbende is op vier van de vijf in de tenlastelegging genoemde panden door deze op naam te zetten van zijn echtgenote of een van zijn kinderen en in het geval van de [straatnaam 1] te [plaats 1] op naam van [naam 10] . Uit het dossier komt naar voren dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde vier panden heeft aangekocht voor zijn echtgenote [naam echtgenote] en twee van zijn kinderen, aan wie de panden blijkens de notariële akten zijn geleverd en op wiens namen de panden zijn bijgeschreven in de openbare registers. Voorts blijkt uit het dossier dat verdachte met zijn familieleden beheersovereenkomsten heeft gesloten ter zake van activiteiten die verdachte verricht voor panden waarvan [naam echtgenote] en/of kinderen de juridische eigenaar zijn. Dit betreft onder andere de werkzaamheden rondom de verhuur van de panden en de administratie. Tevens blijkt dat de opbrengsten van de betreffende panden worden gestort op bankrekeningen op naam van [naam echtgenote] of de kinderen. Hoewel deze bankrekeningen geheel door verdachte worden beheerd, bevat het dossier geen aanwijzingen dat de opbrengsten of een deel daarvan, in werkelijkheid ten goede zijn gekomen aan verdachte. Het enkele feit dat de feitelijke handelingen met betrekking tot de aan- en verkoop en de exploitatie door verdachte worden verricht, acht de rechtbank onvoldoende voor de conclusie dat verdachte - anders dan juridisch eigenaar - de werkelijke rechthebbende was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet kan worden gesproken van een door verdachte gecreëerde schijnconstructie, waarbij wordt verhuld dat hij de feitelijke eigenaar van de betreffende panden is. Gelet op vorenstaande kan niet worden bewezen dat er sprake is van verbergen of verhullen van de rechthebbende, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van het (gewoonte)witwassen van deze vier panden. Wat betreft de [straatnaam 1] overweegt de rechtbank dat verdachte via een ABC-constructie dit pand aan [naam 10] leverde en dat [naam 10] het slechts vijf minuten later voor een hogere koopsom op papier weer leverde aan een derde. Door deze hele korte periode kan nauwelijks worden gezegd dat verdachte heeft voorgewend dat [naam 10] de rechthebbende op het pand was waarbij wordt verhuld dat hij zelf de feitelijke eigenaar is. Bovendien werd met de ABC-constructie juist zwart geld gecreëerd en dus niet gewit. Immers werd de winst op papier genoten door [naam 10] die vervolgens onder aftrek van een vergoeding voor haar rol in het geheel de overwaarde contant heeft overhandigd aan verdachte. Zo bezien was er wel sprake van een constructie om geld (de overwaarde) buiten het zicht van de fiscus te houden, maar dat wordt verdachte hier niet ten laste gelegd. 4.3.4.4 Toetsingskader witwassen Bij de beoordeling van de onder feit 4 I subsidiair en II ten laste gelegde feiten stelt de rechtbank het volgende voorop. Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan het in de tenlastelegging opgenomen onderdeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kán zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan de officier van justitie om aan te geven waaruit deze feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Daarbij moeten de volgende stappen worden doorlopen. Allereerst moet worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van zodanige aard zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen. Dit kunnen bijvoorbeeld witwastypologieën zijn. Als dit het geval is, dan mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag. Zijn verklaring moet concreet, in enige mate verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Zodra de verklaring van verdachte daartoe aanleiding geeft, is het (eventueel) aan het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de door verdachte gestelde alternatieve herkomst van het geld. Bij de uiteindelijke beoordeling gaat het erom of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geldbedrag waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst heeft en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft. De rechtbank zal de verwijten die verdachte worden gemaakt aan de hand van dit toetsingskader beoordelen. 4.3.4.5 Vrijspraak (feit 4 I subsidiair) De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 4 I subsidiair tenlastegelegde met uitzondering van het pand gelegen aan de [straatnaam 4] in [plaats 2] . Zij overweegt daartoe als volgt. Aan verdachte wordt verweten dat de in de tenlastelegging genoemde panden geheel of gedeeltelijk van misdrijf afkomstig zijn. De panden zouden deels met zwart geld dan wel met de belofte om het restant zwart te betalen zijn aangekocht dan wel middels een ABC-constructie zijn verkocht, waardoor geld is witgewassen. Vermoeden witwassen Voor zover het openbaar ministerie bedoeld heeft te stellen dat de panden zijn witgewassen doordat er rondom de aankoop misdrijven zijn gepleegd (zwarte betalingen, oplichting, valse aktes) maakt die omstandigheid naar het oordeel van de rechtbank niet dat de panden als zodanig van misdrijf afkomstig zijn. Daarvoor dient gekeken te worden naar de herkomst van de gelden waarmee die panden betaald zijn. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte de betreffende panden heeft aangekocht met geld dat afkomstig is van enig misdrijf. Evenmin zijn er door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden aangevoerd die een dergelijke vermoeden rechtvaardigen. Het enkele feit dat een deel van het aankoopbedrag contant is betaald of zou worden betaald is daartoe onvoldoende. Voor zover het openbaar ministerie heeft bedoeld dat de panden zijn verkregen met vermogen dat uit het zicht van de Belastingdienst is gehouden, is de rechtbank van oordeel dat het feit dat een (relatief klein) deel van een pand is gefinancierd met geld afkomstig van enig misdrijf, niet betekent dat het pand als zodanig is witgewassen. Ditzelfde geldt mutatis mutandis voor de 500 euro biljetten waarmee [naam 11] is betaald. Dit leidt er toe dat niet de conclusie kan worden getrokken dat het niet anders kan zijn dan dat de panden zijn aangeschaft met middelen die een criminele herkomst hebben. Met betrekking tot de ABC-constructie rond de verkoop van de [straatnaam 1] merkte de rechtbank al op dat verdachte op die wijze juist zwart geld heeft gecreëerd en dus niet heeft gewit. Immers werd de winst op papier genoten door [naam 10] die vervolgens, onder aftrek van een vergoeding voor haar rol in het geheel, de overwaarde contant heeft overhandigd aan verdachte. [straatnaam 4] [plaats 2] In paragraaf 4.3.3.5 heeft de rechtbank bewezen geacht dat verdachte [voornaam 4] heeft opgelicht. Hij heeft [voornaam 4] immers bewogen tot afgifte van zijn pand aan de [straatnaam 4] door hem in strijd met de waarheid naast de bij de notaris vastgestelde koopprijs van 32.000 euro nog een extra bedrag van 23.000 euro contant toe te zeggen. Mede gezien de forse omvang van dit niet-betaalde bedrag in relatie tot de totale waarde van dit pand is de rechtbank van oordeel dat dit pand daarmee (gedeeltelijk) van misdrijf afkomstig is. De rechtbank acht verder bewezen dat verdachte het pand verworven en ook voorhanden heeft gehad. Het kwam weliswaar juridisch in eigendom van zoon [voornaam 3] [naam 4] maar door middel van een beheersovereenkomst was verdachte degene die alle feitelijke handelingen ten aanzien van de exploitatie verrichtte. Daarmee had hij feitelijk zeggenschap en het pand dus voorhanden. 4.3.4.6 Partiële vrijspraak witwassen huuropbrengsten (feit 4 II sub C) Verdachte wordt onder feit 4 II sub C verweten dat hij huuropbrengsten in de administratie heeft opgevoerd die hij nooit heeft ontvangen en dat hij op die manier geld heeft witgewassen. De rechtbank is – anders dan het openbaar ministerie – van oordeel dat op basis van het dossier niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte meer huuropbrengsten in zijn administratie heeft geboekt dan dat hij daadwerkelijk heeft ontvangen. Verdachte heeft verklaard dat de contante huuropbrengsten die hij in de administratie heeft opgenomen, ook daadwerkelijk heeft ontvangen. Het enkele feit dat met betrekking tot enkele panden in de BRV of GBA niemand ingeschreven heeft gestaan, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verdachte geen huur met betrekking tot deze panden heeft kunnen ontvangen. Het dossier bevat aanwijzingen dat verdachte heeft geschoven met de verantwoording van huuropbrengsten in die zin dat hij zijn eigen huren (die bij hem in box 1 vielen) naar beneden heeft bijgesteld en de ontvangen huren ten behoeve van zijn vrouw en kinderen (die in box 3 vielen) naar boven heeft bijgesteld. Doel hiervan was het ontlopen van belastingheffing in box 1. Er is geen wettig en overtuigend bewijs dat verdachte gelden met criminele herkomst als door hem ontvangen huur heeft witgewassen. De omstandigheid dat er de nodige onvolkomenheden in zijn administratie zijn en dat enkele huurders verklaren dat zij minder huur hebben betaald dan door verdachte in zijn administratie is verantwoord, maakt dit niet anders. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het onder 4 II sub C ten laste gelegde. 