← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2020:8145

RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 8666320 \ CV EXPL 20-3557 Vonnis van de kantonrechter van 21 oktober 2020 in de zaak van: 1de stichting STICHTING PENSIOENFONDS METAAL EN TECHNIEK,gevestigd te ‘s-Gravenhage,

  1. de stichting OTIB, STICHTING OPLEIDINGS- EN ONTWIKKELINGSFONDS VOOR HET TECHNISCH INSTALLATIEBEDRIJF,gevestigd te 's-Gravenhage,
  2. de stichting STICHTING SOCIAAL FONDS METAAL EN TECHNIEK,gevestigd te 's-Gravenhage,
  3. de stichting STICHTING PRIVATE AANVULLING WW EN WGA METAAL EN TECHNIEK,gevestigd te ‘s-Gravenhage, eisende partij, gemachtigde Flanderijn, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid IMKS B.V., thans zonder bekend kantooradres zowel binnen als buiten Nederland, gedaagde partij, procederende in persoon. 1De procedure 1.
  4. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - het verzoek om uitstel van gedaagde partij. 1.
  5. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De beoordeling 2.
  6. Gedaagde partij heeft, na verkregen uitstel niet meer geantwoord. De vordering van eisende partij staat daarom als niet weersproken tussen partijen vast en behoort als onvoldoende betwist te worden toegewezen met dien verstande dat voor zover de vordering strekt tot vergoeding van rente op rente deze zal worden afgewezen, nu gesteld noch anderszins gebleken is dat zulks in afwijking van artikel 6:119 lid 2 BW is bedongen. . 2.
  7. Gedaagde partij zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op: dagvaarding € 100,89 griffierecht € 996,00 salaris gemachtigde € 480,00 (1 x tarief € 480,00) totaal € 1.576,89 3De beslissing De kantonrechter 3.
  8. veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan: eisende partij sub 1 een bedrag van € 27.685,45, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 27.607,37 vanaf 9 januari 2020 tot de dag van volledige betaling, eisende partij sub 2 een bedrag van € 2.083,98, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.078,10 vanaf 9 januari 2020 tot de dag van volledige betaling, eisende partij sub 3 een bedrag van € 429,76, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 428,55 vanaf 9 januari 2020 tot de dag van volledige betaling, eisende partij sub 4 een bedrag van € 87,30, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 87,10 vanaf 9 januari 2020 tot de dag van volledige betaling, 3.
  9. veroordeelt gedaagde partij in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 1.576,89, 3.
  10. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 3.
  11. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken. type: JEC

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.