vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer: C/03/265761 / HA ZA 19-331 Vonnis bij vervroeging van 18 maart 2020 in de zaak van [eiseres] , wonend te [woonplaats] , eiseres, advocaat mr. R.L.G.J. Eikelboom; tegen: 1 [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2], beide wonend te [woonplaats] , gedaagden, advocaat mr. F.G.H.J. Niemarkt. Eiseres zal hierna [eiseres] worden genoemd en gedaagden zullen gezamenlijk [gedaagden] genoemd worden en afzonderlijk respectievelijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . 1Het verloop van de procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties 1 t/m 16; de conclusie van antwoord met producties 1 en 2; het proces-verbaal van comparitie van 17 februari 2020. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Op 16 februari 2007 is overleden [naam overledene] (verder ook te noemen: erflater). Erflater heeft bij uiterste wilsbeschikking van 16 september 1983 over zijn nalatenschap beschikt. Deze uiterste wilsbeschikking houdt een zogenaamde ouderlijke boedelverdeling in overeenkomstig artikel 1167 oud-BW. 2.2. Erfgenamen van erflater zijn naast zijn echtgenote ( [gedaagde 2] ), zijn zoon ( [gedaagde 1] ) en zijn dochter ( [eiseres] ) – partijen in deze procedure – nog twee andere zonen, te weten [zoon 1] en [zoon 2] . 2.3. [gedaagde 1] dreef samen met zijn vader een agrarisch bedrijf in de vorm van een vennootschap onder firma. 2.4. In het kader van de aangifte erfbelasting is in opdracht van de erven [familienaam] door Arvalis Makelaars B.V. samen met een register-taxateur onroerende zaken bij de Belastingdienst Limburg een taxatierapport opgesteld ter bepaling van de waarde in het economisch verkeer, respectievelijk de waarde in het economisch verkeer bij een agrarische bestemming, van de onderneming van erflater. Het rapport had betrekking op de woning met ondergrond, en de bedrijfsgebouwen met ondergrond van erflater. De overnamesom op basis van waarde in het economische verkeer werd vastgesteld op € 714.011,--, de waarde van het ondernemingsvermogen in het economisch verkeer na correctie voor overname latente belastingschuld op € 676.751,-- en het ondernemingsvermogen op basis van overnamebeding na correctie voor overname latente belastingschuld op € 250.000,--. 2.5. Op 18 november 2015 is in de Staatscourant een Koninklijk Besluit (Besluit van 29 oktober 2015, nr. 2015001849) gepubliceerd, waarbij een aanwijzing tot onteigening van onroerende zaken krachtens de artikelen 72a en 72c van de Onteigeningswet heeft plaatsgevonden. Tot de te onteigenen percelen behoren percelen die eigendom waren van [gedaagde 2] . 2.6. Bij notariële akte van 27 juni 2016 heeft [gedaagde 2] aan [gedaagde 1] 36 percelen in eigendom overgedragen tegen een totale koopsom van € 250.000,--. 2.7. Bij vonnis van 13 juli 2016 heeft de rechtbank de vervroegde onteigening uitgesproken van een achttal percelen, die, naast andere percelen, op 27 juni 2016 door [gedaagde 2] aan [gedaagde 1] zijn overgedragen. 2.8. [gedaagde 1] heeft in het kader van de onteigening een schadeloosstellingsrapport laten opstellen. In dat rapport wordt de waarde van de te onteigenen percelen geschat op € 1.500.000,--. 3Het geschil 3.1. [eiseres] stelt dat de verkoop van de percelen op 27 juni 2016 tegen een totale waarde van € 250.000,-- een paulianeuze rechtshandeling is in de zin van artikel 3:45 BW, nu de toen verkochte percelen aanzienlijk meer waard zijn dan het totaalbedrag waarvoor ze zijn verkocht. Door de verkoop tegen een te lage waarde is het vermogen van [gedaagde 2] volgens [eiseres] zodanig geslonken, dat haar vordering op haar moeder – wegens overbedeling van haar moeder als gevolg van de ouderlijke boedelverdeling in de uiterste wilsbeschikking van de erflater – ter hoogte van de waarde van erfdeel in haar vaders nalatenschap, niet zal kunnen worden voldaan uit het vermogen van [gedaagde 2] . 3.2. [eiseres] begroot haar erfdeel in haar vaders nalatenschap op € 76.481,10. Dat erfdeel is door [eiseres] als volgt berekend: de waarde van het totale vermogen van de ouders [familienaam] bedroeg volgens [eiseres] ten tijde van het overlijden van de erflater € 764.811,-- (= de waarde van het agrarisch bedrijf, € 714.011,--, vermeerderd met de waarde van bezittingen, € 22.800,--, en ten slotte vermeerderd met de waarde van effecten, € 28.800,--). Het deel van erflater daarin bedraagt: € 764.811,-- : 2 = € 382.405,50. Het erfdeel van [eiseres] bedraagt: € 382.405,50 : 5 = € 76.481,10. 3.3. De percelen die [gedaagde 2] onder het mom van bedrijfsoverdracht aan [gedaagde 1] heeft overgedragen moeten volgens [eiseres] worden teruggeleverd aan [gedaagde 2] . Voor zover teruglevering van percelen niet meer mogelijk is, in verband met de uitgesproken onteigening, wordt gevorderd dat de in de plaats van die percelen gekomen percelen en/of toegekende schadeloosstellingen, worden teruggeleverd, respectievelijk terugbetaald aan de deelgenoten in de nalatenschap van erflater. 3.4. Op grond van het vorenstaande vordert [eiseres] dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair: I. voor recht verklaart dat de (totstandkoming van de overeenkomst tot) bedrijfsovername door [gedaagde 1] van [gedaagde 2] alsmede de levering in het kader van die bedrijfsovername bij notariële akte d.d. 27 juni 2016, dienen te worden aangemerkt als vernietigbare, paulianeuze rechtshandelingen in de zin van het bepaalde in artikel 3:45 BW; II. nietig verklaart, althans deze rechtshandelingen vernietigt, te weten de (totstandkoming van de overeenkomst tot) bedrijfsovername tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] alsmede de notariële akte van levering in dat kader d.d. 27 juni 2016, alsmede daardoor ook de op diezelfde datum tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aangegane overeenkomst van geldlening; III. [gedaagden] veroordeelt om binnen een week na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, door middel van een door [eiseres] , althans door de rechtbank, aan te wijzen notaris, hun medewerking te verlenen aan het verlijden van een transportakte bewerkstelligende de (terug-)levering door [gedaagde 1] van alle goederen, die bij akte d.d. 27 juni 2016, aan hem zijn geleverd, geheel onbelast en vrij van beslagen, aan de gezamenlijke deelgenoten in de nalatenschap van de op 16 februari 2007 overleden heer [naam overledene] , erflater, dan wel aan [gedaagde 2] ;alsmede [gedaagden] veroordeelt hun medewerking te verlenen aan de door deze notaris op te maken en te passeren akte van (terug-)levering, alsmede de overschrijving daarvan in het kadaster, met voorts de bepaling dat het transport geschiedt tegen dezelfde koopsom en betalingscondities als vermeld in de notariële akte van 27 juni 2016, althans tegen een door de rechtbank te bepalen bedrag; IV. [gedaagden] tevens veroordeelt, voor zover de overdracht van bepaalde gronden, die onderdeel van de akte van bedrijfsovername d.d. 27 juni 2016 uitmaken, vanwege onteigening niet meer mogelijk is, om binnen één week na betekening van het in deze te wijzen vonnis, door middel van een door [eiseres] , althans door de rechtbank aan te wijzen notaris, hun medewerking te verlenen aan een aanvullende transportakte bewerkstelligende de juridische levering door [gedaagde 1] van de voor de onteigende gronden in de plaats gekomen en/of geruilde gronden, eveneens geheel onbelast en vrij van beslagen, aan de gezamenlijke deelgenoten in de nalatenschap van de op 16 februari 2007 overleden heer [naam overledene] , erflater, dan wel aan [gedaagde 2] ;alsmede [gedaagden] verplicht hun medewerking te verlenen aan de door de deze notaris op te maken en te passeren akte van levering, alsmede de overschrijving daarvan in het kadaster, met de bepaling voorts dat deze juridische overdracht geschiedt om niet, althans tegen een door de rechtbank te bepalen bedrag; V. [gedaagde 1] veroordeelt, voor zover overdracht van bepaalde gronden, die onderdeel van de akte van levering in het kader van de bedrijfsovername d.d. 27 juni 2016 uitmaken, vanwege onteigening niet meer mogelijk is én door [gedaagde 1] ter zake een schadeloosstelling is ontvangen, dan wel nog zal worden ontvangen, om de ontvangen, dan wel nog te ontvangen schadeloosstelling door [gedaagde 1] ter zake die onteigende gronden integraal terug te betalen aan de gezamenlijke deelgenoten in de nalatenschap van de op 16 februari 2007 overleden heer [naam overledene] , erflater, dan wel aan [gedaagde 2] ; VI. bepaalt dat, indien [gedaagden] niet binnen de hiervoor vermelde termijn hun medewerking verlenen aan de hiervoor gevorderde juridische (terug-)levering(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.