4.3.4.7 Het geldbedrag van 250.110.43, euro (feit 4 II sub A) Verdachte wordt verweten dat hij - al dan niet samen met anderen - een geldbedrag van 250.110,43 euro, verkregen door de verkoop van het pand aan de [straatnaam 2] [huisnummer 1] te [plaats 2] , heeft witgewassen. De rechtbank stelt op basis van de in bijlage II onder 2 opgenomen bewijsmiddelen vast dat verdachte op 22 november 2004 het pand [straatnaam 2] [huisnummer 1] te [plaats 2] aan [naam 5] heeft geleverd en dat hij daar via de notaris op 24 november 2004 een bedrag van 250.110,43 euro voor heeft ontvangen. [naam 5] heeft het pand gefinancierd middels een hypothecaire geldlening van de [bank] , waarbij blijkens de verklaring van getuige [naam 9] onder andere de door [naam 5] overgelegde huurovereenkomsten van belang zijn geweest voor verstrekking van deze geldlening. Zoals hiervoor reeds overwogen onder 4.3.1.4 hebben verdachte en [naam 5] deze huurovereenkomsten valselijk opgemaakt. Dat betekent dat er sprake is geweest van frauduleus handelen bij het verkrijgen van de hypothecaire geldlening en dat het geld dat werd betaald bij de verkoop van het pand van misdrijf afkomstig was. Op basis van de inhoud van de weergeven tapgesprekken stelt de rechtbank vast dat verdachte wist dat deze huurovereenkomsten voor de [bank] een belangrijke factor c.q. voorwaarde waren voor de verstrekking van de hypothecaire geldlening aan [naam 5] en dat hij een essentiële bijdrage heeft geleverd aan deze fraude door de huurovereenkomsten valselijk op te maken. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het geldbedrag dat verdachte heeft verkregen door de verkoop van het pand een criminele herkomst had, hetgeen verdachte ook wist. 500 euro biljetten (feit 4 II sub B) De rechtbank stelt op basis van de in bijlage II onder 6 opgenomen bewijsmiddelen vast dat in de periode van 1 januari 2003 tot en met 8 mei 2009 op de Rabobankrekening op naam van verdachte in totaal 254 biljetten van 500 euro zijn gestort. De stortingsbewijzen zijn in nagenoeg alle gevallen ondertekend door verdachte. Tevens heeft de rechtbank hiervoor onder 4.3.2.5 vastgesteld dat verdachte in oktober 2006 een contant bedrag van [huisnummer 2] .000 euro aan medeverdachte [naam 11] heeft betaald in verband met de aankoop van het pand aan de [straatnaam 5] te [plaats 3] . [naam 11] heeft daarover verklaard dat dit bedrag voor het grootste deel uit 500 euro biljetten bestond. In de Rabobankkluis van [naam 11] zijn nog 38 biljetten van 500 euro teruggevonden. Gelet op bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2003 tot en met 8 mei 2009 een groot aantal biljetten van 500 euro voorhanden heeft gehad. De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of deze biljetten afkomstig zijn uit enig misdrijf. Voor de beantwoording van deze vraag zal de rechtbank het hiervoor onder 4.3.4.3 weergegeven toetsingskader toepassen. Vermoeden van witwassen De rechtbank stelt in dat kader vast dat verdachte een groot aantal 500 euro biljetten heeft gestort op zijn bankrekening alsmede als betaalmiddel heeft gebruikt bij de aankoop van een pand. In dit verband overweegt de rechtbank dat de Nederlandse banken – na een kortstondige uitgifte in 2002 – geen coupures van 500 euro meer uitgeven. Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld in grote coupures, terwijl coupures van 500 euro in het normale betalingsverkeer een zeldzaamheid zijn. Daarbij komt dat het fysiek voorhanden hebben van grote contante geldbedragen door privépersonen hoogst ongebruikelijk is vanwege onder meer het risico van diefstal waarbij het geld niet verzekerd is. Een en ander rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden dat de biljetten uit enig misdrijf afkomstig zijn. De verklaring van verdachte Nu er voldoende feiten en omstandigheden zijn om het vermoeden van witwassen te rechtvaardigen, mag van verdachte een verklaring worden verlangd voor de herkomst van het geld. Verdachte heeft verklaard dat de 500 euro biljetten afkomstig zijn van contant betaalde huur en het tegoed van 90.000 euro op een Belgische bankrekening. De rechtbank schuift deze verklaring als ongeloofwaardig terzijde. Uit het dossier blijkt immers dat het overgrote deel van de huurders die de huur contant voldeden minder dan 500 euro per maand betaalden. De huurders die wel meer betaalden, hebben verklaard dat zij nooit met 500 euro biljetten hebben betaald. Voorts blijkt uit het dossier dat de Belgische bankrekeningen op 28 en 29 mei 2009 zijn opgeheven, waarbij de tegoeden in biljetten van 500 euro werden uitgekeerd. Omdat de laatste contante storting op de Raborekening van verdachte op 8 mei 2009 heeft plaatsgevonden en de opname in België van een latere datum is, kunnen de 500 euro biljetten afkomstig van de Belgische bankrekeningen de eerdere stortingen van 500 euro biljetten niet verklaren. Conclusie Verdachte heeft geen verklaring gegeven waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de 500 euro biljetten - ondanks het vermoeden van witwassen - toch een legale herkomst kennen, waardoor het vermoeden van witwassen onvoldoende is ontzenuwd. Dat betekent dat de rechtbank van oordeel is dat het niet anders kan zijn dan dat deze biljetten – middellijk of onmiddellijk – uit enig misdrijf afkomstig zijn. 4.3.4.9 De banktegoeden bij de Belgische [Bank 2] (feit 4 II sub D) Verdachte wordt verweten dat hij de tegoeden op Belgische bankrekeningen heeft witgewassen. Uit het dossier blijkt dat verdachte en zijn familieleden verschillende rekeningen hadden bij de Belgische [Bank 2] , waarvan de tegoeden nooit zijn vermeld in de belastingaangiften. De rechtbank overweegt dat het buiten het zicht houden van geld op rekeningen in het buitenland een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen oplevert. Verdachte heeft verklaard dat het geld op de Belgische rekeningen contant spaargeld betreft. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring van verdachte onvoldoende concreet, verifieerbaar en op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank dat uit het dossier kan worden afgeleid dat het grootste deel van de tegoeden reeds is gestort bij of kort na de opening van de betreffende rekeningen in de periode van eind 1999-2001. Deze tegoeden (in 2009 in totaal meer dan 90.000 euro), zijn onder meer opgebouwd uit contante stortingen in Duitse Marken van meer dan 95.000 DM. Zonder nadere toelichting -die ontbreekt-, valt niet in te zien hoe verdachte, wiens handel in en exploitatie van vastgoed in Nederland plaatsvond, spaargeld kan opbouwen in Duitse Marken. Gelet op voorstaande omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien kan het niet anders dan dat de ten laste gelegde tegoeden uit enig misdrijf afkomstig zijn. 4.3.4.10 Met betrekking tot feit 4 I subsidiair ( [adres 14] ) en 4 II onder A, B en D overweegt de rechtbank voorts als volgt. Uit eigen misdrijf verkregen/ontslag van alle rechtsvervolging Op grond van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht is sprake van witwassen indien van een voorwerp/geldbedrag dat afkomstig is uit enig misdrijf de werkelijke aard, de herkomst of de vindplaats wordt verborgen of verhuld (de a-variant van het artikel) of het voorwerp/geldbedrag door de verdachte wordt verworven, voorhanden wordt gehouden, overgedragen of omgezet (de b-variant van het artikel). Bij gelden die afkomstig zijn uit eigen misdrijf is volgens vaste jurisprudentie het enkele verwerven of voorhanden hebben van de gelden niet voldoende om van witwassen in de zin van 420bis van het Wetboek van Strafrecht te spreken. Er dient dan tevens sprake te zijn van verhullen/verbergen van de gelden om tot een witwasveroordeling te komen. Dit om te voorkomen dat automatische verdubbeling van de strafbaarheid optreedt doordat iemand een gestolen goed ook voorhanden heeft. Die nadere motiveringseis wordt door de Hoge Raad in beginsel niet gesteld als de gelden zijn gebruikt, omgezet of overgedragen. Dit is anders indien dat overdragen, omzetten of gebruikmaken van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en de daarmee door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. Gelet op de hiervoor beschreven rol van verdachte is het aannemelijk dat het frauduleus verkregen geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf, zoals bedoeld in de rechtspraak van de Hoge Raad. De rechtbank betrekt hierbij tevens het gegeven dat ook overigens het dossier geen aanwijzingen bevat dat deze gelden afkomstig zijn van andermans misdrijven. Ook wat betreft de [straatnaam 4] geldt dat het pand onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf. Nu de rechtbank ten aanzien van het verwerven en voorhanden hebben van de geldbedragen en het pand niet kan vaststellen dat verdachte handelingen heeft verricht die ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen daarvan, kan het bewezenverklaarde in zoverre niet als (gewoonte)witwassen worden gekwalificeerd en dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. 4.3.5 Belastingfraude (feit 5) 4.3.5.1 Verdenking Aan verdachte is onder 5 ten laste gelegd dat hij - al dan niet samen met anderen - primair: onjuist of onvolledig aangifte voor de Inkomensbelastingen Premie Volksverzekeringen over de jaren 2003 tot en met 2007 heeft gedaan door: geen opgave te doen van banktegoeden bij een bank in België (op naam van hemzelf en/of zijn echtgenote, hun minderjarige zoon en meerderjarige dochters); geen volledige opgave te doen van ontvangen huurinkomsten; opgave te doen van valse of vervalste kostenfacturen; subsidiair: onjuist of onvolledig aangifte voor de Inkomensbelastingen Premie Volks-verzekeringen over de jaren 2003 tot en met 2007 heeft gedaan door te lage of onjuiste bedragen aan belastbare winst uit onderneming, aan belastbaar inkomen uit werk en woning, aan voordeel uit sparen en beleggen en/of aan belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te vermelden. 