RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/700023-19 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 maart 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, wonende te [adresgegevens verdachte] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.M.H. Zuketto en mr. N.C.M.L. Bloebaum, advocaten kantoorhoudende te Maastricht. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 10 en 11 maart 2020. De verdachte en zijn raadslieden zijn telkens ter terechtzitting verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Namens de benadeelde partij [slachtoffer] is mr. C.A. Bouw, advocaat, kantoorhoudende te Amsterdam, telkens ter terechtzitting verschenen. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 11 januari 2017 samen met anderen in een loods aan de Bekkerweg in Heerlen heeft geprobeerd – al dan niet met voorbedachten rade – [slachtoffer] te doden. 3De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met een viertal andere personen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord op [slachtoffer] en acht aldus het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals uiteengezet in zijn schriftelijk requisitoir. De officier van justitie heeft in dit kader naar voren gebracht dat voor het vinden van het antwoord op de vraag wat er in de loods is gebeurd, gezocht moet worden in objectieve onderzoeksbevindingen, in combinatie met verklaringen van personen die zich in de loods bevonden op het moment dat [slachtoffer] werd beschoten. De officier van justitie hecht in dat verband waarde aan de verklaring van [slachtoffer] zelf, maar ook aan die van [getuige 1] en [getuige 2] en dan vooral aan de verklaringen die kort na het voorval zijn afgelegd. Bij de schietpartij in de loods, waarbij [slachtoffer] had kunnen overlijden, waren in totaal een vijftal personen betrokken. Een van deze vijf personen is de verdachte, en dan meer in het bijzonder de persoon die in het dossier wordt aangeduid met de bijnaam ‘ [bijnaam 1] ’. Door deze vijf personen is nauw en bewust samengewerkt. Geen van de vijf personen heeft zich van de schietpartij gedistantieerd en na het voorval zijn de vijf personen gezamenlijk gevlucht. Nu uit het dossier naar voren komt dat de vijf personen naar de loods zijn gekomen vanwege een vermeende diefstal van drugs door [slachtoffer] en omdat naar de uiterlijke verschijningsvorm het schot in de knie volledig geregisseerd lijkt te zijn om [slachtoffer] te immobiliseren, is naar het oordeel van de officier van justitie ook bewezen dat de personen met voorbedachten rade hebben gehandeld. Over het verweer van de verdediging, inhoudende dat de kern van het verwijt – namelijk het door deze verdachte schieten op [slachtoffer] of het medeplegen hiervan – in beslissende mate stoelt op de verklaring van [slachtoffer] en deze getuigenverklaring sole or decisive is, heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat uit meerdere bewijsmiddelen volgt dat in de loods op [slachtoffer] is geschoten. Verschillende getuigen hebben over meerdere schoten verklaard. Ook de forensische bevindingen bewijzen dat [slachtoffer] door meerdere kogels is beschoten. Omdat er sprake is van medeplegen, hoeft niet te worden vastgesteld door wie in de loods op [slachtoffer] is geschoten. Voorts acht de officier van justitie de verklaring van [slachtoffer] niet onbetrouwbaar, omdat deze op onderdelen bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. 3.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft integrale vrijspraak van de verdachte bepleit, wegens het ontbreken van voldoende wettig bewijs, maar in ieder geval ook vanwege het ontbreken van overtuigend bewijs. De verdediging heeft in dit verband de vraag opgeworpen welke bewijsmiddelen rechtstreeks iets redengevends zeggen over de kern van het verwijt, namelijk het schieten op [slachtoffer] door de verdachte. Naar het oordeel van de verdediging is dat enkel de verklaring van [slachtoffer] zelf. Deze dient echter uitgesloten te worden van het bewijs, en wel om de volgende twee redenen. Ten eerste heeft de verdediging geen effectieve en behoorlijke ondervragingsmogelijkheid gekregen om [slachtoffer] te kunnen horen. Na ruim een jaar meerdere pogingen te hebben ondernomen, is er voor de verdediging géén enkele mogelijkheid geweest tot ondervraging van deze getuige. Er is geen goede reden voor het niet kunnen ondervragen van [slachtoffer] en daarbij is het bewijs van deze niet door de verdediging gehoorde getuige het enige bewijs in de strafzaak tegen de verdachte. Daarnaast zijn er onvoldoende counterbalancing factors aan de verdediging beschikbaar gesteld. Het gebruik van deze verklaring voor het bewijs zou dientengevolge strijd opleveren met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Ten tweede zijn de verklaringen van [slachtoffer] die hij bij de politie heeft afgelegd op essentiële onderdelen innerlijk en onderling tegenstrijdig en strijdig met objectieve of forensische bevindingen, waardoor deze volgens de verdediging niet als betrouwbaar en geloofwaardig kunnen worden gezien. Dat maakt ook dat deze verklaringen ook om die reden niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. De verklaringen van de getuige [getuige 1] zijn eveneens niet betrouwbaar te achten, maar als dan toch gekeken wordt naar de inhoud van deze verklaringen, dan wordt door [getuige 1] geen wapen in de handen van de verdachte geplaatst. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat uit het procesdossier niet kan worden opgemaakt dat er voor wat betreft het tenlastegelegde schieten op [slachtoffer] sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten. Mocht de rechtbank bovenstaande verweren verwerpen, dan kan zij alsnog niet tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit komen, zoals door de verdediging uiteengezet in de overgelegde pleitnota. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Inleiding Op 11 januari 2017, kort na 21.00 uur, komen via het alarmnummer meerdere meldingen binnen van een schietpartij op de Weggebekker. De Weggebekker is een klein industrieterrein in Heerlen. De politie komt omstreeks 21.15 uur ter plaatse. In een aldaar gelegen loods wordt een manspersoon, naar later blijkt [slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer] ), aangetroffen. Hij ligt op de grond en [getuige 1] (hierna te noemen: [getuige 1] ), zijnde de eigenaar van het in de loods gevestigde garagebedrijf, zit naast hem en drukt een hoofdsteun van een autostoel tegen het linker bovenbeen van [slachtoffer] . Verder wordt niemand in de loods aangetroffen. [slachtoffer] wordt vervolgens met meerdere schotverwondingen naar het ziekenhuis overgebracht. Door de politie wordt een onderzoek naar de schietpartij ingesteld. De aangifte van [slachtoffer] heeft op 12 januari 2017 aangifte gedaan van een poging doodslag c.q. een poging moord. Hij heeft verklaard dat hij op 11 januari 2017 tussen 20.30 en 21.00 uur samen met [betrokkene 1] naar een loods aan de Weggebekker is gegaan. [slachtoffer] dacht daar geld te kunnen gaan verdienen aan een drugsdeal. Toen [slachtoffer] de loods binnenging, zag hij drie mannen staan. Een van deze mannen vroeg aan [slachtoffer] : ‘Heb je blok?’, waarop [slachtoffer] zei dat hij geen blok of drugs had, maar de man wel kon voorstellen aan mensen die dat wel hadden. [slachtoffer] hoorde opeens een schot, waarna hij zijn rechterbeen niet meer voelde. Hij viel op de grond. [slachtoffer] zag dat de mannen opeens wapens hadden. Hij werd geslagen en er werd tegen hem gezegd dat hij drugs zou hebben gestolen. Opeens kwamen er nog twee mannen tevoorschijn, ook allebei met een wapen. Een van deze twee mannen kent [slachtoffer] onder de bijnaam [bijnaam 2] . [slachtoffer] geeft tijdens de aangifte een signalement van deze persoon, onder meer hieruit bestaande dat hij [naam] heet, uit [S.] komt en dat hij tijdens de schietpartij witte uitslag op de linkerzijde van zijn kin had. De andere persoon kent [slachtoffer] onder de bijnaam [bijnaam 1] , hij noemt hem [bijnaam 3] . Zijn echte naam kent [slachtoffer] niet. [bijnaam 1] komt uit [M.] , is ongeveer 27 jaar oud, heeft een opvallend dik hoofd, kort Arabisch haar met slag, is een Arabier en heeft een korte zwarte baard. [bijnaam 2] en [bijnaam 1] schoten ook meerdere keren in de richting van de verdachte. Een van de mannen riep opeens: ‘flikken, flikken, flikken’, waardoor de mannen de loods uitvluchten. [bijnaam 1] kwam op dat moment echter terug. Tot dat moment was [slachtoffer] één keer in zijn rechterbeen geraakt. [bijnaam 1] kwam op hem afgelopen en [slachtoffer] hoorde ‘bam bam bam’. Hij werd door [bijnaam 1] in zijn rechterbeen en in zijn linkerbeen geschoten. [bijnaam 1] schoot nog een keer op zijn hoofd. [slachtoffer] weerde zich af met zijn hand, maar voelde dat hij in zijn gezicht werd geraakt. Hierna rende ook [bijnaam 1] de loods uit. De verklaringen van getuigen [getuige 1] heeft – kort gezegd – verklaard dat hij die avond aan het werk was in zijn loods toen drie mannen binnenkwamen. Dit was iets na 21.00 uur. Daarna kwam [slachtoffer] binnen. [getuige 1] zag dat twee van de drie mannen een wapen trokken. Zodra [getuige 1] dit zag, wilde hij de loods verlaten. Bij het verlaten van de loods kwam [getuige 1] nog een ander manspersoon tegen. Deze persoon had een wapen in zijn hand en duwde [getuige 1] tegen de deurstijl aan. Toen de mannen in de loods iets tegen deze man schreeuwden, liet hij [getuige 1] los en ging de loods verder binnen. [getuige 1] rende vervolgens naar buiten. [getuige 1] heeft een signalement van deze persoon gegeven. Zo heeft hij verklaard dat deze persoon een soort koortslip had, een wond die roodkleurig was opgezet, nabij zijn lip en richting zijn kin. [getuige 2] was die avond ook in de garage van [getuige 1] aan het werk. Hij heeft verklaard dat eerst drie mannen de loods binnenkwamen. Daarna kwam er nog een andere man binnen. Het gesprek tussen deze mannen liep al snel uit de hand. Onder het naar buiten lopen hoorde [getuige 2] een schot. Bij het naar buiten gaan kwam [getuige 2] nog twee best lange jongens tegen, dit waren volgens [getuige 2] buitenlandse types, die uitzagen als Marokkaans. [betrokkene 2] , zijnde de broer van aangever [slachtoffer] , is door de politie gehoord over de identiteit van de persoon die [bijnaam 1] wordt genoemd. Door [betrokkene 2] is vervolgens meer informatie over de identiteit van deze [bijnaam 1] aan de politie verstrekt, waardoor de politie op het spoor van de verdachte is gekomen. Aan [betrokkene 2] is vervolgens door de politie een foto getoond van de verdachte. [betrokkene 2] heeft op deze foto de verdachte herkend als de persoon die [bijnaam 1] wordt genoemd. De verdachte De verdachte is vervolgens op 5 februari 2019 door de politie aangehouden. Bij de politie heeft de verdachte onder meer verklaard: ‘Ik heb wel wat gezien, maar ik kan niet zeggen wat ik heb gezien, want die mensen komen terug naar mij’. Het verweer van de verdediging De verdediging heeft – kort gezegd – aangevoerd dat de kern van het verwijt – namelijk het schieten op [slachtoffer] door de verdachte of het medeplegen hiervan – in beslissende mate stoelt op de verklaring(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.