← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2020:7224

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Burgerlijk recht Zaaknummer: 8396993 CV EXPL 20-1234 Vonnis van de kantonrechter van 23 september 2020 in de zaak van 1de stichting stichting aanvullingsfonds bouw & Infra, gevestigd in Harderwijk, en

  1. de stichting STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR DE BOUWNIJVERHEID, gevestigd in Amsterdam, en
  2. de stichting STICHTING OPLEIDINGS- EN ONTWIKKELINGSFONDS BOUW & INFRA, gevestigd in Harderwijk, eisende partij, gemachtigde Vesting Finance Incasso B.V. tegen de besloten vennootschap GDBOUW B.V., gevestigd in Margraten, kantoorhoudend in Mheer, gemeente Margraten, aan de Burgemeester Beckersweg 53, gedaagde partij, gemachtigde J.A.W. Dobbelstein. Partijen worden hierna de Stichtingen en GDBouw genoemd. 1De procedure 1.
  3. Het verloop van de procedure blijkt uit: het exploot van dagvaarding d.d. 12 maart 2020 de conclusie van antwoord de conclusie van repliek. 1.
  4. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  5. GDBouw is op grond van de CAO voor de Bouwnijverheid, de CAO Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bouwnijverheid, de Verplichtstelling tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds voor Bouwnijverheid en de Wet verplichte deelneming bedrijfstakpensioenfonds 2000 en de daarop gebaseerde Statuten, Reglementen en Besluiten verplicht premies af te dragen aan de Stichtingen, waarbij ter zake van de uitvoering van die diverse regelingen het Uitvoeringsreglement Bouwnijverheid van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid van toepassing is. 2.
  6. Artikel 6 lid 5 aanhef en onder c van genoemd Uitvoeringsbesluit luidt: “Artikel 6 Premiebetaling (…)
  7. De premie moet uiterlijk betaald zijn binnen 14 dagen na het einde van de loonperiode. Bij niet tijdige betaling van de verschuldigde premie is de premieplichtige door het enkele verloop van de termijn in verzuim. Het fonds is dan bevoegd van de premieplichtige te vorderen: (…) c. de vergoeding van de buitengerechtelijke invorderingskosten zoals bedoeld in artikel 6:96, lid 2 sub c van het Burgerlijk Wetboek (…). Deze buitengerechtelijke invorderingskosten worden vastgesteld conform de staffel in het Rapport Voorwerk II (…).” 2.
  8. De Stichtingen hebben op enig moment een gezamenlijke vordering op GDBouw ad € 3.534,14 gehad aan onbetaald gelaten premies. 3De vordering en het geschil 3.
  9. Bij exploot rekenen de Stichtingen hun gezamenlijke vordering op GDBouw als volgt voor: € 3.534,14 hoofdsom (onbetaald gelaten premies) € 48,16 tot en met 17 februari 2020 vervallen wettelijke handelsrente € 544,50 vergoeding van buitengerechtelijke kosten inclusief btw € 3.534,14 - op enig moment ontvangen betaling ======== € 592,
  10. In het petitum (en dat is bepalend) vorderen de Stichtingen - om hen moverende redenen - (slechts) de veroordeling van GDBouw tot betaling van € 499,00, onder verwijzing van GDBouw in de proceskosten. 3.
  11. Bij antwoord heeft GDBouw zich - kort weergegeven - op het standpunt gesteld dat zij aan alle partijen binnen een reële betalingstermijn heeft voldaan, dat zij geen specifieke afspraak met partijen heeft gemaakt en er dus van uit mag gaan dat “de wettelijke betalingstermijn” gehanteerd wordt (evenwel zonder daarbij uit te leggen wat zij met dat laatste precies bedoelt). 3.
  12. Het bij antwoord gevoerde verweer is door de Stichtingen bij repliek gemotiveerd weerlegd en komt erop neer dat voornoemd uitvoeringsbesluit op de betalingsverplichtingen van toepassing is. Geen van de respectieve facturen zijn door GDBouw binnen de in dat Uitvoeringsreglement voorgeschreven termijn betaald en de Stichtingen hebben voor de invordering van de onderhavige premies daarom een incassogemachtigde ingeschakeld. Pas daarna is GDBouw tot betaling overgegaan, doch zij heeft slechts de hoofdsom betaald, aldus de Stichtingen. 4De beoordeling 4.
  13. Hoewel daartoe naar behoren in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft GDBouw niet voor dupliek geconcludeerd. Genoemde weerlegging van het verweer door de Stichtingen treft doel. Het heeft er al met al de schijn van dat GDBouw zich er niet althans niet tijdig van bewust is geweest dat genoemd Uitvoeringsreglement inderdaad van toepassing is op haar betalingsverplichtingen jegens de Stichtingen. De vordering zal worden toegewezen. 4.
  14. GDBouw zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van de Stichtingen tot de datum van dit vonnis begroot op € 374,42, bestaande uit € 144,00 aan salaris gemachtigde, € 124,00 aan griffierecht en € 106,42 aan explootkosten. 5De beslissing De kantonrechter 5.
  15. veroordeelt GDBouw om aan de Stichtingen € 499,00 te betalen; 5.
  16. veroordeelt GDBouw tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van de Stichtingen tot de datum van dit vonnis begroot op € 374,42; 5.
  17. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster en is in het openbaar uitgesproken. RK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.