4.3.5.2 Tegoeden Belgische bank (feit 5 primair sub A) Op basis van de in bijlage II onder 7 en 7.1 opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte en medeverdachte [naam echtgenote] van november 1999 tot en met juli 2009 drie rekeningen bij de [Bank 2] in België hebben gehad. Voorts stonden er in de periode van november 1999 tot en met 28 mei 2009 bij de [Bank 2] in België twee rekeningen op naam van medeverdachte [voornaam 3] [naam 4] , die destijds minderjarig was. In de ingediende aangifteformulieren Inkomstenbelasting over de periode van 2003 tot en met 2007 zijn deze rekeningen niet vermeld. Deze aangiften heeft verdachte samen met zijn echtgenote en fiscale partner ingediend, alsmede voor hun destijds minderjarige zoon [voornaam 3] [naam 4] . Verdachte heeft erkend dat hij de tegoeden op de Belgische rekeningen niet kenbaar heeft gemaakt aan zijn boekhouder, getuige [getuige 5] , die de belastingaangiften opmaakte, en dat hij ook overigens deze rekeningen niet heeft gemeld bij de Belastingdienst. Partiële vrijspraak Uit het dossier komt naar voren dat ook de beide dochters van verdachte, [voornaam 2] [naam 4] en [voornaam 5] [naam 4] , rekeningen hadden op de [Bank 2] in België. Beiden waren destijds meerderjarig en hun eventuele vermogen hoefde dus niet meer verantwoord te worden in de aangifte van hun ouders. Uit het dossier kan worden afgeleid dat verdachte degene was die feitelijk - via zijn boekhouder- de belastingaangiften van zijn dochters verzorgde en dat zij deze blindelings tekenden. Ook in deze belastingaangiften zijn de tegoeden op de Belgische bankrekeningen niet vermeld, waardoor onjuist of onvolledig aangifte is gedaan. Het openbaar ministerie heeft zich onder verwijzing naar de conclusie van de Advocaat-Generaal van 5 november 2019 op het standpunt gesteld dat het onjuist of onvolledig doen van belastingaangifte niet alleen kan worden gedaan door de aangifteplichtige, maar dat ook degene die voor een ander aangifte doet zich als pleger schuldig kan maken aan overtreding van artikel 69, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 28 januari 2020 in de betreffende zaak, volgt de rechtbank deze stelling niet. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat buiten de aangifteplichtige of degene die uit hoofde van de artikelen 42 tot en met 44 Awr als vertegenwoordiger van de belasting- of betalingsplichtige kan optreden, geen sprake kan zijn van als pleger strafrechtelijk aansprakelijk zijn voor het onjuist of onvolledig doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in artikel 69 Awr. Nu de beide dochters van verdachte meerderjarig en derhalve zelf belastingplichtig zijn en geen sprake is van vertegenwoordiging in de zin van de artikelen 42 tot en met 44 Awr, kan verdachte niet worden aangemerkt als pleger van het ten laste gelegde ten aanzien van de belastingaangiften van [voornaam 5] en [voornaam 2] [naam 4] . Evenmin is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van het medeplegen van het onjuist of onvolledig doen van aangifte. Daarvoor is immers vereist dat verdachte het delict in bewuste nauwe samenwerking met zijn aangifteplichtige dochters heeft begaan. Beide dochters hebben verklaard dat zij niet op de hoogte waren van het bestaan van de Belgische rekeningen, althans niet van de omvang van de saldi op deze rekeningen. Daarom kan niet worden vastgesteld dat zij (voorwaardelijk) opzet hebben gehad op het onjuist of onvolledig doen van de ten laste gelegde aangiften. Onder deze omstandigheden kan het medeplegen van verdachte niet worden bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval sprake van het doen plegen van het onjuist of onvolledig doen van belastingaangiften. Nu dit niet aan verdachte is ten laste gelegd, dient verdachte te worden vrijgesproken van de onderdelen betreffende de Belgische bankrekeningen op naam van [voornaam 2] [naam 4] en [voornaam 5] [naam 4] . Conclusie Gelet op vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte onjuiste of onvolledig belastingaangifte heeft gedaan door de Belgische rekeningen op naam van hemzelf en/of [naam echtgenote] en [voornaam 3] [naam 4] niet te vermelden in de aangifte. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen. Uit het dossier komt naar voren dat medeverdachte [naam echtgenote] , de fiscaal partner van verdachte, het verzorgen van de aangifte in vertrouwen had overgedragen aan verdachte en aan de boekhouder. Niet blijkt dat het voor haar kenbaar was, dan wel had moeten zijn dat het saldo van de Belgische rekeningen niet verwerkt was in de aangifte. 4.3.5.3 Huurinkomsten (feit 5 primair sub B
- b)De rechtbank stelt op basis van de in bijlage II onder 7.2 weergegeven bewijsmiddelen vast dat met betrekking tot tien panden in eigendom van verdachte de huuropbrengsten niet volledig zijn verwerkt in de administratie. Uit de verklaringen van de huurders van de onderzochte panden blijkt dat zij in vrijwel alle gevallen op verzoek van verdachte de huur contant betaalden. Verdachte kwam de huren elke maand bij hen innen en er was nauwelijks sprake van huurachterstanden. Daarbij overweegt de rechtbank dat wanneer wordt gekeken naar de individuele panden het dossier in sommige gevallen alleen de verklaring van een getuige (huurder) over de huurbetalingen van een specifiek pand of appartement bevat, die telkens niet strookt met hetgeen verdachte heeft verantwoord in zijn administratie. De rechtbank is echter van oordeel dat de individuele getuigenverklaringen steun vinden in de overige bewijsmiddelen, zijnde de gelijksoortige verklaringen van andere huurders die verklaren over het betalen van contante huren, die ook niet zijn verantwoord in de administratie van verdachte. Op basis van de vergelijkingen van de weergegeven verklaringen van de huurders over de huurperiode en de huurbetalingen, de inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie en de huurovereenkomsten, met de administratie van verdachte stelt de rechtbank het volgende vast: [adresgegevens 1] : - in de administratie van verdachte zijn over het jaar 2006 drie maanden huur van 690 euro/maand, afkomstig van getuige [naam 99] , niet verantwoord. [adresgegevens 2] : - in de administratie van verdachte zijn over het jaar 2005 de twee contante huurontvangsten van 675 euro/maand afkomstig van getuige [Getuige 1] niet verantwoord. [adresgegevens 3] te [plaats 2] : - in de administratie van verdachte zijn over het jaar 2007 twee maanden huur van 508 euro/maand afkomstig van getuige [Getuige 2] niet verantwoord. [adresgegevens 4] te [plaats 2] in de administratie van verdachte zijn over het jaar 2003 vijf maanden huur van 300 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 1] niet verantwoord; in de administratie van verdachte zijn over het jaar 2004 acht maanden huur van 450 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 2] , drie maanden huur van 200 euro/maand verminderd met 1.000 euro aan huurachterstand van getuige [naam getuige 3] en vier maanden huur van 400 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 4] niet verantwoord; in de administratie van verdachte zijn over het jaar 2005 de contante huurontvangsten van 400 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 4] (12 maanden) niet verantwoord; in de administratie van verdachte zijn over het jaar 2006 de contante huurontvangsten van 400 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 4] (12 maanden) en de drie maanden huur van 250 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 5] niet verantwoord; in de administratie van verdachte zijn over het jaar 2007 acht maanden huur van 400 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 4] , zeven maanden van 250 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 5] en vijf maanden huur van 450 euro/maand afkomstig van getuige [Getuige 3] niet verantwoord. [adresgegevens 5] te [plaats 2] : in de administratie van verdachte zijn over het jaar 2003 vijf maanden huur van 567 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 6] niet verantwoord; in de administratie van verdachte zijn over het jaar 2004 negen maanden huur van 567 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 6] en twee maanden huur van 450 euro/maand afkomstig van getuige [Getuige 4] niet verantwoord; in de administratie van verdachte zijn over het jaar 2005 tien maanden huur van 567 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 6] , zeven maanden huur van 595 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 7] en twaalf maanden huur van 500 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 8] niet verantwoord; in de administratie van verdachte zijn over het jaar 2006 elf maanden huur van 500 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 8] niet verantwoord. [adresgegevens 6] te [plaats 2] - in de administratie van verdachte zijn over het jaar 2006 drie maanden huur van 300 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 9] niet verantwoord. [adresgegevens 7] te [plaats 2] : in de administratie van verdachte zijn over het jaar 2006 drie maanden huur van 800 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 10] niet verantwoord; in de administratie van verdachte zijn over het jaar 2007 acht maanden huur van 800 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 10] niet verantwoord. [adresgegevens 8] in de administratie van verdachte zijn over het jaar 2004 acht maanden huur van 1.250 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 11] niet volledig verantwoord. Er is slechts een bedrag van 5.000 euro vermeld; in de administratie van verdachte zijn over het jaar 2005 twaalf maanden huur van 1.250 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 11] niet volledig verantwoord. Er is slechts een bedrag van 9.000 euro vermeld; in de administratie van verdachte zijn over het jaar 2006 twaalf maanden huur van 1.250 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 11] en zes maanden huur van 1.000 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 12] niet verantwoord; in de administratie