RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer: 03/720656-13 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 maart 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970 , wonende te [adresgegevens verdachte] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. L.P.H. Hameleers, advocaat kantoorhoudende te Roermond. 1Het onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 maart 2020. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: feit 1: al dan niet samen met anderen een loader en/of graafmachine en/of graveermachine en/of vrachtwagen heeft gestolen; subsidiair: dat hij deze al dan niet samen met anderen heeft geheeld feit 2: al dan niet samen met anderen een grasmaaier en/of lasapparaat heeft gestolen; subsidiair: dat hij deze al dan niet samen met anderen heeft geheeld; feit 3: al dan niet samen met anderen lasapparaten en/of grondboor en/of fietsen en/of groefmachine heeft gestolen; subsidiair: dat hij deze al dan niet samen met anderen heeft geheeld; feit 4: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. 3De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd, zoals weergegeven in de door hem overgelegde afzonderlijke pleitnota, dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging wegens een extreme overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). De officier van justitie stelt zich, onder verwijzing naar de toepasselijke jurisprudentie van de Hoge Raad, op het standpunt dat de overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid kan leiden. Zij is van oordeel dat deze overschrijding behoort te worden verdisconteerd in de strafmaat. De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat de redelijke termijn, zoals hiervoor bedoeld, in deze zaak is aangevangen op 28 januari 2014. De verdachte is toen aangehouden door de Nederlandse politie. Voor de verdachte moet het vanaf dat moment duidelijk zijn geweest dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. Daarmee staat buiten twijfel dat in deze zaak de redelijke termijn inmiddels ruimschoots is overschreden. Met de officier van justitie is echter ook de rechtbank van oordeel dat een overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen (Hoge Raad 17 juni 2008, LJN: BD2578). Het niet-ontvankelijkheidsverweer van de raadsvrouw dient dus te worden verworpen. De rechtbank zal de consequenties van de overschrijding van de redelijke termijn hierna bij de strafmaatoverwegingen bespreken. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte bij gebrek aan bewijs dient te worden vrijgesproken van de feiten 1 primair, 2 primair en feit 3 primair en feit 4. Zij acht feit 1 subsidiair, feit 2 subsidiair en feit 3 subsidiair wettig en overtuigend bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft betoogd dat de verdachte bij gebrek aan bewijs dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten, als verwoord in de pleitnota. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Feit 4: Onder feit 4 is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij een criminele organisatie vormde met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] . Deze organisatie hield zich volgens het openbaar ministerie bezig met diefstallen en/of (gewoonte)heling. Bij de beoordeling van de aan de verdachte verweten deelname aan een criminele organisatie stelt de rechtbank het volgende voorop. Het deelnemen aan een criminele organisatie is in artikel 140 Sr strafbaar gesteld als deelneming aan een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Onder het bestanddeel ‘organisatie’ moet worden verstaan: een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Voor bewijs van het bestanddeel ‘oogmerk’ zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Het gaat bij oogmerk niet om de deelnemers, maar om de organisatie. Er kan sprake zijn van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot, of rechtstreeks verband houden met, de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk of de organisatie ondersteunt. In het bestanddeel deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 lid 1 Sr ligt tevens het opzet van de verdachte besloten. Redelijke wetsuitleg brengt volgens de Hoge Raad mee dat voor "deelneming" voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat hij wetenschap heeft