RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Burgerlijk recht Zaaknummer 8680854 CV EXPL 20-3644 Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 20 augustus 2020 in de zaak van de stichting WONINGSTICHTING MEERSSEN, statutair gevestigd en kantoorhoudend aan de Bunderstraat 28, 6231 EL Meerssen, eisende partij, gemachtigde mr. C.F.J. Leenarts, tegen [gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam], in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van de heer [naam onderbewindgestelde], kantoorhoudende aan de [adres 1] , [vestigingsplaats] , gedaagde partij, gemachtigde mr. R.A. Wijnands. Partijen zullen hierna Woningstichting Meerssen, [gedaagde] q.q. en [naam onderbewindgestelde] worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de door Woningstichting Meerssen nagezonden producties de conclusie van antwoord de mondelinge behandeling van 17 augustus 2020 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [naam onderbewindgestelde] heeft met Woningstichting Meerssen een schriftelijke huurovereenkomst gesloten op grond waarvan hij per 29 oktober 2014 van Woningstichting Meerssen huurt de woonruimte aan de [adres 2] te [woonplaats] (verder: de woning). Op deze overeenkomst zijn de ‘Algemene Huurvoorwaarden huurovereenkomst zelfstandige woonruimte’ van toepassing. 2.2. In deze algemene huurvoorwaarden staat voor zover relevant: “(…) 6.3. Huurder zal het gehuurde gebruiken en onderhouden zoals het een goed huurder betaamt. (…) 6.7. Huurder dient ervoor zorg te dragen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt door huurder (…) Tevens dient huurder zich als goed huurder te gedragen richting medewerkers van verhuurder en/of door verhuurder ingehuurde derden. Fysiek of verbaal geweld, agressiviteit, dan wel ander wangedrag leidt tot passende (juridische) maatregelen jegens huurder, die kunnen leiden tot beëindiging van de huurovereenkomst. (…)” 2.3. Bij beschikking van 9 februari 2018 zijn de goederen van [naam onderbewindgestelde] vanaf 16 februari 2018 onder bewind gesteld met benoeming van [gedaagde] van [handelsnaam] tot bewindvoerder. 3Het geschil 3.1. Woningstichting Meerssen vordert de veroordeling van [gedaagde] q.q. - de facto [naam onderbewindgestelde] - tot ontruiming van de woning, nakoming van alle uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen waaronder betaling van (achterstallige) huur, vermeerderd met de wettelijke rente en betaling van de proceskosten en ontruimingskosten, vermeerderd met de wettelijke rente. 3.2. Woningstichting Meerssen legt aan haar vordering ten grondslag dat [naam onderbewindgestelde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst en zich niet als goed huurder heeft gedragen. Daartoe voert Woningstichting Meerssen aan dat [naam onderbewindgestelde] vanaf eind 2018 overlast aan omwonenden veroorzaakt, welke overlast bestaat uit geluidsoverlast (stampen, schreeuwen, met spullen gooien), het zwaaien met een mes en agressief, intimiderend en bedreigend gedrag. Woningstichting Meerssen heeft [naam onderbewindgestelde] bij brief van 27 mei 2020 erop gewezen dat omwonenden overlast van hem ondervinden en [naam onderbewindgestelde] gesommeerd de overlast te staken, bij gebreke waarvan zij rechtsmaatregelen zal nemen welke kunnen leiden tot ontruiming van de woning en ontbinding van de huurovereenkomst. Volgens Woningstichting Meerssen is er sprake van een onhoudbare situatie en kan zij niet meer instaan voor het rustige en ongestoorde woongenot van haar andere omwonende huurders. 3.3. [gedaagde] q.q. heeft verweer gevoerd, waarop hierna voor zover relevant nader zal worden ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De vraag of Woningstichting Meerssen in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening dient te worden beantwoord aan de hand van de afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Voor wat betreft deze belangenafweging staat voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een ingrijpende maatregel is, die diep ingrijpt in het woonrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Om die reden moet telkens van geval tot geval en met inachtneming van alle betrokken belangen worden beoordeeld of er voldoende (zwaarwegende) bijzondere omstandigheden zijn, die de toepassing van een dergelijke, in de praktijk vaak definitieve maatregel, rechtvaardigen. 4.2. Voorop wordt gesteld dat een huurder geen overlast of hinder mag veroorzaken aan medebewoners en omwonenden. 4.3. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is duidelijk geworden dat [naam onderbewindgestelde] kampt met psychische problemen en dat hij (hoogstwaarschijnlijk mede als gevolg van die problemen) ontoelaatbare overlast veroorzaakt. Daarmee schiet [naam onderbewindgestelde] toerekenbaar tekort in de nakoming van de op zijn uit artikel 7:213 BW en artikelen 6.3. en 6.7. van de algemene huurvoorwaarden voortvloeiende huurdersverplichtingen. 4.4. Vervolgens rijst de vraag of voormeld tekortschieten van [naam onderbewindgestelde] (een eventueel in een bodemprocedure gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.