van verdachte zijn over het jaar 2007 twee maanden huur van 1.000 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 12] niet volledig verantwoord. - Op de niet verantwoorde huren van [naam getuige 12] dient zijn huurachterstand van 2.200 euro, waarover hij bij de rechter-commissaris heeft verklaard, in mindering gebracht te worden. [adresgegevens 9] te [plaats 2] in de administratie van verdachte is over het jaar 2005 één maand huur van 474 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 13] niet verantwoord; in de administratie van verdachte zijn over het jaar 2006 drie maanden huur van 474 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 13] niet verantwoord; in de administratie van verdachte zijn over het jaar 2007 twaalf maanden huur van 474 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 13] niet verantwoord. [adresgegevens 10] te [plaats 2] - in de administratie van verdachte zijn over het jaar 2005 vijf maanden huur van 3.000 euro/maand afkomstig van getuige [naam getuige 14] niet volledig verantwoord. Er is slechts een bedrag van 2.250 euro vermeld. Gelet op vorenstaande stelt de rechtbank vast dat door verdachte over de jaren 2003 tot en met 2007 te weinig aan huuropbrengsten is verantwoord: Over het jaar 2003: 5 maanden x 300 euro per maand [straat 1] 1.500 euro 5 maanden x 567 euro per maand [straat 2] 2.835 euro Totaal 4.335 euro Over het jaar 2004: 8 maanden x 450 per maand [straat 1] 3.600 euro 3 x 200 per maand -/-100 euro [straat 1] 500 euro 4 maanden x 400 per maand [straat 1] 1.600 euro 9 maanden x 567 per maand [straat 2] 5.103 euro 2 maanden x 450 per maand [straat 2] 900 euro 8 maanden x 1.250 per maand -/- 5.000 euro [straat 3] 5.000 euro Totaal 16.703 euro Over het jaar 2005: 2 maanden x 675 euro per maand [straat 4] 81 1.350 euro 12 maanden x 400 euro per maand [straat 1] 4.800 euro 10 maanden x 567 euro per maand [straat 2] 5.670 euro 7 maanden x 595 euro per maand [straat 2] 4.165 euro 12 maanden x 500 euro per maand [straat 2] 6.000 euro 12 maanden x 1.250 euro per maand -/- 9.000 euro [straat 3] 6.000 euro 1. maand x 474 euro per maand [straat 5] 474 euro 5 maanden x 3.000 per maand -/- 2.250 euro [straat 6] 12.750 euro Totaal 41.209 euro Over het jaar 2006: 3 maanden x 690 euro per maand [straat 4] 55 2.070 euro 12 maanden x 400 euro per maand [straat 1] 4.800 euro 3 maanden x 250 euro per maand [straat 1] 750 euro 11 maanden x 500 euro per maand [straat 7] 5.500 euro 3 maanden x 300 euro per maand [straat 2] 900 euro 3 maanden x 800 euro per maand [straat 8] 2.400 euro 12 maanden x 1.250 euro per maand [straat 3] 15.000 euro 6 maanden x 1.000 euro per maand -/- 4.500 euro [straat 3] 1.500 euro 3 maanden x 474 euro per maand [straat 5] 1.422 euro Totaal 34.342 euro Over het jaar 2007: 2 maanden x 508 euro per maand [straat 9] 1.016 euro 8 maanden x 400 euro per maand [straat 1] 3.200 euro 7 maanden x 250 euro per maand [straat 1] 1.750 euro 5 maanden x 450 euro per maand [straat 1] 2.250 euro 8 maanden x 800 euro per maand [straat 8] 6.400 euro 2 maanden x 1.000 euro per maand [straat 3] 2.000 euro 12 maanden x 474 euro per maand [straat 5] 5.688 euro Totaal 22.304 euro In het voordeel van verdachte zal de rechtbank de huurachterstand van [naam 12] van 2.200 euro in mindering brengen op het hierboven berekende bedrag over 2007 zodat het bedrag aan huurinkomsten dat ten onrechte niet is opgegeven in de aangifte inkomstenbelasting over 2007 uitkomt op 20.104 euro. Over de jaren 2003 tot en met 2007 is derhalve in totaal 116.910 euro, te weinig aan huuropbrengsten verantwoord in de administratie van [naam 4] en dus onjuiste aangifte inkomstenbelasting gedaan. 4.3.5.4 Valse of vervalste kostenfacturen (feit 5 primair sub C) Verdachte wordt verweten dat hij in zijn administratie valse of vervalste kostenfacturen heeft verwerkt en deze heeft opgegeven in zijn aangiften Inkomensbelasting. Het zou gaan om enerzijds gefingeerde kosten van panden in bezit van verdachte en anderzijds om kosten die zijn gemaakt voor privépanden van zijn familieleden die zijn opgevoerd als kosten voor de panden van verdachte zelf. 4.3.5.4.1 Partiële vrijspraak De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de handgeschreven verklaring betreffende de ontvangst van 6.750 euro voor achterstallig onderhoud vals of vervalst is. Daartoe overweegt de rechtbank dat getuige [getuige 2] – in tegenstelling tot zijn aanvankelijke verklaring – bij de rechter-commissaris heeft aangegeven dat hij de betreffende verklaring heeft opgesteld en ondertekend in verband met herstelwerkzaamheden die verdachte heeft uitgevoerd aan zijn woning. De rechtbank spreekt verdachte derhalve vrij voor het onderdeel met betrekking tot de factuur/kwitantie van [getuige 2] . 4.3.5.4.2 Gefingeerde kosten De rechtbank stelt op basis van de in bijlage II 7.3 weergegeven bewijsmiddelen vast dat in de administratie van verdachte vijf uitgaven zijn opgenomen, die in werkelijkheid niet of niet voor het weergegeven bedrag zijn betaald en zijn gebaseerd op valse of vervalste facturen of kwitanties. Deze uitgaven zijn allen in mindering gebracht op de winst. Ook hierbij overweegt de rechtbank dat wanneer wordt gekeken naar de individuele uitgaven het dossier telkens alleen de verklaring van één getuige met betrekking tot een specifieke factuur of kwitantie bevat, die steeds niet strookt met hetgeen verdachte heeft verantwoord in zijn administratie. De rechtbank is echter van oordeel dat het gegeven dat alle getuigen verklaren over facturen of kwitanties die in strijd zijn met de waarheid, maakt dat een individuele getuigenverklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen, te weten in de diverse verklaringen over en weer. Het betreft de volgende facturen/kwitanties: Factuur van [naam 13] In de administratie van verdachte is een factuur van Loodgietersbedrijf [naam 13] van 30 december 2002 ten bedrage van 5.406,57 euro inclusief btw aangetroffen. Op de factuur staat een handtekening met daarbij vermeld ‘per kas betaald 17 februari 2003’. In de kas-administratie van verdachte staat deze uitgave vermeld met als datum 28 februari 2003. Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [naam 110] blijkt dat de betreffende factuur nooit door verdachte is voldaan. Getuige [naam 13] heeft bovendien verklaard dat de aantekening ‘per kas betaald’ niet zijn handschrift is en de handtekening slechts lijkt op zijn handtekening. Kwitantie [naam 14] In de administratie van verdachte is een handgeschreven overeenkomst van 14 april 2003 betreffende de verkoop van het pand aan [Adres] te [plaats 1] aangetroffen. In de getekende overeenkomst verklaren [naam 14] en [naam 14] dat zij van verdachte een vergoeding van 22.500 euro hebben ontvangen als ‘oprotpremie’. In de kasadministratie van verdachte staat op 30 april 2003 deze uitgave vermeld met als omschrijving ‘Fam [naam 14] oprotpremie’. Uit verklaringen van de getuigen [naam 14] en [naam 14] blijkt dat zij slechts een bedrag van 2.500 euro van verdachte hebben gekregen. Beide getuigen verklaren dat op het moment dat zij het bewijs van betaling ondertekenden daarop een bedrag van slechts 2.500 euro was vermeld. Kwitantie [naam getuige 4] In de administratie van verdachte is een kwitantie aangetroffen van 15 juli 2003 inzake de ontvangst van 15.000 euro van verdachte voor bemiddeling van het pand aan de [straatnaam 1] te [plaats 1] . De kwitantie is ondertekend door [naam 15] . In de kasadministratie van verdachte staat op 31 juli 2003deze uitgave vermeld met als omschrijving ‘ [straatnaam 1] ’. Uit de verklaring van [naam getuige 4] blijkt dat hij nooit 15.000 euro van verdachte heeft ontvangen. De getuige kent de kwitantie niet en de handtekening daaronder betreft niet zijn handtekening. Bovendien is zijn naam verkeerd geschreven. Uit de omstandigheid dat in de kwitantie wel het adres van de vader van [naam getuige 4] als woonadres van deze ‘ [naam getuige 4] ’ is opgenomen, op welk adres de getuige destijds verbleef, leidt de rechtbank af dat met de in de kwitantie genoemde [naam getuige 4] , [naam getuige 4] bedoeld werd. Kwitantie [naam 16] In de administratie van verdachte is een handgeschreven verklaring van 1 oktober 2003 betreffende de aankoop van het pand aan de [straatnaam 7] te [plaats 2] aangetroffen. In de verklaring is opgenomen dat [naam 16] van verdachte een bedrag van 14.000 euro heeft ontvangen, zoals was afgesproken bij de aankoop en voorlopige koopovereenkomst. In de kasadministratie van verdachte staat op 31 oktober 2003 deze uitgave vermeld met de omschrijving ‘Verg. schade [straatnaam 7] ’. Uit de verklaring van [naam 16] blijkt dat hij nooit het genoemde bedrag heeft ontvangen van verdachte. Voorts heeft hij verklaard dat zijn voornaam verkeerd is geschreven en het handschrift hem niet bekend is. Tevens kan uit het handschriftonderzoek worden afgeleid dat de tekst in de overeenkomst niet door [naam 16] is geschreven. Kwitantie [naam 17] In de administratie van verdachte is een handgeschreven nota van 5 augustus 2005 aangetroffen, waarin [naam 17] verklaart dat hij van verdachte 5.000 euro heeft ontvangen voor overname van diverse goederen bij de verkoop van het pand aan de [adres 1] . In de kasadministratie van verdachte staat op 31 augustus 2005 deze uitgave vermeld met de omschrijving ‘Uitkoop [adres 1] ’. Uit de verklaringen van de getuigen [naam 111] en zijn partner [naam partner] blijkt dat zij nooit geld van verdachte hebben ontvangen en dat zij de betreffende nota niet hebben ondertekend. Conclusie Gelet op vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte uitgaven in zijn administratie heeft vermeld, die hij in werkelijkheid niet heeft gedaan en die zijn onderbouwd met valse of vervalste facturen of kwitantie. Deze uitgaven zijn in mindering gebracht op de winst. 