← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2020:2108

vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer: C/03/262127 / HA ZA 19-157 Vonnis bij vervroeging van 11 maart 2020 in de zaak van [eiser] , wonend te [woonplaats] , eiser, advocaat mr. D.M. Gijzen, tegen: [gedaagde] , wonend te [woonplaats] , gedaagde, advocaat mr. K.A.M.J. Horsch. De rechtbank zal de nummering voortzetten van het tussen partijen in deze zaak op 23 oktober 2019 gewezen tussenvonnis. De rechtbank herstelt een schrijffout in dat vonnis: het op pag. 3 van dat tussenvonnis in de derde regel van boven staande woord “betekening” moet worden gelezen als “betekenis”. 6Het verloop van de procedure 6.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussen partijen in deze zaak op 23 oktober 2019 gewezen tussenvonnis; - de akte houdende opgave verhinderdata tevens houdende opgave getuigen zijdens [eiser] ; - de brief van de advocaat van [eiser] van 30 januari 2020 waarin hij meedeelt dat [eiser] afziet van het op 27 maart 2020 door de rechtbank geagendeerde getuigenverhoor; - de akte houdende uitlating verder procederen zijdens [eiser] waarin om vonnis wordt gevraagd; - het B-16 formulier waarin [gedaagde] om vonnis verzoekt. 6.2 Tenslotte is vonnis bepaald. 7De beoordeling 7.1 In het tussenvonnis van 23 oktober 2019 is [eiser] toegelaten te bewijzen dat partijen in het contract met het woord “koopoptie” hebben bedoeld dat hij, [eiser] , op elk moment kon zeggen “ik wil nu de woning kopen voor € 105.000,- en dat [gedaagde] dan die wil moet volgen”. [eiser] heeft uiteindelijk afgezien van bewijslevering door het horen van getuigen en andere bewijsmiddelen heeft hij niet ingebracht. Daarmee is het feit dat hij ten grondslag heeft gelegd aan zijn vordering, namelijk dat met koopoptie in het contract is bedoeld dat hij, [eiser] , op elk moment kon zeggen “ik wil nu de woning kopen voor € 105.000,- en dat [gedaagde] dan die wil moet volgen”, niet komen vast te staan. Nu het door [eiser] gevorderde nergens anders op berust, moet de vordering worden afgewezen, met veroordeling van [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure. Die kosten worden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 297,- aan griffierecht, waarvan door [gedaagde] als eigen bijdrage is betaald € 81,- en € 3.414,- (2 pnt. tarief V) voor salaris advocaat. 8De beslissing De rechtbank: 8.1 wijst het door [eiser] gevorderde af; 8.2 veroordeelt (MK) [eiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 3.711,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis; 8.3 veroordeelt [eiser] in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis; 8.4 verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2020.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.