RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 7793368 CV EXPL 19-3779 Vonnis van de kantonrechter van 22 juli 2020 in de zaak van: de vennootschap onder firma [handelsnaam 1] h.o.d.n. [handelsnaam 2] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres, gemachtigde mr. R.J.V.M. Batta, tegen: [gedaagde] , wonend [adres] , [woonplaats] , [gemeente] , gedaagde, gemachtigde mr. J.P.H.J. Hermans. Partijen zullen hierna [handelsnaam 2] en [gedaagde] worden genoemd. De kantonrechter die de vorige vonnissen in dit geschil heeft gewezen, is langdurig afwezig, zodat dit vonnis door een andere kantonrechter wordt gewezen. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 13 mei 2020 de akte van [gedaagde] . 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.
- De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 18 maart 2020 geoordeeld dat de hoofdvordering van [handelsnaam 2] moet worden toegewezen. [handelsnaam 2] heeft naar aanleiding van het tussenvonnis van 13 mei 2020 haar eis verminderd. Zij vordert niet meer de contractuele rente, maar enkel de wettelijke rente. Die zal worden afgewezen. [handelsnaam 2] heeft in haar algemene voorwaarden bepaald wat de schadevergoeding is. Die contractueel bepaalde schadevergoeding is door de kantonrechter in een eerder vonnis als onredelijk bezwarend geoordeeld. Daarmee bestaat geen basis meer voor de schadevergoeding. Het nu, na tussenvonnis waarin is geoordeeld dat de contractuele bepaling onredelijk bezwarend is, toepassen van de wettelijke schadevergoedingsregels zou met zich brengen dat [handelsnaam 2] haar algemene voorwaarden niet hoeft aan te passen. Indien de tegenpartij (of kantonrechter) niet struikelt over de onredelijk bezwarende schadevergoedingsbepaling, zal de te hoge schadevergoeding worden toegewezen/betaald. Indien wel iemand over die bepaling struikelt, zou dit niet erg zijn voor [handelsnaam 2] gelet op het vangnet van de wettelijke schadevergoeding van art. 6:119 BW. Dit is een uit het oogpunt van consumentenbescherming niet acceptabele gang van zaken. De bij gewijzigde eis gevorderde schadevergoeding wordt dan ook afgewezen (vergelijk HvJ EU 7 augustus 2018, ECLI:EU:C:2018:643). Wat de buitengerechtelijke incassokosten betreft heeft de kantonrechter bij tussenvonnis van 13 mei 2020 [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om zich daarover uit te laten. [gedaagde] heeft zich ter zake bij akte gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter. Gelet hierop en op het in het tussenvonnis van 13 mei 2020 in r.o. 2.3 t/m 2.6 overwogene liggen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten eveneens voor toewijzing gereed. 2.
- [gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [handelsnaam 2] worden begroot op: dagvaarding € 83,52 griffierecht 486,00 salaris gemachtigde 420,00 (2 x tarief € 210,00) totaal € 989,
- 3De beslissing De kantonrechter 3.
- veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [handelsnaam 2] te betalen een bedrag van € 3.675,36, 3.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [handelsnaam 2] gevallen en tot op heden begroot op € 989,52, 3.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 3.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken op 22 juli
- type: YT