RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: AWB/ROE 20/1859 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 augustus 2020 in de zaak tussen [verzoeker] , te [woonplaats 1] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roerdalen, verweerder. Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende] , te [woonplaats 2] . Procesverloop Bij besluit van 10 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoeker de last opgelegd om een zonder omgevingsvergunning voor het bouwen en in strijd met het bestemmingsplan opgerichte schuur op het adres [adres] te [woonplaats 2] , gemeente Roerdalen, te verwijderen en verwijderd te houden, uiterlijk vóór 1 juli 2020, bij besluit van 29 juni 2020 verlengd tot 1 augustus 2020, op straffe van een dwangsom van € 2.000,- ineens. Telefonisch heeft verweerder zich bereid verklaard te wachten op de uitspraak van de voorzieningenrechter alvorens uitvoering te geven aan het besluit. Het onderzoek ter zitting heeft op het adres [adres] te [woonplaats 2] plaatsgevonden op 27 augustus
- Verzoeker is verschenen met zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.R.P Lamers en P. Huisinga. Derde-partij heeft laten weten niet te zullen verschijnen. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen toe; - schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan verzoeker te vergoeden. Overwegingen
- Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan, indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld, dat zonder die voorziening het voor verzoeker uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Nu een spoedeisend belang kan worden aangenomen komt de rechter toe aan een verdere belangenafweging als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
- Handhavend optreden is alleen aan de orde als er sprake is van overtreding van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het in geding zijnde houthok, dat in het primaire besluit is beschreven als schuur, zonder omgevingsvergunning voor bouwen en in strijd met het geldende bestemmingsplan Buitengebied Roerdalen 2e herziening is gebouwd, hetgeen een overtreding oplevert van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Verzoeker heeft aangevoerd dat het houthok er al sinds eind jaren zeventig staat, dat destijds de bestemming recreatie was en dat voor het houthok destijds geen vergunningplicht gold dan wel dat het houthok onder het overgangsrecht valt. Verder heeft verzoeker gewezen op de procedure voor vaststelling van het geldende bestemmingsplan in welk kader hij een zienswijze heeft ingediend, die naar zijn mening volledig gegrond is verklaard en op de verbeelding van het bestemmingsplan had moeten worden opgenomen.
- De voorzieningenrechter stelt voorlopig oordelend vast dat er voor het houthok (nog) geen omgevingsvergunning is aangevraagd of verleend en dat het houthok in strijd is met de op dit moment ter plekke geldende bestemming ‘natuur’ zoals volgt uit de verbeelding van het plan. Uit de motivering van de beslissing in de zienswijzenota in het kader van de vaststelling van het geldende plan volgt dat de gegrondverklaring van de zienswijze beperkt is tot legalisatie van de direct bij de recreatiewoning gelegen schuur en niet ook ziet op het houthok (alsmede het elektriciteitshuisje en de waterput). Dat verzoeker de verwachting had dat deze bouwwerken ook zouden zijn gelegaliseerd is begrijpelijk maar is thans niet de juridische werkelijkheid.
- Of het (oorspronkelijke) houthok onder de bescherming van het overgangsrecht valt is niet duidelijk geworden en in zoverre kleeft er aan het primaire besluit een motiveringsgebrek. En of de renovatie (verandering) van het houthok zodanig is uitgevoerd dat daardoor de bescherming van het overgangsrecht is komen te vervallen, is door verzoeker weliswaar aangedragen met de stelling dat het hok (iets verplaatst maar) ongeveer hetzelfde is gebleven, maar is door verweerder onvoldoende gemotiveerd in het handhavingsbesluit betrokken in het licht van de al dan niet bestaande bescherming van het overgangsrecht.
- De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder (en van de derde-partij) die pleiten tegen het treffen daarvan, als volgt. De motiveringsgebreken in het handhavingsbesluit ten aanzien van het al dan niet bestaan van een overtreding zijn in deze fase van de besluitvorming voor de voorzieningenrechter aanleiding een voorlopige voorziening te treffen waarbij ook een belangrijk gewicht toekomt aan de (on)evenredigheid van de opgelegde last op dit moment, namelijk zolang niet vast staat dat sprake is van een overtreding, van welke overtreding en de impact van de eventuele overtreding. Zolang niet precies vast staat wat (de omvang van) de overtreding is, is ook verweerders standpunt over de weigering te legaliseren of om van handhaving af te zien gelet op de (eventuele geringe) impact van de overtreding of andere bijzondere omstandigheden, niet te beoordelen, zelfs niet voorlopig. In deze omstandigheden is het moeten afbreken van het houthok vooralsnog een onevenredige aantasting van de belangen van verzoeker.
- De voorzieningenrechter treft dan ook de voorlopige voorziening dat het primaire besluit wordt geschorst tot zes weken na het bekend maken van het besluit op bezwaar. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de rechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier, op 27 augustus
- griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: 4 september 2020 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.