4.3.5.4.3 Kosten privépanden De rechtbank stelt op basis van de in bijlage II onder 7 en 7.3 weergegeven bewijsmiddelen vast dat in de administratie van verdachte uitgaven gebaseerd op facturen van [naam bedrijf] zijn vermeld, die betrekking hebben op panden die in eigendom zijn van zijn familieleden. Het betreft de volgende facturen en uitgaven: Facturen met betrekking tot [straat 2] (dossier 418) In het dossier bevinden zich twee facturen uit 2003 met betrekking tot ordernummer [Nummer] : een eerste termijn van 20 % ten bedrage van 627,97 euro inclusief btw (D-1137) en een tweede termijn van 80 % ten bedrage van 2.511,94 euro inclusief btw (D-1138). De rechtbank stelt op basis van de in bijlage II onder 7.3.2 opgenomen bewijsmiddelen vast dat deze beide facturen betrekking hebben op het pand [straat 2] te [plaats 2] . Uit de administratie van verdachte blijkt dat het totaalbedrag van deze facturen 3.139,91 euro inclusief btw als onderhoudskosten in mindering zijn gebracht op de winst. Blijkens de onderliggende offerte (D-1165) hebben deze facturen (met een totaalbedrag van 2.638,59 euro exclusief btw c.q. 3.139,91 euro inclusief btw) betrekking op een drietal elementen: twee kozijnen ad 1.215,26 euro en 1.206,13 euro en vervanging van een deurpaneel ad 217,20 euro exclusief btw. Op de bijbehorende opnamestaat (D-1166) staat bij een van de kozijnen bijgeschreven ‘plaatsen [straat 10] [plaats 2] ’. De opleveringscontrolelijst VKG Keurmerk van ordernummer [Nummer] (D-1169), vermeldt eveneens als adres [straat 10] en twee stuks geleverde elementen. Getuige [naam bedrijf] heeft over deze opdracht verklaard dat er twee kozijnen zijn geplaatst op de [straat 10] en dat deze onderdeel uitmaakten van een groter project betreffende de [straat 2] te [plaats 2] . De rechtbank stelt op basis van voorgaande vast dat twee van de drie elementen van de facturen betreffende de [straat 2] te [plaats 2] betrekking hebben op de [straat 10] te [plaats 2] . Blijkens de offerte werd voor deze kozijnen 1.215,26 euro en 1.206,13 euro in rekening gebracht. De totaalprijs voor deze twee kozijnen bedraagt derhalve 2.421,39 euro exclusief btw, zijnde 2.881,45 euro inclusief btw. Het pand [straat 10] te [plaats 2] is eigendom van medeverdachte [naam echtgenote] en de onderhoudskosten hiervan hadden dus niet in mindering gebracht mogen worden als onkosten van de onderneming van verdachte. Dit brengt met zich mee dat verdachte ten onrechte 2.881,45 euro in mindering heeft gebracht als onkosten en verdachte de op zijn naam staande aangifte inkomstenbelasting 2003 onjuist of onvolledig heeft gedaan. Facturen met betrekking tot de [adresgegevens 4] te [plaats 2] (dossier 568) Het dossier bevat twee facturen uit 2007 met betrekking tot ordernummer 018.278: een eerste termijn van 40 % ten bedrage van 15.600 euro inclusief btw (D-1163) en een tweede termijn van [huisnummer 2] % ten bedrage van 23.399,99 euro inclusief btw (D-1134). De rechtbank stelt op basis van de in bijlage II onder 7.3.2 opgenomen bewijsmiddelen vast dat de beide facturen betrekking hebben op [adresgegevens 4] en [adresgegevens 10] te [plaats 2] . Uit de administratie van verdachte blijkt dat beide factuurbedragen als onderhoudskosten in mindering zijn gebracht op de winst. Voorts is er sprake van twee onderliggende offerten voor het ordernummer 018.278, waarvan één offerte bestaat uit tien posities met een totaalbedrag van 15.730 euro exclusief btw (D-1170) en de tweede bestaande uit dertien posities met een totaalbedrag van 18.084,03 euro exclusief btw (D-1171). Het verschil tussen beide offerten bedraagt 2.354,03 euro. Op basis van de vergelijking van de offerte D-1171 met de bijbehoren opnamenstaten stelt de rechtbank vast dat: positie 12 betrekking heeft op het pand aan de [straatnaam 5] te [plaats 2] , eigendom van [voornaam 2] [naam 4] ; positie 13 betrekking heeft op het pand aan de [straatnaam 8] te [plaats 2] , eigendom van [naam echtgenote] en [voornaam 5] [naam 4] . Naast de hierboven genoemde posities 12 en 13 bevat offerte D-1171 ten opzichte van offerte D-1170 ook nog een positie 11. Omdat de rechtbank niet kan herleiden op welk pand deze positie betrekking heeft, zal zij deze in het voordeel van verdachte toerekenen aan een pand van verdachte. Omdat de offertes slechts een totaalprijs noemen en niet gespecifieerd zijn, zal de rechtbank het bedrag dat toe te rekenen is aan panden die niet van verdachte zijn berekenen door het verschil tussen beide offertes te delen door drie en vervolgens te vermenigvuldigen met twee. Het bedrag dat betrekking heeft op panden die van verdachte zijn bedraagt dus: 2.354,03 euro x 2/3 = 1.569,35 euro (zijnde 1.867,52 incl. btw). Het pand aan de [straatnaam 5] te [plaats 2] is eigendom van [naam 4] en het pand aan de [straatnaam 8] te [plaats 2] is eigendom van [naam echtgenote] en [voornaam 5] [naam 4] . Omdat de betreffende panden te [plaats 2] geen eigendom zijn van verdachte, hadden de onderhoudskosten hiervan dus niet in mindering mogen worden gebracht als onkosten van de onderneming van verdachte. Dit brengt met zich mee dat verdachte ten onrechte 1.867,52 euro in mindering heeft gebracht als onkosten en verdachte de op zijn naam staande aangifte voor de inkomstenbelasting 2007 onjuist of onvolledig heeft gedaan. Facturen met betrekking tot [straat 3] (dossier 581) In de administratie van verdachte zijn facturen van [naam bedrijf] uit 2007 aangetroffen voor levering en montage kozijnen [straat 3] (D-1139, 1140 en 1141). Het betreft een totaalbedrag van € 46.945,50 incl. btw. Volgens zijn administratie is dit bedrag ook geboekt en betaald. Op basis van de onderliggende administratie van [naam bedrijf] en de verklaringen van [naam bedrijf] en [naam 18] stelt de rechtbank vast dat de posities 17-20 uit de offerte betrekking hebben op de [adres 2] en de posities 21 -27 betrekking hebben op de [straatnaam 10] . Uit door [naam bedrijf] aangeleverde calculaties (D1271-1219) van de kostprijs per positie, zijn per adres de volgende bedragen berekend: Adres Elementen Kostprijs % van totale kostprijs [straat 3] (positie 1 - 16) € 22.802,- 56,8 [adres 2] 4 (positie 17 -20) € 8.257,- 20,6 [straat 12] (positie 21 - 27) € 9.083,- 22,6 Gelet op bovenstaande is het vermoeden gerezen dat van het totale factuurbedrag van 46.945,50 incl. btw betrekking heeft op het adres: [adres 2] : 9.437 euro incl. btw [straat 12] : 11.484 euro incl. btw Het pand aan de [adres 2] te [plaats 2] is de woning van verdachte en [naam echtgenote] en als zodanig geen handelspand van verdachte. Het pand [straat 12] staat op naam van [voornaam 3] [naam 4] . Gelet hierop hadden de onderhoudskosten hiervan dus niet in mindering mogen worden gebracht als onkosten van de onderneming van verdachte. Dit brengt met zich mee dat verdachte ten onrechte 20.921 euro in mindering heeft gebracht als onkosten en verdachte de op zijn naam staande aangiftebelasting 2007 onjuist of onvolledig heeft gedaan Conclusie Gelet op vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de volgende uitgaven voor panden die in bezit waren van zijn familieleden, in zijn eigen administratie als onkosten heeft opgevoerd: [straatnaam 5] / [straatnaam 8] 1.867 euro [adres 2] 9.437 euro [straat 12] 11.484 euro Totaal 22.788 euro Deze uitgaven zijn in mindering gebracht op de winst van zijn onderneming. 4.3.5.5 Het onjuist of onvolledig doen van aangiften Inkomstenbelasting Uit onderzoek van de Belastingdienst is gebleken dat de ingediende belastingaangiften aansluiten op de administratie van [naam 4] . Ook getuige [getuige 5] , de boekhouder van verdachte, heeft verklaard dat hij de aangiften over de jaren 2003 tot en met 2007 heeft ingevuld op basis van de jaarstukken en andere relevante stukken. Indien hij van [naam 4] onjuiste informatie heeft ontvangen, dan is deze ook onjuist verwerkt in de belastingaangiften. Voorts heeft verdachte met betrekking tot de tegoeden op de Belgische bankrekeningen erkend dat hij deze niet kenbaar heeft gemaakt aan zijn boekhouder en de Belastingdienst. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte onjuist of onvolledig aangifte Inkomstenbelasting Premie Volksverzekeringen heeft gedaan over de jaren 2003 tot en met 2007 door: geen opgave te doen van tegoeden bij de [Bank 2] te België; geen volledige opgave te doen van ontvangen huurinkomsten uit onroerend goed; opgave te doen van valse of vervalste kostenfacturen. Uit de door de Belastingdienst opgestelde nadeelberekening is gebleken dat deze feiten ertoe hebben geleid dat verdachte over de jaren 2003 tot en met 2007 in totaal 99.021 euro te weinig belasting heeft betaald. 4.3.5.6 Opzet van verdachte De verdediging heeft onder verwijzing naar het arrest van de belastingkamer van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 21 juni 2019, betreffende het hoger beroep van verdachte inzake de (navorderings)aanslagen van de Inspecteur van de Belastingdienst, bepleit dat verdachte geen opzet had op het doen van onjuiste belastingaangiften. Er was eerder sprake van bewuste schuld. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt dat verdachte zijn boekhouder een administratie heeft overhandigd waarin de Belgische banktegoeden waren verzwegen, een deel van de contante inkomsten niet waren vermeld en valselijk kosten waren opgevoerd. Deze administratie vormde vervolgens de basis voor de belastingaangiften. Een dergelijke aangifte is voor de inspecteur van de Belastingdienst een belangrijk hulpmiddel om tot vaststelling van de aanslag te komen. Uit het bewezenverklaarde volgt dat de onjuiste aangiften van verdachte niet zijn veroorzaakt door slordigheid of nalatigheid, maar bewust in het vat zijn gegoten om het betalen van belasting te ontlopen. Gelet op vorenstaande acht de rechtbank het onder feit 5 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. 