RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: AWB/ROE 20/1737 uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 augustus 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] (gemachtigde: mr. J.H.M. Verstraten), en de Burgemeester van de gemeente Venlo, verweerder (gemachtigde: J.M.G. Vincken). Procesverloop Bij besluit van 8 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder onder aanzegging van bestuursdwang verzoeker gelast de woning op het adres [adres] (hierna: de woning) te sluiten voor de duur van negen maanden met ingang van 28 juli 2020 om 10.00 uur. Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Hij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft de rechtbank medegedeeld dat de sluiting van de woning wordt opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2020. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Gelet op de aard van de zaak, een woningsluiting, neemt de voorzieningenrechter het spoedeisend belang aan en gaat zij over tot inhoudelijke behandeling van het primaire besluit. 3. De voorzieningenrechter zal zich een voorlopig oordeel dienen te vormen over de rechtmatigheid van het besluit inzake de woningsluiting. Daarbij acht de voorzieningenrechter de volgende feiten van belang. 4. Verzoeker bewoont [kamernummer] op het hiervoor genoemde adres. Op 2 april 2020 heeft de politie een onderzoek ingesteld in de woning. De aanleiding daarvoor was een signaal van verhuurbedrijf [naam] dat dat zich een hennepkwekerij op dat adres zou bevinden. In de woning heeft de politie twee kweektenten aangetroffen. In kweektent 1 stonden 124 hennepstekken. In kweektent 2 stonden 8 hennepplanten, één assimilatielamp, één koolstoffilter en 14 hennepstekken. Volgens verweerder is daarmee sprake van bedrijfsmatige hennepteelt. 5. Bij brief van 7 mei 2020 heeft verweerder verzoeker in kennis gesteld van het voornemen tot sluiting van de woning. Verzoeker heeft zijn zienswijze gegeven bij brief van 27 mei 2020. 6. Verweerder heeft bij het primaire besluit ingevolge het bepaalde in artikel 13b van de Opiumwet en zijn daarop gebaseerde beleid sluiting van de woning gelast voor de duur van negen maanden met ingang van 28 juli 2020. 7. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Wat is het standpunt van verzoeker? 8. Verzoeker heeft (samengevat weergegeven) aangevoerd dat van het opleggen van de onderhavige bestuurlijke maatregel dient te worden afgezien. Verweerder had moeten volstaan met een waarschuwing. Verzoeker is nooit eerder in aanraking geweest met de politie vanwege drugsgerelateerde feiten. Ook is er geen sprake geweest van verhandeling van hennep vanuit de woning. De woning staat ook niet bekend als drugspand. Daarnaast is er volgens verzoeker geen sprake van overlast als gevolg van de aanwezigheid van hennepstekjes. Van professionele en bedrijfsmatige hennepteelt kan in zijn ogen niet worden gesproken. De sluiting van de woning betekent voor verzoeker dat hij op straat komt te staan. Hij kan namelijk geen gebruik maken van een sociaal vangnet voor het krijgen van onderdak. De sluiting van de woning is disproportioneel en levert strijd op met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM). Tot slot begrijpt verzoeker niet waarom de woning voor negen maanden gesloten wordt in plaats van de in soortgelijke gevallen zes maanden. Welke regels zijn van toepassing? 9. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is verweerder bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom, indien in woningen of lokalen, dan wel in of op bij woningen en zodanige lokalen behorende erven, een middel als bedoeld in lijst I of II van deze wet, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Hennep is een middel vermeld op lijst II. 10. Op grond van artikel 5:21 van de Awb wordt onder een last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende: a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. 11. Ter uitvoering van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft verweerder beleidsregels opgesteld (‘Beleidsregels ter voorkoming en bestrijding van drugsoverlast, -handel en –productie’). Is verweerder bevoegd om de woning te sluiten? 12. Niet ter discussie staat dat de genoemde hoeveelheid hennepplanten en -stekken zijn gevonden in de kamer van verzoeker. De omvang en de daarbij gebruikte apparatuur rechtvaardigt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter reeds de conclusie dat sprake was van bedrijfsmatige teelt. 13. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013: BZ8430) is bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand of een daartoe behorend erf, die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik (0,5 gram harddrugs respectievelijk 5 gram softdrugs of 5 hennepplanten) in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Daarom verschaft de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs in een pand de bevoegdheid tot toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Dit wordt niet anders indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.