van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd of dat zijn opzet is gericht op het plegen van die misdrijven. De verdachte hoeft niet bij meerdere misdrijven van de organisatie betrokken te zijn geweest. Het gaat er immers niet om of zijn opzet was gericht op het plegen van (meer) misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de organisatie gepleegde) misdrijven, maar of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Algemene overweging De rechtbank stelt voorop dat zij van oordeel is, in tegenstelling tot de verdediging, dat de verklaringen van [medeverdachte 3] betrouwbaar zijn en voor het bewijs gebruikt mogen worden. Hoewel de rechtbank de indruk heeft dat [medeverdachte 3] niet volledig het achterste van zijn tong heeft laten zien, is datgene wat hij verklaart gedetailleerd en wordt op essentiële onderdelen ondersteund door andere bewijsmiddelen, waaronder de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] als ook de peilbakengegevens van de auto in gebruik bij [medeverdachte 4] . De verdediging heeft daarentegen niet concreet aangegeven waarom de verklaringen van [medeverdachte 3] onbetrouwbaar zouden zijn. Gestructureerd karakter De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] bevat een uitgebreide beschrijving over een dadergroep die zich bezig houdt met diefstallen en heling van (landbouw)voertuigen. De vooraf zorgvuldig geselecteerde en uitgezochte voertuigen werden door middel van een (paarden)vrachtwagen gestolen. Bij het stelen werd het GPS-systeem uit het gestolen voertuig verwijderd en vervolgens werd de vrachtwagen met daarin het gestolen voertuig “koud gezet“ om te kijken of het voertuig niet alsnog traceerbaar was voor de eigenaar en/of de politie. Enkele dagen daarna werd het gestolen voertuig dan opgehaald. Verder heeft [medeverdachte 3] verklaard dat de dadergroep zich ook bediende van andere personen, vaak junks, die dan werden betaald om voertuigen te stelen. De (landbouw)voertuigen werden volgens een bepaalde werkwijze omgekat (modus operandi), waarbij een enkel nummer van het Voertuig Identificatie Nummer (hierna: VIN) werd gewijzigd in een zodanig nummer dat paste op een ander, soortgelijk voertuig. Als een potentiele koper het VIN zou checken, zou hij niet kunnen achterhalen dat het vals was omdat het toebehoorde aan een bestaand voertuig van hetzelfde type. Uit onderzoek is verder gebleken dat [medeverdachte 3] gestolen voertuigen verkocht aan [naam 1] , afkomstig uit Oostenrijk. Uit Oostenrijks onderzoek is gebleken dat van de verkochte voertuigen door [medeverdachte 3] aan [naam 1] de meeste voertuigen op deze wijze waren omgekat. [medeverdachte 3] verklaart dat naast zijn eigen loods in Maaseik, door de organisatie gebruik gemaakt werd van diverse loodsen in de omgeving van Roermond. Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 2] van diverse loodsen gebruik maakte, waaronder een loods aan de [adres 1] te Roermond en een loods aan [adres 2] te Roggel. Bij doorzoeking werden in deze loodsen alsmede in de woningen van verdachten diverse goederen, waaronder (landbouw)voertuigen aangetroffen die van diefstal afkomstig waren. Er werden ook goederen aangetroffen die bruikbaar waren voor het plegen van diefstallen en/of het omkatten van voertuigen, waaronder een graveermachine, slotentrekker en een popnageltang. In de loods op de [adres 1] is een (paarden)vrachtwagen aangetroffen, waarvan is gebleken dat deze van diefstal afkomstig was. Tevens werden in die loods alsmede in de woning van [medeverdachte 2] veel sleutels aangetroffen, waarvan is vastgesteld dat deze toebehoren aan landbouwvoertuigen. [medeverdachte 3] verklaart dat de sleutels gebruikt werden om te proberen de voertuigen te starten. Getuige [getuige 1] verklaart dat [medeverdachte 2] tegen hem verteld heeft dat hij en [medeverdachte 1] meerdere loodsen hebben en ze veel naar Oostenrijk reden. Er stonden verschillende kleine en grote tractoren in de loods aan de [adres 1] , waaronder een laadschop waarvan de ruit kapot was. Ze reden vaker met een veewagen die omgebouwd was als paardentrailer. [medeverdachte 1] kwam vaker in de loods aan de [adres 1] landbouwvoertuigen stallen. Getuige [getuige 2] ziet de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] veelvuldig samen bij de loods aan de [adres 1] . Hij