4.3.6 Medeplichtigheid hennepteelt (feit 6) 4.3.6.1 Verdenking Aan verdachte is onder feit 6 ten laste gelegd dat hij medeplichtig is geweest aan het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken of aanwezig hebben van hennep door het ter beschikking stellen van twee panden. 4.3.6.2 Ontvankelijkheid openbaar ministerie Het ten laste gelegde zou zich hebben voorgedaan in de periode van 1 januari 2006 tot en met 15 maart 2007. Artikel 3, eerste lid onder B van de Opiumwet kent ingevolge artikel 11, tweede lid van de Opiumwet een strafbedreiging van ten hoogste twee jaar. Zoals de rechtbank reeds onder 3 heeft overwogen bedraagt de verjaringstermijn voor dit misdrijf zes jaren (artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht) en na stuiting maximaal 12 jaren. Inmiddels zijn sinds de genoemde ten laste gelegde periode meer dan 12 jaren verstreken, waardoor het recht tot strafvordering op grond van artikel 72 tweede lid van het Wetboek van Strafrecht is komen te vervallen. De rechtbank verklaart derhalve het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging met betrekking tot het onder feit 6 ten laste gelegde. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte 1. in de hierna onder a en b te noemen perioden in Nederland, telkens opzettelijk a. I. in de periode van 1 september 2004 tot en met 8 maart 2006 een factuur ten name van [bedrijf 2] met een totaalbedrag van euro 59.970,-, zijnde een geschrift dat bestemd was tot bewijs van enig feit te dienen, heeft vervalst door in strijd met de waarheid in deze factuur te vermelden dat [bedrijf 2] herstelwerkzaamheden had verricht ten behoeve van het pand [naam straat] te [plaats 2] en dat verdachte een geldbedrag ter hoogte van euro 59.970,- verschuldigd was aan [bedrijf 2] , II. in de periode van 1 september 2004 tot en met 8 maart 2006 gebruik heeft gemaakt van een vervalst geschrift, te weten een factuur ten name van [bedrijf 2] met een totaalbedrag van euro 59.790,- - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, voornoemde factuur heeft ingediend bij [verzekeringsmaatschappij] , en b. in de periode van 1 juni 2004 tot en met 23 november 2004, tezamen en in vereniging met een ander, een huurovereenkomst van 30 september 2004 op naam van [naam 6] en een huurovereenkomst van 29 september 2004 op naam van [naam 7] en een huurovereenkomst van 25 september 2004 op naam van [naam 8] , telkens zijnde een geschrift dat bestemd was tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt door in strijd met de waarheid telkens in deze overeenkomsten te vermelden dat voornoemde [naam 6] en [naam 7] en [naam 8] een ruimte huurden in het pand [straatnaam 2] [huisnummer 1] te [plaats 2] , zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; 2. subsidiair hij op één of meer nader te noemen tijdstippen in Nederland met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, b. in de periode van 1 september 2008 tot en met 7 oktober 2008 [voornaam 4] heeft bewogen tot de afgifte van het pand gelegen aan de [straatnaam 4] te [plaats 2] , hebbende verdachte toen aldaar met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid gezegd dat hij, verdachte, behoudens de in de leveringsakte bij de notaris vastgelegde koopprijs van euro 32.000 nog een extra bedrag van euro 23.000 contant zal betalen; 3. hij op één of meer nader te noemen tijdstippen in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen a. op 24 december 2002 in een notariële akte, te weten een leveringsakte van het pand gelegen aan de [straatnaam 3] te [plaats 3] opgemaakt door een notaris, te weten kandidaat-notaris [naam 38] , valselijk heeft doen opnemen dat de koopprijs van voornoemd pand euro 67.500 bedroeg, van de waarheid van welk feit die akte moest doen blijken, terwijl verdachte en zijn mededader wisten dat de werkelijke koopprijs hoger was, en op of omstreeks 7 oktober 2008 in een notariële akte, te weten een leveringsakte van het pand gelegen aan de [straatnaam 4] te [plaats 2] opgemaakt door een notaris, te weten [naam 33] , valselijk heeft doen opnemen dat de koopprijs van voornoemd pand euro 32.000 bedroeg, van de waarheid van welk feit die akte moest doen blijken, terwijl verdachte en zijn mededader wisten dat de werkelijke koopprijs hoger was, en c. op 15 december 2006 in een notariële akte, te weten een leveringsakte van het pand gelegen aan de [straatnaam 5] te [plaats 2] opgemaakt door een notaris, te weten [naam 32] , valselijk heeft doen opnemen dat de koopprijs van voornoemd pand euro 172.500 bedroeg, van de waarheid van welk feit die akte moest doen blijken, terwijl verdachte en zijn mededaders wisten dat de werkelijke koopprijs hoger was, zulks telkens met het oogmerk om die akten of afschriften daarvan te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware die opgave in overeenstemming met de waarheid; 4. hij op één of meer nader te noemen tijdstippen in de periode van 1 oktober 2002 tot en met 16 juni 2009 in Nederland, I. het volgende pand heeft verworven en voorhanden gehad, te weten: - in de periode van 1 september 2008 tot en met 16 juni 2009 een pand gelegen aan de [straatnaam 4] te [plaats 2] , terwijl hij, verdachte, wist dat dat pand geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, II. één of meer van navolgende geldbedragen verworven of voorhanden gehad, te weten: A. op 22 november 2004 het door verkoop verkregen bedrag van een pand gelegen aan de [straatnaam 2] [huisnummer 1] te [plaats 2] (euro 250.110,43), en B. in de periode van 1 januari 2003 tot en met 16 juni 2009 een (groot) aantal biljetten van euro 500, en D. in de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2007 tegoeden op bankrekeningen bij de Belgische [Bank 2] ten name van [naam 34] en/of [naam echtgenote] , te weten de nummers: [Rekeningnummer] , en bankrekeningen bij de Belgische [Bank 2] ten name van [naam 28] , te weten de nummers: [Rekeningnummer] en [Rekeningnummer] en bankrekeningen bij de Belgische [Bank 2] ten name van [naam 4] , te weten de nummers [Rekeningnummer] en [Rekeningnummer] en bankrekening bij de Belgische [Bank 2] ten name van [naam 29] , te weten de nummers [Rekeningnummer] en [Rekeningnummer] , zulks telkens terwijl hij, verdachte, wist dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf; 5. primair omstreeks 13 juli 2004 en 27 juli 2005 en 20 juli 2006 en 20 maart 2008 en 6 januari 2009 in Nederland, meermalen opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, te weten aangiften voor de Inkomstenbelasting Premie Volksverzekeringen over de jaren 2003 en 2004 en 2005 en 2006 en 2007, telkens onjuist of onvolledig heeft gedaan, terwijl die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting werd geheven, immers heeft verdachte opzettelijk op die bij de Inspecteur der belastingen ingediende aangiftebiljetten voor de inkomstenbelasting ten name van hem, verdachte: a. telkens geen opgave gedaan van banktegoeden bij een bank in België, te weten de bankrekeningnummers: [nummer 1] ten name van [naam 31] en/of [naam echtgenote] van de [Bank 2] , en [nummer 2] ten name van [naam 31] en/of [naam echtgenote] van de [Bank 2] , en [nummer 3] ten name van [naam 31] en/of [naam echtgenote] van de [Bank 2] , en [nummer 4] ten name van [naam 28] van de [Bank 2] , en [Rekeningnummer] ten name van [naam 28] van de [Bank 2] en b. telkens geen volledige opgave gedaan van ontvangen huurinkomsten uit onroerend goed, te weten: ten aanzien van de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2003: een totaal bedrag van minimaal euro 4.335, en ten aanzien van de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2004: een totaal bedrag van minimaal euro 16.703, en ten aanzien van de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2005: een totaal bedrag van minimaal euro 41.209, en ten aanzien van de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2006: een totaal bedrag van minimaal euro 34.342, en ten aanzien van de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2007: een totaal bedrag van minimaal euro 20.104, en c. telkens opgave gedaan van valse of vervalste kostenfacturen, te weten: een factuur d.d. 30 december 2002 ad euro 5406,57 van [naam 13] , Loodgietersbedrijf, en een kwitantie d.d. 14 april 2003 ad euro 22.500 van [naam 14] , en een kwitantie d.d. 15 juli 2003 ad euro 15.000 van [naam getuige 4] , en een kwitantie d.d. 1 oktober 2003 ad euro 14.000 van [naam 16] , en facturen met een totaalbedrag van 2.421,39 euro van [naam bedrijf] ., en een factuur of kwitantie, in elk geval een uitgave, d.d. 5 augustus 2005 ad euro 5000 van [naam 17] , en een factuur of kwitantie, in elk geval een uitgave, in 2007 (in totaal) ad euro 22.788 van [naam bedrijf] De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op: feit 1 sub a I: een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaken of vervalsen, met het oogmerk dit als echt en onvervalst te gebruiken, feit 1 sub a II: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als ware het echt en onvervalst; feit 1 sub b: medeplegen van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaken, met het oogmerk dit als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, meermalen gepleegd; feit 2: oplichting; feit 3: medeplegen van in een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid, meermalen gepleegd; feit 5 primair: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 6De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 7De straf en/of de maatregel 7.1 De vordering van de officier van justitie De officieren van justitie hebben, op grond van hetgeen zij bewezen hebben geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden voorwaardelijk en een geldboete van 648.750 euro, subsidiair 365 dagen hechtenis. 