RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 8257557 \ CV EXPL 20-53 Vonnis van de kantonrechter van 30 september 2020 in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HASURO HOLDING B.V., gevestigd te Laarbeek, woonplaats kiezende ten kantore van Ketting Strafadvocatuur te Amsterdam, eisende partij, gemachtigde mr. M. Ketting, tegen: [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, gemachtigde mr. M. Strijks. Partijen worden hierna Hasuro en [gedaagde] genoemd. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het vonnis in het incident van 24 juni 2020; - de conclusie van dupliek. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- [gedaagde] heeft een bedrag van € 11.500,00 geleend en ontvangen op haar bankrekening. 2.
- Er is een achterstand ontstaan in betaling van de maandelijkse aflossing en op een gegeven moment heeft [gedaagde] geen betalingen meer verricht. 2.
- In totaal zijn er 8 termijnen afgelost door [gedaagde] . De restschuld bedraagt € 10.543,
- 2.
- Op 30 oktober 2019 heeft Hasuro een schriftelijke waarschuwing en ingebrekestelling verstuurd aan [gedaagde] . [gedaagde] heeft niet gereageerd binnen de gestelde termijn van 7 dagen. 2.
- Op 11 november 2019 heeft [gedaagde] laten weten dat zij bereid is om de geldlening af te betalen. 2.
- Tot op heden heeft [gedaagde] de geldlening niet afbetaald. 3Het geschil 3.
- Hasuro vordert – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 10.543,20 met contractuele rente; veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente over het bedrag van € 10.543,20; de proceskosten, nasalaris en kosten van betekening. 3.
- Hasuro legt – samengevat – aan haar vordering ten grondslag dat tussen haar en [gedaagde] sprake is van een overeenkomst van geldlening (hierna: overeenkomst) en dat de geldlening opeisbaar is op grond van artikel 5 lid 1 van die overeenkomst. Daarin is het volgende bepaald: “(…) De lening is van de zijde van de geldgever te allen tijde opeisbaar na schriftelijke waarschuwing en daaropvolgende ingebrekestelling.” 3.
- [gedaagde] voert verweer. Zij betwist het bestaan van de genoemde overeenkomst en stelt dat de handtekening en/of paraaf onder de overeenkomst niet van haar is. Daarnaast stelt zij dat sprake is van een mondelinge overeenkomst van geldlening en dat zij die overeenkomst niet heeft gesloten met Hasuro, maar met de heer [naam bestuurder] (hierna: [naam bestuurder] ). [naam bestuurder] is bestuurder en aandeelhouder van Hasuro. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] stellig ontkent dat de overeenkomst door haar ondertekend en/of geparafeerd is. Uitgangspunt is dan dat de overeenkomst geen bewijs oplevert van de tussen partijen gemaakte afspraken zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is. Dit volgt uit artikel 159 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 4.
- Hasuro voert echter enkele feiten en omstandigheden aan waaruit zou blijken dat partijen de overeenkomst schriftelijk zijn overeengekomen en – zo begrijpt de kantonrechter – dat [gedaagde] wél de overeenkomst heeft ondertekend en/of geparafeerd. Het gaat dan – samengevat - om de volgende feiten en omstandigheden: op 20 december 2018 heeft [naam bestuurder] de conceptovereenkomst van geldlening opgesteld en laten lezen aan [gedaagde] ; [gedaagde] heeft mondeling met de inhoud van de overeenkomst ingestemd; vooruitlopend op de definitieve ondertekening heeft [naam bestuurder] op 20 december 2018 vanuit de bankrekening van Hasuro een bedrag aan [gedaagde] overgemaakt; de overeenkomst is op 28 januari 2019 ondertekend en op die dag heeft [gedaagde] voor het eerst een bedrag van € 119,20 aan aflossing en rente betaald met de omschrijving “Aflossing en rente geldlening”; [gedaagde] heeft elke maand een bedrag van € 119,20 overgeboekt op de bankrekening van Hasuro en heeft daarbij als omschrijving vermeld “Aflossing en rente geldlening”; [gedaagde] heeft op 14 mei 2019 de overeenkomst bij [naam bestuurder] opgevraagd; in de periode na 14 mei 2019 heeft [gedaagde] ook afgelost op de lening met een omschrijving die verwijst naar de aflossing van de geldlening; op 11 november 2019 heeft [gedaagde] aan de advocaat van Hasuro laten weten dat zij bereid is om de lening af te betalen. 4.