verklaart dat de voertuigen veelvuldig gepoetst werden en hij heeft gezien dat een mannetje met een bril ( [medeverdachte 4] draagt een bril) een nummer aan het wegfrezen was. Diverse keren heeft hij gezien dat de vrachtwagen werd ingeladen met (landbouw)voertuigen. Bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] werden spullen aangetroffen voor het vervalsen van VIN-nummers, waaronder een graveermachines, blanco ID-plaatjes en slagnummers. De graveermachine is kort voor de inval bij [medeverdachte 3] opgehaald door [medeverdachte 1] , omdat [medeverdachte 1] naar zeggen van [medeverdachte 3] de loods “clean” wilde vegen. Er werd in de auto van [medeverdachte 1] een camera aangetroffen waarop diverse foto’s van gestolen (landbouw)voertuigen stonden. Op de achtergrond van deze foto’s zijn de loodsen aan de [adres 1] , [adres 2] en de loods van [medeverdachte 3] in Maaseik te zien. Uit de verklaring van [medeverdachte 3] volgt dat [medeverdachte 4] degene is die op verkenning gaat om de voertuigen te stelen. [medeverdachte 4] heeft ook de VIN-nummers / chassisnummers van de voertuigen veranderd voordat ze onder andere naar [medeverdachte 3] werden gebracht. Uit de peilbakengegevens van de personenauto van [medeverdachte 4] blijkt dat deze zowel op [adres 2] , [adres 1] als op [adres 3] kwam. Deze locaties werden aldus bezocht en gebruikt door alle verdachten. Middels observatie wordt gezien dat [medeverdachte 2] bij [medeverdachte 4] een (landbouw)voertuig aflevert en zij vaker met elkaar op pad gaan. [medeverdachte 3] verklaart dat [medeverdachte 1] degene is die aan hem (landbouw)voertuigen leverde om deze te verkopen. Volgens [medeverdachte 3] is [medeverdachte 1] de topman in de organisatie. Hij is degene die alles bepaalt, transporten regelt, contact onderhoudt met [medeverdachte 3] , voertuigen levert. Het is medeverdachte [medeverdachte 4] , aldus [medeverdachte 3] , die voertuigen uitzoekt, omkat en geld ophaalt en verdachte [medeverdachte 2] faciliteert de locaties. [medeverdachte 3] verklaart dat hem door de organisatie een vals ID werd aangeleverd zodat overeenkomsten vervalst konden worden. Het ging daarbij om het verhullen van de herkomst van de voertuigen. De voertuigen werden voornamelijk aan het buitenland verkocht. [naam 1] heeft verklaard dat hij ongeveer 27 voertuigen van [medeverdachte 3] heeft gekocht. Uit peilbakengegevens is vast komen te staan dat [medeverdachte 4] in Oostenrijk is geweest om geld op te halen bij [naam 1] . [naam 1] verklaart hierover dat hij deze man eerder heeft gezien bij [medeverdachte 3] thuis en dat de persoon reed in een personenauto waarvan het kenteken overeenkomt met dat van [medeverdachte 4] . Oogmerk: misdrijven Het oogmerk van de organisatie is onmiskenbaar (landbouw)voertuigcriminaliteit in de brede zin van het woord geweest. De verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] hadden als deelnemers aan de organisatie een gemeenschappelijk doel, te weten het stelen of doen stelen en de verkoop van gestolen (landbouw)voertuigen aan verschillende afnemers. Dit laatste blijkt vooral uit het groot aantal helingen die naar voren is gekomen, waaraan door de verdachten in dit onderzoek een bijdrage is geleverd en waarvan er meerdere aan de verdachten ten laste zijn gelegd. In de loodsen en woningen van de verdachten zijn voorts voorwerpen aangetroffen die geschikt of bestemd zijn voor de diefstal dan wel omkatting van (landbouw)voertuigen en daarmee verband houdende activiteiten. Het oogmerk blijkt ook uit de inhoud van de voor het bewijs gebezigde verklaringen. Met name [medeverdachte 3] heeft gedetailleerd verklaard over de wijze waarop te werk werd gegaan en de rol die een ieder binnen de organisatie vervulde. De rechtbank is van oordeel dat het doel van de criminele organisatie ook gericht was op het plegen of doen plegen van diefstallen. [medeverdachte 3] verklaart dat [medeverdachte 1] zelf diefstallen pleegde of liet plegen. Over [medeverdachte 4] verklaart [medeverdachte 3] dat [medeverdachte 4] op zoek ging naar te stelen (landbouw)voertuigen. Er zijn vele sleutels aangetroffen van landbouwvoertuigen, die bij diefstal geprobeerd konden worden. Uit peilbakengegevens blijkt dat [medeverdachte 4] enkele malen, soms midden in de nacht, getraceerd is in de buurt