7.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft in het kader van de strafoplegging gewezen op de forse overschrijding van de redelijke termijn en de schadelijke invloed die de media-aandacht in deze zaak voor de onderneming van verdachte heeft gehad. Gelet op de ouderdom van het tenlastegelegde en de leeftijd van verdachte, heeft de verdediging verzocht te volstaan met een geldboete, waarbij rekening dient te worden gehouden met het gegeven dat een deel van het tenlastegelegde voor 1 februari 2006 is gepleegd en destijds de vijfde categorie een geldboete van maximaal 45.000 euro bedroeg. 7.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. In 2009 is het onderzoek Landlord gestart naar onder meer vermoedelijk gepleegde strafbare feiten in de vastgoedhandel van de familie [naam 4] en in het bijzonder de rol van [voornaam 1] [naam 4] . In het kader van dit onderzoek is er op 16 juni 2009 een doorzoeking geweest in de woning van verdachte, die de rechtbank aanmerkt als eerste daad van vervolging. Het onderzoek heeft geresulteerd in een dossier van meer dan 30.000 pagina’s dat op 30 januari 2012 is gesloten en is ingezonden naar het openbaar ministerie. De zaak is voor het eerst op 5 april 2012 op zitting aangebracht. Na de beslissing tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de terugwijzing door het gerechtshof in verband met de gegrondverklaring van het hoger beroep bij arrest van 12 november 2015, heeft het vervolgens tot 1 november 2019 geduurd voordat deze zaak opnieuw op zitting is aangebracht. Het vonnis in deze zaak van 9 maart 2020 wordt gewezen bijna tien jaar en negen maanden jaar na de eerste daad van vervolging. De rechtbank is van oordeel dat hierdoor sprake is van een forse overschrijding van de in artikel 6 EVRM bedoelde redelijke termijn en zij zal hiermee in het voordeel van verdachte bij de strafoplegging rekening houden. Gelet hierop is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf naar het oordeel van de rechtbank niet meer aan de orde. Bij de strafoplegging kan de rechtbank thans de volgende bewezenverklaarde feiten meewegen: oplichting, valsheid in geschrifte, het valselijk laten opmaken van notariële akten alsmede het plegen van belastingfraude door vermogen buiten het zicht van de fiscus te houden, geen volledige opgave te doen van huuropbrengsten en ten onrechte kosten op te voeren. Verdachte heeft deze misdrijven gepleegd in het kader van de uitvoering van zijn werkzaamheden in de vastgoedsector. Deze gang van zaken benadeelt niet alleen de fiscus, maar heeft ook het vertrouwen ondermijnd dat in het maatschappelijke en economische verkeer wordt gesteld in de juistheid van bepaalde, voor dat verkeer essentiële, akten en geschriften. De ten laste van verdachte bewezen verklaarde feiten zijn ernstig door de langdurige periode waarbinnen en de wijze en de schaal waarop de delicten hebben plaatsgevonden. Uit de startinformatie van het onderzoek Landlord komt naar voren dat er indicaties waren dat verdachte een dikke vinger in de hennepteelt zou hebben en middels zijn handel in vastgoed deze illegale winsten zou witten. Deze indicaties zijn echter na onderzoek niet nader gesubstantieerd kunnen worden. Anderzijds is er sprake van een omvangrijke contante geldstroom en vele stortingen van 500 euro biljetten die niet verklaard kunnen worden uit de contante bedrijfsvoering van verdachte. Daarnaast is er sprake van zwarte betalingen bij de aankoop van panden. Uit het dossier komt een beeld naar voren van een verdachte die op allerlei manieren tracht aan diverse vormen van belasting te ontkomen en waar mogelijk geldelijk voordeel te behalen. Of dit nu is door het schuiven van opbrengsten en kosten tussen hem (alwaar deze in Box 1 vallen) en zijn familieleden (alwaar deze in Box 3 vallen), het volledig fingeren van kosten, de oplichting van de verkoper bij de aankoop van een pand of verzekerings- of andersoortige fraude. Het fiscale nadeel alleen al op grond van de inkomstenbelasting was 99.021 euro. Als fiscaal nadeel komt daar de ten onrechte niet afgedragen overdrachtsbelasting nog bij. Verdachte is in staat gebleken om een op het eerste gezicht min of meer kloppende administratie aan te leveren bij zijn boekhouder, die aan de hand daarvan de aangiften deed. Pas na diepgravend onderzoek van belastingdienst, FIOD en politie is deze fraude aan het licht gekomen. Ook uit andere omstandigheden komt naar voren dat verdachte zich boven de wet verheven voelde. Zo vond hij het niet nodig om bij wanbetaling van een huurder zich tot de rechter te wenden voor een ontruimingsvonnis, maar verving hij sloten en zette hij huurders gewoon, al dan niet met behulp van anderen, fysiek op straat. Alles overwegend acht de rechtbank een geldboete van 200.000 euro, subsidiair 365 dagen hechtenis, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend. De rechtbank komt daarmee tot een lagere geldboete dan door de officieren van justitie is gevorderd, aangezien zij minder feiten heeft bewezenverklaard dan aan deze eis ten grondslag lagen. 8Het beslag 8.1 Teruggave Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat voorts de volgende voorwerpen in beslag zijn genomen: onroerende registergoederen sectie O nr. 529 [straatnaam 3] , [postcode 1] (nummer147); onroerende registergoederen sectie K nr. 632 [straatnaam 6] , [postcode 2] (nummer 154). Nu met betrekking tot deze voorwerpen niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dienen deze te worden teruggegeven aan de rechthebbende. 8.2 Onttrekking aan het verkeer De rechtbank is van oordeel dat de volgende inbeslaggenomen goederen dienen te worden onttrokken aan het verkeer: 1659747 nepwapen voorzien van laserpoint (nummer 166); 1659750 handwapen (nummer 167); 1659752 handwapen (nummer 168). Deze voorwerpen behoren verdachte toe en zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten, terwijl het ongecontroleerde bezit van voormelde in beslag genomen voorwerpen in strijd met de wet. 8.3 Opheffing beslag De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot volgende inbeslaggenomen goederen het beslag ex artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering dient te worden opgeheven: onroerende registergoederen sectie K nr. 1325 [adres 3] [plaats 3] (nummer 142); onroerende registergoederen sectie O nr. 1321 [straat 8] [adres 4] [plaats 3] (nummer 143); onroerende registergoederen sectie E nr. 4558 [adresgegevens 10] , [adres 5] [plaats 2] (nummer 144); onroerende registergoederen sectie H nr. 1533 [straat 2] [adres 6] [plaats 2] (nummer 145); onroerende registergoederen sectie M nr. 99 De [adresgegevens 6] , [adres 9] [plaats 2] (nummer 146); onroerende registergoederen sectie A nr. 5841 [adres 10] [plaats 2] (nummer 148); onroerende registergoederen sectie E nr. 2804 [adres 11] [plaats 2] (nummer 149); onroerende registergoederen sectie E nr. 4710 [adres 12] [plaats 2] (nummer 150); onroerende registergoederen sectie E nr. 5523 [adres 13] te [plaats 2] (nummer 151); onroerende registergoederen sectie F nr. 4893 [adres 13] [plaats 2] (nummer 152); onroerende registergoederen sectie K nr. 2299 A1 [adres 14] [plaats 2] (nummer 155); onroerende registergoederen sectie M nr. 335 [straat 7] [huisnummer 2] , [adres 9] [plaats 2] (nummer 156); 9De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 36b, 36d, 47, 57, 225, 227 en 326, van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 10De beslissing De rechtbank: Ontvankelijkheid - verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde onder: o 1 (oplichting [verzekeringsmaatschappij] en [bank] ) o 2 primair onder a en subsidiair onder a (oplichting [naam 112] [straatnaam 3] ) en o 6 (medeplichtigheid hennepteelt) Vrijspraak - spreekt de verdachte vrij van het onder 2 primair, 2 subsidiair onder sub c, 3 sub d, 4 I primair, 4I subsidiair m.u.v. de [adres 14] , 4 II sub C ten laste gelegde; Bewezenverklaring verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging met betrekking tot het onder 4 I subsidiair ( [straat 16] ), 4 II sub A, B en D bewezenverklaarde; verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte tot een geldboete van 200.000 euro; beveelt dat, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal volgt, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 365 dagen; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze geldboete in mindering zal worden gebracht, naar rato van € 50,00 per dag; veroordeelt de verdachte tevens tot een gevangenisstraf van 1 jaar, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar; bepaalt dat niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit; Beslag - onttrekt aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen: 1659747 nepwapen voorzien van laserpoint (nummer 166); 1659750 handwapen (nummer 167); 1659752 handwapen (nummer 168). - gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen voorwerpen aan rechthebbende: onroerende registergoederen sectie O nr. 529 [straatnaam 3] , [postcode 3] (nummer147); onroerende registergoederen sectie K nr. 632 De [straatnaam 6] , [postcode 4] [plaats 2] (nummer 154); - heft op het beslag ex artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot de volgende in beslag genomen voorwerpen: onroerende registergoederen sectie K nr. 1325 [adres 3] [plaats 3] (nummer 142); onroerende registergoederen sectie O nr. 1321 [straat 8] [adres 4] [plaats 3] (nummer 143); onroerende registergoederen sectie E nr. 4558 [adresgegevens 10] , [adres 5] [plaats 2] (nummer 144); onroerende registergoederen sectie H nr. 1533 [straat 2] [adres 6] [plaats 2] (nummer 145); onroerende registergoederen sectie M nr.99 De [adresgegevens 6] , [adres 9] [plaats 2] (nummer 146); onroerende registergoederen sectie A nr. 5841 [adres 10] [plaats 2] (nummer 148); onroerende registergoederen sectie E nr. 2804 [adres 11] [plaats 2] (nummer 149); onroerende registergoederen sectie E nr. 4710 [adres 12] [plaats 2] (nummer 150); onroerende registergoederen sectie E nr. 5523 [adres 13] te [plaats 2] (nummer 151); onroerende registergoederen sectie F nr. 4893 [adres 13] [plaats 2] (nummer 152); onroerende registergoederen sectie K nr. 2299 A1 [adres 14] [plaats 2] (nummer 155); onroerende registergoederen sectie M nr. 335 [straat 7] [huisnummer 2] , [adres 9] [plaats 2] (nummer 156). Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.G. van Baal, voorzitter, mr. A.K. Kleine en mr. L. Feuth, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 maart 2020. BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging tenlastelegging – ten laste gelegd dat 1. hij in of omstreeks de hierna onder a en/of b te noemen periode(
