RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Burgerlijk recht Zaaknummer: 8613225 CV EXPL 20-3068 Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 20 juli 2020 in de zaak van 1de vennootschap onder firma [bedrijf] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,
- [eiser],
- [eiseres], beiden wonend te [woonplaats 1] , eisers, gemachtigde mr. S.G.J. Habets, tegen [gedaagde] , wonend aan de [adres] , [woonplaats 2] , gedaagde, gemachtigde mr. T.J. Wittendorp. Partijen zullen hierna (eisers tezamen en in enkelvoud) [eisers] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties 1 tot en met 14 de akte vermeerdering van eis met producties 17 tot en met 19 de aanvulling op de eerder ingediende vermeerdering van eis de op 10 juli 2020 op voorhand door [gedaagde] toegezonden producties 1 tot en met 10 de op 13 juli 2020 door [eisers] toegezonden aanvullende productie 20 de mondelinge behandeling van 14 juli 2020 met de pleitaantekeningen van mr. Wittendorp. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- [gedaagde] is op 15 juli 2019 in dienst getreden bij [eisers] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van één jaar, derhalve geëindigd op 15 juli
- 2.
- Voorts huurt [gedaagde] vanaf 1 september 2019 van [eisers] de woning, staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats 2] , tegen een bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs van € 675,00 per maand exclusief water, gas, licht en servicekosten. 2.
- Bij vonnis van 23 maart 2020 met zaaknummer 8341976 CV EXPL 20-841 heeft de kantonrechter te Maastricht [eisers] veroordeeld tot betaling van het (achterstallig) loon en de (achterstallige) vakantiebijslag, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, alsmede tot het verstrekken van de jaaropgave 2019 en deugdelijke bruto-netto specificaties van de te betalen loonbedragen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten. 2.
- Bij vonnis van 23 maart 2020 met zaaknummer 8323941 CV EXPL 20-698 heeft de kantonrechter te Maastricht geoordeeld en beslist: “(…) Nog daargelaten dat niet kan worden ingezien waarom van [eisers] niet gevergd kan worden dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht, leent dit geschil, gezien de uiteenlopende standpunten van partijen, zich niet voor een behandeling in kort geding. Welk exemplaar van de huurovereenkomst partijen zijn overeengekomen, wat de omvang van de huurachterstand is en of [gedaagde] de beweerdelijke exponentieel omhoog gegane elektriciteits- en gaskosten verschuldigd is (er zijn meer afnemers aangesloten op de gas- en elektriciteitsmeter), is niet voetstoots vast te stellen, maar vergt immers een nader onderzoek naar feiten en omstandigheden. Dat kan de kantonrechter niet verrichten. Een bodemprocedure is daarvoor de geëigende weg. Mitsdien is niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat de vordering van [eisers] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopen daarop door toewijzing reeds nu gerechtvaardigd is. Voorts wordt nog opgemerkt dat [gedaagde] economisch afhankelijk is van [eisers] : zowel zijn loon als onderdak zijn in handen van [eisers] . Door een onterechte loonstop van [eisers] , kan [gedaagde] zijn huurbetalingsverplichting jegens [eisers] niet nakomen. (…) Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de kantonrechter de gevraagde voorlopige voorziening weigeren. (…)” 3Het geschil 3.
- Tegen de achtergrond van deze vaststaande feiten vordert [eisers] - na vermeerdering van eis - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 6.767,26 op de door hem ten onrechte geïncasseerde bedragen; de executie van het vonnis d.d. 23 maart 2020 te staken en gestaakt te houden totdat daarover in de bodemprocedure is beslist op straffe van een dwangsom van € 20.000,00 indien de executie van genoemd vonnis (op een andere wijze) wordt voortgezet, althans een dwangsom die in goede justitie vastgesteld zal worden; [gedaagde] te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis het appartement aan de [adres] te [woonplaats 2] met verdere aanhorigheden en met al het zijne en de zijnen, volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [eisers] te stellen en om [eisers] te machtigen om, indien [gedaagde] weigerachtig is het appartement op de aangegeven wijze te verlaten en te ontruimen onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [eisers] te stellen, de ontruiming van het appartement aan de [adres] te [woonplaats 2] zelf te bewerkstelligen; [gedaagde] te veroordelen om aan [eisers] te betalen € 5.400,00 aan achterstallige huur over de periode van december 2019 t/m juli 2020; [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder de beslagkosten van in totaal € 1.335,
- 3.
- [gedaagde] heeft verweer gevoerd. 3.
- Op de stellingen van partijen zal hierna worden ingegaan. 4De beoordeling Voorschot 4.
- Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, zoals in casu een voorschot, is terughoudendheid op zijn plaats. De kantonrechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die met zich brengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de kantonrechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar, kort gezegd, het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welke risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening. 4.
- Gesteld noch anderszins is gebleken van omstandigheden die van dien aard zijn, dat op dit moment sprake is van een situatie, die zodanig acuut of ernstig is dat van [eisers] niet gevergd kan worden de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten. Derhalve heeft [eisers] onvoldoende spoedeisend belang bij het gevraagde voorschot en zal dit deel van de vordering worden afgewezen. Schorsing van de executie: artikel 438 Rv 4.
- De spoedeisendheid vloeit voort uit de aard van de vordering. 4.
- Vooropgesteld wordt dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is dit vonnis ten uitvoer te leggen. De kantonrechter kan de tenuitvoerlegging van het vonnis slechts schorsen, indien de executant - mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. 4.
- Gesteld noch anderszins is gebleken dat het - in r.o. 2.
- weergegeven - vonnis klaarblijkelijk op een kennelijke feitelijke of juridische misslag berust. De aanwezigheid van een volgens [eisers] mogelijk restitutierisico is inherent aan een in kort geding ingestelde loonvordering, nu het spoedeisend belang bij die vordering veelal is gelegen in de omstandigheid dat de werknemer om in de kosten van zijn levensonderhoud te kunnen voorzien, afhankelijk is van het loon. Die omstandigheid weegt doorgaans zwaarder dan de aanwezigheid van een restitutierisico. De kantonrechter gaat daarom ervan uit dat dit argument niet aan toewijzing van de loonvordering in de weg zou hebben gestaan. Voor zover aan de door [eisers] in het geding gebrachte getuigenverklaringen van werknemers bewijs kan worden ontleend, is dit niet te beschouwen als een nieuw feit. De werknemers verklaren over gebeurtenissen die op 22 november 2019 en 20 december 2019 hebben plaatsgevonden. Het zogenaamde prognoseverbod staat eraan in de weg dat in dit geding wordt vooruitgelopen op de daaraan te verbinden gevolgen. De verklaringen dwingen dus niet op voorhand tot een andere beslissing dan de kantonrechter in het kort geding heeft gegeven. Het gaat dan ook niet om een nieuw feit in de hiervoor bedoelde zin, en zeker niet om een feit waardoor aan de zijde van [eisers] een noodtoestand kan zijn ontstaan. Nog daargelaten dat niet gebleken is dat [gedaagde] het voornemen heeft om naar [land] te vertrekken, betreft zulks ook geen feit maar een toekomstverwachting. 4.
- Het vorenstaande brengt met zich dat de vordering tot schorsing van de executie zal worden afgewezen. Ontruiming en huurachterstand 4.
- Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] strekt tot de niet ontvankelijk verklaring van [eisers] in haar vordering wegens misbruik van procesrecht, omdat de vordering tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van de huurachterstand in het eerdere kort geding tussen partijen reeds onderwerp van geschil geweest is en daarop bij vonnis van 23 maart 2020 afwijzend beslist is. 4.
- Een vonnis in kort geding bevat slechts voorlopige oordelen, waaraan partijen noch in een bodemprocedure, noch in een later kort geding zijn gebonden en heeft dan ook geen gezag van gewijsde. Dit neemt echter niet weg dat het opnieuw en op dezelfde gronden instellen van een vordering jegens dezelfde wederpartij, althans het op dezelfde gronden voorleggen van (exact) dezelfde problematiek, wel kan leiden tot het oordeel dat sprake is van misbruik van procesrecht. Als uitgangspunt heeft te gelden dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich verzet tegen een herbeoordeling van deze vordering om te voorkomen dat deze procedure in feite als een verkapt hoger beroep dient. Dit is slechts anders indien sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die het opnieuw instellen van de vordering zouden kunnen rechtvaardigen. Het dient dan te gaan om feiten en omstandigheden die bij een in een eerder kort geding gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen omdat zij zich eerst na de behandeling van dat kort geding hebben voorgedaan. 4.
- De vordering tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van de huurachterstand is in het eerdere kort geding tussen partijen reeds onderwerp van geschil geweest. Van nieuwe feiten en/of omstandigheden die in het eerste kort geding niet aan de vordering ten grondslag zijn gelegd en dus bij het oordeel in het eerste kort geding niet zijn meegewogen respectievelijk verdisconteerd, is niet gebleken. 4.
- Bij gebrek aan nieuwe feiten en/of omstandigheden biedt het gesloten systeem van rechtsmiddelen geen ruimte voor heroverweging van het hiervoor (2.4.) geciteerde voorlopige oordeel in het vonnis van 23 maart
- [eisers] had de mogelijkheid om tegen het vonnis van 23 maart 2020 in hoger beroep te gaan, maar heeft van dit rechtsmiddel geen gebruik gemaakt. Het thans opnieuw en op dezelfde gronden vorderen van een eerder afgewezen voorziening zonder dat sprake is van een (relevante) wijziging van feiten en/of omstandigheden, moet naar het oordeel van de kantonrechter worden aangemerkt als misbruik van procesrecht. Dit leidt ertoe dat [eisers] in haar vordering tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van de huurachterstand niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Proceskosten 4.
- [eisers] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden tot de uitspraak van dit vonnis bepaald op € 720,00 salaris gemachtigde. 5De beslissing De kantonrechter 5.
- verklaart [eisers] niet-ontvankelijk in haar vordering tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van de huurachterstand, 5.
- wijst de overige vorderingen af, 5.
- veroordeelt [eisers] in de aan de zijde van [gedaagde] gevallen proceskosten, welke worden begroot op € 720,00, 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.H.A. Venner-Lijten en is in het openbaar uitgesproken. CJ