van een locatie waar vlak daarna een diefstal van een landbouwvoertuig plaatsvindt. Van een aantal aangetroffen voertuigen aangetoond dat ze al enkele dagen na de diefstal in bezit waren van de organisatie. Het onderzoek heeft geen enkele aanwijzing opgeleverd dat de organisatie de voertuigen aankocht. Aan de verkoop van gestolen voertuigen, gaat de diefstal van het voertuig noodzakelijkerwijs vooraf. Hoewel de rolverdeling tussen de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] en hun aandeel in de verschillende activiteiten van de criminele organisatie, de diefstallen en de helingen, niet precies is komen vast te staan, staat wel vast dat de door ieder van hen ontplooide activiteiten onlosmakelijk met elkaar verbonden waren. Zonder de diefstal, geen heling, zonder het omkatten of veranderen van VIN-nummers geen doorverkoop aan derden en zonder loodsen geen plek waar deze activiteiten onopgemerkt konden plaatsvinden. Dat de verdachten daarmee van elkaar te onderscheiden rollen binnen de organisatie vervulden en “slechts” bij specifieke taken betrokken waren, maakt daarom niet dat zij niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het geheel van de activiteiten van de criminele organisatie als zodanig. Duurzaamheid De duurzaamheid is gelegen in het gegeven dat gedurende een periode van aanzienlijke duur tientallen helingen aan de groep van verdachten in dit onderzoek zijn toe te schrijven. Deelname De verdachte heeft binnen de groep, die bestond uit [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] en mogelijk nog andere, onbekend gebleven personen, een actieve rol gespeeld. De ten aanzien van hem bewezen verklaarde feiten zijn alle binnen de structuur van de groepering gepleegd. De groep voldoet aan alle kenmerken van een criminele organisatie. De rechtbank overweegt dat uit de nog te bespreken bewijsmiddelen bij de overige aan verdachte ten laste gelegde feiten is komen vast te staan dat alle aangetroffen (landbouw)voertuigen en goederen bij zowel [naam 1] , als op de locaties Maaseik (België), [adres 1] , [adres 2] en de woning van [medeverdachte 2] gestolen goederen betroffen. De locaties behoorden toe aan, althans werden gebruikt door de criminele organisatie. De voertuigen en goederen werden aangetroffen in locaties waar de verdachten beschikkingsmacht over hadden en waar zij zich regelmatig bevonden. De rechtbank is van oordeel dat van al die gestolen voertuigen en voorwerpen mag worden aangenomen dat verdachte ten tijde van de verkrijging daarvan wetenschap had van de criminele herkomst ervan. De rechtbank leidt dit af uit het feit dat er actief gezocht werd naar te stelen voertuigen, de gestolen voertuigen tijdelijk “koud werden zetten” om te bezien of het veilig was deze mee te nemen naar een van de loodsen en het omkatten van de voertuigen. Uit de verklaring van [medeverdachte 3] blijkt dat alle verdachten hierbij een rol speelden. De rechtbank concludeert dat de verdachte wetenschap had van het criminele oogmerk van de organisatie, onder andere het leveren, omkatten en verkopen van gestolen (landbouw)voertuigen. De verdachte heeft een bijdrage geleverd aan de organisatie en deze bijdrage heeft in aanzienlijke mate het oogmerk van de organisatie verwezenlijkt. Dit alles in onderling verband bezien, brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die het plegen van misdrijven, te weten diefstallen en heling tot oogmerk heeft, als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Gelet op het voorgaande kan wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Feit 1: Primair Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken. Subsidiair: Naar aanleiding van het Nederlandse en Belgische onderzoek wordt op 9 juli 2013 een doorzoeking gedaan in de loods aan de [adres 1] te Roermond. Daar worden de goederen op de tenlastelegging onder de gedachtestreepjes nr. 1 tot en met 4 in beslag genomen. Nr. 1: Het betreft een loader van het merk Giant. Op 13 juni 2013 wordt door [aangever 1] aangifte gedaan van diefstal van dit voertuig. Deze is in de nacht van 12 juni op 13 juni gestolen. Uit technisch onderzoek is door de politie vastgesteld dat het VIN nummer vervalst is. Nr. 2: Het betreft een graafmachine van het merk Schäffer. Op 26 juni wordt door [aangever 2] aangifte gedaan in Duitsland