- n)in de gemeente [plaats 2] en/of in de gemeente Maastricht, althans in het arrondissement Maastricht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk a. I. in of omstreeks de periode van 1 september 2004 tot en met 8 maart 2006 een factuur ten name van [bedrijf 2] met een totaalbedrag van euro 59.970,-, zijnde een geschrift dat bestemd was tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst door in strijd met de waarheid in deze factuur te vermelden dat [bedrijf 2] herstelwerkzaamheden had verricht ten behoeve van het pand [naam straat] te [plaats 2] en/of dat verdachte en/of (één van) zijn mededader(
- s)een geldbedrag ter hoogte van euro 59.970,- verschuldigd was/waren aan [bedrijf 2] , II.in of omstreeks de periode van 1 september 2004 tot en met 8 maart 2006 gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst geschrift, te weten een factuur ten name van [bedrijf 2] met een totaalbedrag van euro 59.790,- - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte en/of (één van) zijn mededader(
- s)voornoemde factuur heeft/hebben ingediend bij [verzekeringsmaatschappij] , en/of b. in of omstreeks de periode van 1 juni 2004 tot en met 23 november 2004 een huurovereenkomst van 30 september 2004 op naam van [naam 6] en/of een huurovereenkomst van 29 september 2004 op naam van [naam 7] en/of een huurovereenkomst van 25 september 2004 op naam van [naam 8] , (telkens) zijnde (een) geschrift(
- en)dat/die bestemd was/waren tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst door in strijd met de waarheid (telkens) in deze overeenkomst(
- en)te vermelde dat voornoemde [naam 6] en/of [naam 7] en/of [naam 8] een kamer, althans een ruimte huurde(
- n)in het pand [straatnaam 2] [huisnummer 1] te [plaats 2] , zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(
- en)als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; (Zie Zaakdossier 4, subzaakdossiers [naam straat] + [straatnaam 2] [huisnummer 1] ) en/of hij in of omstreeks de hierna onder a en/of b te noemen periode(
- n)in de gemeente [plaats 2] , althans in het arrondissement Maastricht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
- en)wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, a. in of omstreeks de periode van 1 september 2004 tot en met 8 maart 2006 [verzekeringsmaatschappij] heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 59.970,-, althans 24.000, -hebbende verdachte en/of zijn mededader(
- s)toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een valse factuur van [bedrijf 2] verstrekt waaruit kosten voor herstelwerkzaamheden van het pand [naam straat] te [plaats 2] zouden moeten blijken, zulks terwijl deze herstelwerkzaamheden niet waren verricht, en/of b. in of omstreeks de periode van 1 juni 2004 tot en met 23 november 2004 de [bank] te Kerkade heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een hypothecaire lening van 285.000, in elk geval een geldbedrag, hebbende verdachte en/of zijn mededader(
- s)toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid ten behoeve van die hypothecaire lening (een) valse huurovereenkomst(
- en)verstrekt, waaruit zou moeten blijken dat verdachtes mededader(
- s)inkomsten uit verhuur zou ontvangen, zulks terwijl verdachtes mededader(
- s)deze huurinkomsten niet zou ontvangen, waardoor voornoemde bedrijven (telkens) (mede) werd(
- en)bewogen tot bovenomschreven afgifte; (Zie Zaakdossier 4, subzaakdossiers [naam straat] + [straatnaam 2] [huisnummer 1] ) 2. hij in of omstreeks de hierna onder a en/of b en/of c nader te noemen periode(
- n)in de gemeente [plaats 2] en/of in de gemeente [plaats 3] , althans in het arrondissement Maastricht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een beroep of gewoonte heeft gemaakt van het kopen van onroerende goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich en/of (een) ander(
- en)de beschikking over die panden te verzekeren, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s), telkens met voormeld oogmerk, de navolgende panden - op tijd en plaats daarbij vermeld - gekocht, te weten: a.in of omstreeks de periode van 1 oktober 2002 tot en met 24 december 2002 het pand gelegen aan de [straatnaam 3] te [plaats 3] , en/of b.in of omstreeks de periode van 1 september 2008 tot en met 7 oktober 2008 het pand gelegen aan de [straatnaam 4] te [plaats 2] , en/of c.in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 20 maart 2008 het pand gelegen aan de [straatnaam 6] te [plaats 2] ; (zie Zaakdossier 2, subzaakdossiers: [straatnaam 3] , [straatnaam 4] en [straatnaam 6] ) subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat: hij op één of meer nader te noemen tijdstippen in de gemeente [plaats 2] en/of in de gemeente [plaats 3] , althans in het arrondissement Maastricht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
- en)wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, a.in of omstreeks de periode van 1 oktober 2002 tot en met 24 december 2002, [naam 35] en/of [naam 1] heeft/hebben bewogen tot de afgifte van het pand gelegen aan de [straatnaam 3] te [plaats 3] , in elk geval van een pand, hebbende verdachte en/of zijn mededader(
- s)toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid gezegd dat hij, verdachte, behoudens de in de leveringsakte bij de notaris vastgelegde koopprijs van euro 67.500 nog een extra bedrag van euro 15.000 contant zal betalen en/of (vervolgens) heeft hij, verdachte bij het ondertekenen van de koopovereenkomst euro 5000 contant (aan)betaald, en/of b.in of omstreeks de periode van 1 september 2008 tot en met 7 oktober 2008 [naam 36] heeft/hebben bewogen tot de afgifte van het pand gelegen aan de [straatnaam 4] te [plaats 2] , in elk geval van een pand, hebbende verdachte en/of zijn mededader(
- s)toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid gezegd dat hij, verdachte, behoudens de in de leveringsakte bij de notaris vastgelegde koopprijs van euro 32.000 nog een extra bedrag van euro 23.000 contant zal betalen, en/of c.in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 20 maart 2008 [naam 3] heeft/hebben bewogen tot de afgifte van het pand gelegen aan [straatnaam 6] te [plaats 2] , in elk geval van een pand, hebbende verdachte en/of zijn mededader(
- s)toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid gezegd dat hij, verdachte, behoudens de in de leveringsakte bij de notaris vastgelegde koopprijs van euro 172.500 nog een extra bedrag van 10 % van de vastgelegde koopprijs, te weten euro 17.250, contant zal betalen, waardoor voornoemde perso(o)n(
- en)(telkens) werd(
- en)bewogen tot bovenomschreven afgifte; Artikel 326 Wetboek van Strafrecht; (zie Zaakdossier 2, subzaakdossiers: [straatnaam 3] , [straatnaam 4] en [straatnaam 6] ) 3. hij op één of meer nader te noemen tijdstippen in de gemeente [plaats 2] en/of in de gemeente [plaats 3] , in elk geval in het arrondissement Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, a. op of omstreeks 24 december 2002 in (een) notariële akte(n), te weten (een) leveringsakte(
- n)van het pand gelegen aan de [straatnaam 3] te [plaats 3] opgemaakt door een notaris, te weten kandidaat-notaris [naam 38] , valselijk heeft doen opnemen dat de koopprijs van voornoemd pand euro 67.500 bedroeg, van de waarheid van welk(
- e)feit(
- en)die akte moest doen blijken, terwijl verdachte en/of zijn mededader(
- s)(telkens) wist(
- en)dat de werkelijke en/of de te betalen koopprijs hoger was, en/of b. op of omstreeks 7 oktober 2008 in (een) notariële akte(n), te weten (een) leveringsakte(
- n)van het pand gelegen aan de [straatnaam 4] te [plaats 2] opgemaakt door een notaris, te weten [naam 33] , valselijk heeft doen opnemen dat de koopprijs van voornoemd pand euro 32.000 bedroeg, van de waarheid van welk(
- e)feit(
- en)die akte moest doen blijken, terwijl verdachte en/of zijn mededader(
- s)(telkens) wist(
- en)dat de werkelijke en/of de te betalen koopprijs hoger was, en/of c. op of omstreeks 15 december 2006 in (een) notariële akte(n), te weten (een) leveringsakte(
- n)van het pand gelegen aan de [straatnaam 5] te [plaats 2] opgemaakt door een notaris, te weten [naam 32] , valselijk heeft doen opnemen dat de koopprijs van voornoemd pand euro 172.500 bedroeg, van de waarheid van welk(
- e)feit(
- en)die akte moest doen blijken, terwijl verdachte en/of zijn mededader(
- s)(telkens) wist(
- en)dat de werkelijke en/of de te betalen koopprijs hoger was, en/of d. op of omstreeks 20 maart 2008 in (een) notariële akte(n), te weten (een) leveringsakte(
- n)van het pand gelegen aan [straatnaam 6] te