RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 7821083 \ CV EXPL 19-4096 Vonnis van de kantonrechter van 5 augustus 2020 in de zaak van: VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V., gevestigd te Arnhem, eiseres, gedaagde in verzet, gemachtigde Inkassier, Gerechtsdeurwaarders & Incasso tegen: [gedaagde, eiser in verzet] , wonend te [woonplaats] , gedaagde, eiser in verzet, gemachtigde SJD-Legal. Partijen zullen hierna VGZ en [gedaagde, eiser in verzet] worden genoemd. 1De procedure 1.
- Het verdere verloop van de procedure blijk uit - het tussenvonnis van 29 april 2020 - de door [gedaagde, eiser in verzet] genomen antwoord akte in oppositie van 27 mei
- 1.
- Daarna is vonnis bepaald waarvan de uitspraak is gesteld op heden. 2De verdere beoordeling 2.
- Uit het door VGZ overgelegde overbetekeningsexploot van 25 maart 2018 (productie 5) volgt, nu daarin is genoemd het vonnis van 20 december 2017 en de in dat exploot genoemde hoofdsom der veroordeling overeenstemt met de hoofdsom genoemd in het dictum van het verstekvonnis, dat executoriaal derdenbeslag is gelegd met als titel het verstekvonnis van 20 december
- In productie 7, een brief van Inkassier van 10 april 2018 aan [gedaagde, eiser in verzet] , wordt akkoord gegaan met een betaling van € 50,- per maand. Die brief vermeldt verder “De met u getroffen afbetalingsregeling geldt onder verband van het reeds gelegde beslag op uw zorgtoeslag.” [gedaagde, eiser in verzet] heeft in zijn akte van 27 mei 2020 niet betwist dat hij een betalingsregeling heeft getroffen. Voor zover hij met zijn stelling dat hij vaker betalingsregelingen heeft getroffen, wil zeggen dat de regeling genoemd in de brief van 10 april 2018 niet persé betrekking heeft op de veroordeling in het verstekvonnis van 20 december 2017, wordt die stelling gepasseerd als niet onderbouwd. Hij had dan minstens moeten zeggen op welke vordering de betalingsregeling wel betrekking had als niet op die op grond waarvan hij bij vonnis van 20 december 2018 is veroordeeld. Al met al is voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde, eiser in verzet] meer dan vier weken voor de betekening van de verzetdagvaarding op 29 mei 2019 bekend was met de aangevangen tenuitvoerlegging van het vonnis van 20 december
- Dit betekent dat hij niet-ontvankelijk is in zijn verzet omdat dit te laat is ingesteld. [gedaagde, eiser in verzet] zal worden veroordeeld in de proceskosten. Aan de zijde van VGZ worden deze begroot op € 108,00 salaris gemachtigde. 3De beslissing De kantonrechter 3.
- verklaart [gedaagde, eiser in verzet] niet ontvankelijk in zijn verzet tegen het op 20 december 2017 onder rolnummer 6497536 CV EXPL 17-8783 gewezen vonnis, 3.
- veroordeelt [gedaagde, eiser in verzet] in de kosten van de verzetprocedure, tot aan dit vonnis aan de zijde van VGZ begroot op € 108,00, 3.
- verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken. type: YT