RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 8622700 \ CV EXPL 20-3182 Vonnis van de kantonrechter van 30 september 2020 in de zaak van: de naamloze vennootschap HEERLEN I INVEST N.V., gevestigd te Leiderdorp, eisende partij, gemachtigde mr. M.J. Schapendonk, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ROFRA MEUBELEN HEERLEN B.V., gevestigd In de Cramer 156, 6412 PM Heerlen, gedaagde partij, verschenen bij [naam] . 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - het verzoek om uitstel van gedaagde partij. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De beoordeling 2.
- Eisende partij vordert - samengevat – gedaagde partij te veroordelen om aan eisende partij te betalen: een bedrag van € 40.782,11, de overeengekomen (boete-)rente over de openstaande bedragen vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van volledige betaling, de kosten van het geding. 2.
- Eisende partij stelt dat gedaagde partij de bedrijfsruimte, staande en gelegen te 6412 PM Heerlen aan de In de Cramer 156-158, tegen een huurprijs van € 10.423,45 per maand steeds bij vooruitbetaling te voldoen van haar huurt. 2.
- Gedaagde partij heeft tot en met mei 2020 een achterstand van € 28.076,51laten ontstaan in haar huurbetalingsverplichting jegens eisende partij. Daarnaast stelt eisende partij dat zij op grond van de tussen partijen toepasselijke algemene bepalingen gerechtigd is de overeengekomen (boete-)rente ad 2 % per maand, met een minimum van € 300,00 per maand, op gedaagde partij te verhalen. Eisende partij berekend de vervallen rente op € 7.386,
- Voorts stelt eisende partij dat gedaagde partij aan haar een vergoeding van € 5.319,41 voor buitengerechtelijke kosten verschuldigd is. 2.
- Gedaagde partij heeft, na verkregen uitstel niet meer geantwoord. De vordering ten aanzien van de huurachterstand en de (boete-)rente rente staat daarom als niet weersproken tussen partijen vast en behoort als onvoldoende betwist te worden toegewezen. 2.
- Eisende partij stelt dat zij de buitengerechtelijke incassokosten berekend heeft over de huurachterstand vermeerderd met de (boete-)rente. Volgens het Rapport BGK-Integraal geldt als grondslag voor het berekenen van de incassokosten indien de schuldenaar geen consument is: a. a) de contractueel verschuldigde hoofdsom (zonder rente) waarvoor redelijk was om buitengerechtelijke incassohandelingen te verrichten (zie § III.3.1) b) plus de over een jaar reeds verschenen en verschuldigde rente (6:119a lid 3 en 6:119b lid 3 BW; zie § III.3.1). Nu de (boete-)rente minder dan een jaar is verschenen, zal voor de berekening van de buitengerechtelijke incassokosten worden uitgegaan van de hoofdsom. Er zal een bedrag van € 4.211,48 worden toegewezen. 2.
- Gedaagde partij zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op: dagvaarding € 87,99 griffierecht € 996,00 salaris gemachtigde € 480,00 (1 x tarief € 480,00) totaal € 1.563,99 3De beslissing De kantonrechter 3.
- veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 39.674,19, te vermeerderen met de overeengekomen (boete-)rente over de openstaande bedragen vanaf 24 juni 2020 tot de dag van volledige betaling, 3.
- veroordeelt gedaagde partij in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 1.563,99, 3.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 3.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken. type: JEC