van dit voertuig. Deze is in de nacht van 25 juni op 26 juni gestolen. Uit technisch onderzoek wordt door de politie vastgesteld dat het VIN nummer vervalst is en het het voertuig van aangever betreft. Nr. 3: Het betreft een graveermachine van het merk Flymarker. Op 23 november 2012 wordt de flymarker bij [aangever 3] gestolen. Zij doen hiervan aangifte. Het serienummer van de graveermachine komt overeen met het serienummer dat werd opgegeven bij de aangifte door de [aangever 3] . Nr. 4: Het betreft een vrachtwagen van het merk Mercedes Benz. Op 19 april 2011 wordt door [aangever 4] aangifte gedaan van diefstal van dit voertuig. Uit technisch onderzoek wordt door de politie vastgesteld dat het VIN vervalst is en het voertuig aan aangever toebehoort. De loods is eigendom van [naam 2] , zij en haar partner [getuige 2] worden gehoord als getuigen. Getuige [naam 2] verklaart dat [getuige 1] en verdachte [medeverdachte 2] gebruiker zijn van de loods. Getuige [getuige 2] verklaart dat zowel [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] vaak samen bij de loods waren. Ze hielden zich bezig met het poetsen van de voertuigen en [medeverdachte 4] heeft hij ook wel eens een nummer zien wegslijpen. De loods stond altijd vol met diverse (landbouw)voertuigen en werden af en aan gebracht en opgehaald. [getuige 1] wordt ook als getuige gehoord en verklaart dat in de loods verschillende oprijplaten, laadschoppen, grote en kleine tractoren stonden. Hij verklaart dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] vaker bij de loods aanwezig waren. Wetenschap Uit de deelname aan de criminele organisatie en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] , zoals hierboven omschreven, volgt dat de verdachte zich op grote schaal bezig hield met heling. Van de tenlastegelegde goederen aangetroffen op de locatie [adres 1] is bewezen dat deze gestolen zijn. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte wetenschap heeft gehad dat de goederen van diefstal afkomstig waren. Dit geldt tevens voor de goederen die de verkoop en het omkatten van voertuigen mogelijk maakten. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Feit 2 Primair Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken. Subsidiair Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte aan de [adres 4] te Roermond, zijn de goederen op de tenlastelegging onder de gedachtestreepjes nr. 1 en nr. 2 in beslag genomen. Nr. 1: het betreft een zitmaaier van het merk Husqvarna. Op 1 juli 2013 wordt door [aangever 5] aangifte gedaan van diefstal van deze zitmaaier, die is gestolen op 24 juni 2013. Uit onderzoek is gebleken dat de zitmaaier van diefstal afkomstig is. Nr. 2: het betreft een lasapparaat van het merk Tico. Op 15 juni 2013 wordt door [aangever 6] aangifte gedaan van diefstal van dit apparaat, dat op 30 mei 2013 is gestolen. De politie heeft vastgesteld aan de hand van het serienummer dat dit overeenkomt met het lasapparaat van aangever. Door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte de herkomst van de zitmaaier op de website stopheling.nl heeft gecontroleerd alvorens hij deze kocht. Dat op de zitmaaier geen identiteitssticker meer zit, heeft een voor de hand liggende verklaring; de verdachte heeft bij het schoonmaken van de grasmaaier de identiteitssticker eraf gespoten. De rechtbank is van oordeel dat het verhaal van de verdachte niet geloofwaardig is, nu uit door de politie ingewonnen informatie is gebleken dat het per ongeluk afspuiten van deze sticker vrijwel onmogelijk is. Voorts is het niet onmogelijk dat een gestolen voertuig niet wordt vermeld op de genoemde website. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. De rechtbank is van oordeel dat uit de deelname van verdachte aan de criminele organisatie die mede tot doel had het helen van gestolen spullen, mag worden afgeleid dat de verdachte wist dat de in zijn woning aangetroffen goederen van diefstal afkomstig waren. Daarbij komt dat die goederen binnen het oogmerk van de criminele organisatie vielen alsmede heel kort na de diefstal al bij verdachte aangetroffen worden. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van deze goederen. Feit 3 Primair Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken. Subsidiair Bij de doorzoeking van de loods aan [adres 2] te Roggel, zijn de goederen op de tenlastelegging onder de gedachtestreepjes nr. 1 tot en met nr. 6 in beslag genomen. Van heling van de onder de gedachtestreepjes nr. 4 en nr. 5 genoemde goederen zal de rechtbank de verdachte vrijspreken. Deze goederen vallen buiten het vastgestelde oogmerk van de criminele organisatie en bovendien kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte op het moment van verwerving of voorhanden krijgen wetenschap van de herkomst van deze goederen had. Nr. 1: dit betreft een lasapparaat van het merk Iwetec en een compressor van het merk Roda. Op 1 juli 2013 wordt door [aangever 7] aangifte gedaan van diefstal van beide goederen, die zijn gestolen op 29 juni 2013. Door de politie werd vastgesteld dat beide goederen toebehoorde aan aangever. Nr. 2: dit betreft een lasapparaat van het merk Jura. Op 28 mei 2013 is aangifte gedaan door [aangever 8] van de diefstal van dit lasapparaat, dat is gestolen op 22 mei 2013. Bij de inbeslagname van het lasapparaat bleek aan de zijkant een gele sticker te zitten van [bedrijf 1] uit Heythuysen. Bij het lasapparaat werd ook een factuur aangetroffen van [bedrijf 1] aan [aangever 8] , aangever. Nr. 3: het betreffen een trilmachine van het merk Weber, een hoge drukreiniger van het merk Stihl en een grondboor van het merk Stihl, Op 5 juli 2013 werd door [aangever 9] aangifte gedaan van diefstal van deze goederen, die op 4 juli gestolen zijn. Op alle drie de goederen zat een sticker met de tekst ‘ [naam bedrijf] ’. Nr. 6: het betreft een grondboor van het merk Rigid. Op 17 augustus 2011 werd door [aangever 10] namens [bedrijf 2] aangifte gedaan van deze grondboor, die in de nacht van 16 augustus op 17 augustus gestolen is. Aan de hand van het ingegraveerde [kenmerk bedrijf] kon worden vastgesteld dat de grondboor toebehoort aan [bedrijf 2] . De verdachte had de loods op [adres 2] in gebruik. Ter terechtzitting heeft hij dit bevestigt. Uit de peilbakengegevens van de personenauto die toebehoort aan [medeverdachte 4] blijkt dat de auto veelvuldig bij [adres 2] te kwam. De rechtbank is van oordeel dat uit de deelname van verdachte aan de criminele organisatie die mede tot doel had het helen van gestolen spullen, mag worden afgeleid dat de verdachte wist dat de in de loods aangetroffen goederen van diefstal afkomstig waren. Daarbij komt dat het huren van die loods en de daarin aangetroffen voorwerpen binnen het oogmerk van de criminele organisatie vielen en er geen ander gebruik van die loods aannemelijk is geworden. Daarmee is bewezen dat de verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte 4] schuldig heeft gemaakt aan opzetheling. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte 1. hij in de periode van 18 april 2011 tot en met 9 juli 2013, in de gemeente Roermond, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, op na te melden tijdstippen na te melden goederen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl verdachte en zijn mededaders ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die goederen wisten dat het door misdrijf verkregen goederen betrof, te weten - in de periode van 12 juni 2013 tot en met 9 juli 2013 een loader merk Giant en - in de periode van 25 juni 2013 tot en met 9 juli 2013 een graafmachine, merk Schäffer en - in de periode van 23 november 2012 tot en met 9 juli 2013 een graveermachine, merk Flymarker en - in de periode van 18 april 2011 tot en met 9 juli 2013 een vrachtauto gekentekend [kenteken] ; 2. hij in de periode van 30 mei 2013 tot en met 10 juli 2013, in de gemeente Roermond, in elk geval in Nederland, op na te melden tijdstippen na te melden goederen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl verdachte ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof, te weten - in of omstreeks de periode van 24 juni 2013 tot en met 10 juli 2013 een grasmaaier merk Husqvarna en - in of omstreeks de periode van 30 mei 2013 tot en met 10 juli 2013 een lasapparaat merk Tico; 3. hij in of omstreeks de periode van 3 oktober 2010 tot en met 10 juli 2013 te Roggel, in elk geval in de gemeente Leudal, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op na te melden tijdstippen na te melden goederen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl verdachte en/of zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.