← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2020:7655

vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer / rolnummer: C/03/272563 / HA ZA 20-6 Vonnis in incident van 7 oktober 2020 in de zaak van [eiseres, verweerster in het incident] , wonende te [woonplaats] , eiseres, verweerster in het incident, advocaat mr. M.A. Hupkes, tegen de vennootschap naar Cypriotisch recht F1 MARKETS LIMITED, gevestigd te Limassol (Cyprus), gedaagde, eiseres in het incident, advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer. Partijen zullen hierna [eiseres, verweerster in het incident] en F1 genoemd worden. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het vonnis in incident van 3 juni 2020, - het vonnis van 1 juli 2020, waarbij het verzoek van F1 om hoger beroep toe te staan van het vonnis in incident van 3 juni 2020 is afgewezen, - de conclusie van antwoord, tevens houdende verzoek om aanhouding ex artikel 31 lid 2 Brussel I bis-Verordening met 17 producties, - de incidentele conclusie van antwoord. 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 1.
  3. De rechter die in deze zaak eerder de vonnissen heeft gewezen, heeft haar feitelijke werkzaamheden beëindigd in verband met haar naderende pensionering. Dit vonnis wordt daarom door een andere rechter gewezen. 2Het verzoek om aanhouding ex artikel 31 lid 2 Brussel I bis-Verordening 2.
  4. F1 stelt dat de rechtbank te Cyprus op 6 juli 2020 verlof verleend heeft tot het initiëren van een procedure tegen [eiseres, verweerster in het incident] voor die rechtbank over hetzelfde onderwerp als deze zaak. F1 verzoekt de procedure bij rechtbank Limburg aan te houden tot de aangezochte rechter te Cyprus zich over zijn bevoegdheid heeft uitgelaten. Volgens F1 zijn partijen een forumkeuzebeding overeengekomen, op grond waarvan de rechter in Cyprus bevoegd is. Op grond van artikel 31 lid 2 Brussel I bis-Verordening dient, ook indien die procedure later is gestart, het gerecht van de forumkeuze te beslissen over zijn bevoegdheid en dient de andere procedure zolang te worden aangehouden, aldus F
  5. 2.
  6. [eiseres, verweerster in het incident] voert verweer. 3De beoordeling Het verzoek tot aanhouding 3.
  7. De rechtbank heeft bij vonnis in incident van 3 juni 2020 geoordeeld bevoegd te zijn van het geschil kennis te nemen op grond van het bepaalde in artikel 18 lid 1 Brussel I bis-Verordening. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de overeenkomst die [eiseres, verweerster in het incident] en F1 gesloten hebben, kwalificeert als een consumentenovereenkomst als bedoeld in de Brussel I bis-Verordening. Ook heeft de rechtbank overwogen dat het forumkeuzebeding waarop F1 een beroep doet, niet voldoet aan het bepaalde in artikel 19 lid 1 Brussel I bis-Verordening, zodat een beroep op dit beding niet slaagt (artikel 25 lid 4 Brussel I bis-Verordening). 3.
  8. Op grond van artikel 31 lid 2 Brussel I bis-Verordening dient een gerecht de uitspraak aan te houden wanneer een zaak aanhangig wordt gemaakt bij een gerecht van een lidstaat dat op grond van een in artikel 25 bedoelde overeenkomst bij uitsluiting bevoegd is. Artikel 25 ziet op de forumkeuze. Artikel 31 lid 4 van deze verordening bepaalt echter dat lid 2 van dit artikel niet van toepassing is op aangelegenheden als bedoeld in (onder meer) afdeling 4 (consumentenovereenkomst) indien een consument de eiser is en de overeenkomst niet geldig is krachtens deze afdeling. 3.
  9. Nu de rechtbank bij vonnis in incident van 3 juni 2020 geoordeeld heeft dat F1 geen beroep kan doen op het forumkeuzebeding vanwege het bepaalde in artikel 19 lid 1 juncto artikel 25 lid 4 Brussel I bis-Verordening, [eiseres, verweerster in het incident] consument is en eiseres in deze procedure, is artikel 31 lid 2 Brussel I bis-Verordening niet van toepassing. De rechtbank wijst het verzoek tot aanhouding daarom af. Het toepasselijke recht 3.
  10. F1 stelt verder dat het in het kader van een goede procesorde van groot belang is dat de rechtbank “thans eerst” oordeelt over het toepasselijke recht alvorens de zaak verder inhoudelijk te behandelen. Voor zover F1 bedoeld heeft in dit incident (wederom net als in het bevoegdheidsincident) te vorderen dat de rechtbank verklaart dat Cypriotisch recht van toepassing is, overweegt de rechtbank dat die vordering zich niet leent voor behandeling in dit incident. Die vorderding zal daarom worden afgewezen. Het debat over het toepasselijke recht zal beoordeeld worden in de hoofdzaak. De proceskosten in het incident 3.
  11. Als de in het ongelijk gestelde partij zal F1 worden veroordeeld in de proceskosten in dit incident. Deze kosten worden begroot op € 543,00 aan salaris voor de advocaat. In de hoofdzaak 3.
  12. In het vonnis van 3 juni 2020 heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen voor conclusie van antwoord en opgave verhinderdata voor een te houden mondelinge behandeling. De inhoud van de conclusie van antwoord is voor de rechtbank aanleiding om het debat schriftelijk voor te zetten. 4De beslissing De rechtbank in het incident 4.
  13. wijst het verzoek tot aanhouding af, 4.
  14. wijst de vordering Cypriotisch recht van toepassing te verklaren af, 4.
  15. veroordeelt F1 in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiseres, verweerster in het incident] tot op heden begroot op € 543,00, in de hoofdzaak 4.
  16. verwijst de zaak naar de rol van 18 november 2020 voor conclusie van repliek aan de zijde van [eiseres, verweerster in het incident] , 4.
  17. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober
  18. type: AP

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.