- De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] de in rechtsoverweging 4.2 genoemde feiten en omstandigheden onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Daarom overweegt de kantonrechter dat de enkele betwisting van de ondertekening en/of parafering onvoldoende is om – in het licht van de door Hasuro gestelde feiten en omstandigheden - vast te houden aan het uitgangspunt dat de overeenkomst geen bewijs oplevert van de tussen partijen gemaakte afspraken zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is. 4.
- Ten aanzien van het verweer van [gedaagde] dat sprake is van een mondelinge overeenkomst van geldlening tussen haar en [naam bestuurder] overweegt de kantonrechter dat het [gedaagde] – in het licht van het voorgaande – niet is gelukt om dit voldoende onderbouwd te stellen. Dit betekent dat de kantonrechter voorbij gaat aan dit verweer. 4.
- Omdat [gedaagde] de in rechtsoverweging 4.2 genoemde feiten en omstandigheden onvoldoende gemotiveerd heeft betwist en zij onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat sprake is van een mondelinge overeenkomst van geldlening tussen haar en [naam bestuurder] , komt de kantonrechter niet toe aan het verstrekken van een bewijsopdracht aan [gedaagde] . 4.
- Gelet op wat is overwogen in rechtsoverwegingen 4.1 tot en met 4.5 en aangezien [gedaagde] niet heeft betwist dat zij van Hasuro een schriftelijke waarschuwing en ingebrekestelling heeft ontvangen, oordeelt de kantonrechter dat de geldlening opeisbaar is in de zin van artikel 5 lid 1 van de overeenkomst. Dit betekent dat de vordering onder 1 inclusief de gevorderde contractuele rente zal worden toegewezen. Vordering 2 (wettelijke rente) 4.
- Hasuro vordert wettelijke rente over het bedrag van € 10.543,20 over de periode van 7 november 2019 tot de dag der algehele voldoening. De kantonrechter neemt aan dat aldus wordt bedoeld de wettelijke rente van artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek. De kantonrechter overweegt dat omdat tussen partijen een contractuele rente is overeengekomen en [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling daarvan, de wettelijke rente niet ook kan worden toegewezen. Dit betekent dat vordering 2 zal worden afgewezen. Vordering 3 (proceskosten, nasalaris en kosten van betekening) 4.
- [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Hasuro worden begroot op: - dagvaarding € 85,18 - griffierecht 486,00 - salaris advocaat 720,00 (2,0 punten x tarief € 360,00) Totaal € 1.291,18 4.
- Het gevorderde nasalaris en kosten van betekening zullen op de hierna in het dictum weergegeven wijze worden toegewezen. 4.
- Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft – gelet op wat hiervoor is overwogen - geen verdere bespreking en beoordeling meer. 5De beslissing De kantonrechter 5.
- veroordeelt [gedaagde] om aan Hasuro tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 10.543,20 (tienduizendvijfhonderddrieënveertig euro en twintig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente van 2% per jaar over het bedrag van € 10.543,20 met ingang van 7 november 2019 tot de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Hasuro tot op heden begroot op €1.291,18, 5.
- veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen twee weken na aanschrijving door Hasuro volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten begroot op: - € 120,00 (0,5 € 120,00 (0,5 punt x tarief € 360,00, met een maximum van € 120,00), - te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis. 5.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken. type: CL coll: