vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer / rolnummer: C/03/273209 / HA ZA 20-43 Vonnis van 21 oktober 2020 in de zaak van 1 [eiser sub 1] ,
(2017), bevat in de artikelen 6.1 en 6.3 (welke artikelen zijn overgenomen in artikel 3 van de leveringsakte) een van art. 7:17 BW afwijkende regeling. De contractueel overeengekomen regeling houdt in dat de verkopers (gedaagden) instaan voor de afwezigheid van gebreken die een normaal gebruik van het verkochte verhinderen, tenzij het gaat om gebreken die aan de kopers (eisers) bekend waren dan wel kenbaar waren op het moment van het tot stand komen van de koopovereenkomst. Alle andere zichtbare en onzichtbare gebreken worden daarmee door de kopers aanvaard en zijn dus voor hun rekening en risico. Bij arrest van 23 december 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AU2414) heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de vraag wat onder het begrip “normaal gebruik”, als bedoeld in artikel 6.3 van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst, moet worden verstaan. De Hoge Raad heeft vooropgesteld dat de uitleg van het begrip dient te geschieden met inachtneming van de zogenaamde “Haviltex-maatstaf” (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635). Vervolgens heeft de Hoge Raad overwogen: “Indien partijen bij de schriftelijke vastlegging van hun overeenkomst gebruikmaken van een standaardakte waarin een beding voorkomt dat, zoals art. 5.3 (Rb: hier art. 6.3) van de standaard NVM-koopakte, als voorgedrukte verklaring van de verkoper bevat dat de verkochte zaak de feitelijke eigenschappen zal bezitten die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn, zal uitgangspunt voor de uitleg van dit beding dienen te zijn dat ‘normaal gebruik’ betrekking heeft op wat daaronder naar gangbaar spraakgebruik wordt verstaan ten aanzien van de grond alsmede van de ten tijde van de verkoop zich daarop bevindende bebouwing.” 4.5. De rechtbank is van oordeel dat onder “normaal gebruik” in dit geval moet worden verstaan dat de woning voor bewoning geschikt is. De rechtbank is van oordeel dat het door eisers gestelde gebrek niet aan normaal gebruik van de woning in de weg staat. In dat oordeel betrekt de rechtbank dat eisers tijdens de mondelinge behandeling hebben erkend dat geen sprake is van vocht c.q. een vochtprobleem aan de binnenzijde van de woning. Voorts is door eisers de juistheid van de passage uit het rapport van EFF EFF niet, althans onvoldoende weersproken, waaruit blijkt dat het onwaarschijnlijk is dat zich tekenen van vocht aan de binnenzijde van de woning kunnen voordoen. EFF EFF verklaart in dat verband dat de hoeveelheid binnendringend vocht daarvoor te gering is en dat de aanwezige spouwvulling binnendringend vocht niet gemakkelijk laat passeren. Verder betrekt de rechtbank in dat oordeel dat uit de stellingen van eisers, waaronder specifiek het rapport van BB, niet gebleken is dat sprake is van een constructief gebrek aan de woning. Weliswaar is zichtbaar dat de verflaag op diverse plaatsen loskomt en dat incidenteel ook stukken steen van de gevel losgeraakt zijn, maar daaruit volgt niet, althans niet zonder nadere toelichting die ontbreekt, dat de woning in constructieve zin is aangetast. Ook daaruit kan derhalve niet de conclusie worden getrokken dat de woning niet voor bewoning geschikt zou zijn. 4.6. Daarbij komt dat de rechtbank van oordeel is dat het door eisers gestelde gebrek voor hen kenbaar was, althans voor hen had moeten zijn. Tijdens de mondelinge behandeling hebben eisers immers erkend dat zij voor het sluiten van de koopovereenkomst de door gedaagden ingevulde vragenlijst hebben gezien, waarop gedaagden hebben aangegeven dat na de winter de verf op de buitenmuren loslaat en soms zelfs stukjes steen. Onder die omstandigheid mocht van eisers worden verwacht dat zij nader onderzoek zouden doen naar de oorzaken van het loskomen van verflagen en (soms zelfs) stukjes steen. Dat geldt te meer nu zij daarvoor ook ruim de gelegenheid hebben gehad. Zij hebben voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst de woning meermaals bezichtigd, waarbij zowel een aannemer als een bouwkundige aanwezig zijn geweest. Gelet daarop valt dan ook niet in te zien dat een en zo ja, welke, garantieverplichting is geschonden door gedaagden dan wel welke mededeling(
- en)gedaagde niet hebben gedaan, maar wel hadden moeten doen. 4.7. Uit al het vooroverwogene volgt dat niet is gebleken dat het gekochte niet geschikt is voor normaal gebruik als woning noch dat gedaagden een op hen rustende mededelingsplicht hebben geschonden. Er is dan ook geen sprake van non-conformiteit. De primaire vordering wordt afgewezen. dwaling 4.8. Subsidiair hebben eisers zich beroepen op dwaling ex art. 6:228 BW, daarbij stellende dat zij de koopovereenkomst niet, althans niet tegen de overeengekomen koopprijs zouden hebben gesloten bij een juiste voorstelling van zaken. Het nadeel dat eisers door de door hen gestelde dwaling lijden, te weten de herstelkosten, moet op grond van het bepaalde in artikel 6:230 BW volgens hen worden opgeheven. 4.9. In artikel 6:228 lid 1 BW is het volgende bepaald: "1 Een overeenkomst die is tot stand gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, is vernietigbaar: a. indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten; b. indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten; c. indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden. 4.10. Eisers hebben niet, althans onvoldoende concreet toegelicht op welke van de drie situaties (a, b en
- c)zij doelen. Mogelijk bedoelen eisers situatie a, maar zij lichten niet toe aan welke specifieke inlichting van gedaagden hun (veronderstelde) dwaling dan te wijten zou zijn. Dat klemt te meer nu eisers er in de vragenlijst al op gewezen zijn dat verf en (soms zelfs) stukjes steen van de buitenmuren loskomen. Als eisers doelen op situatie b, dan is onduidelijk wat gedaagden wisten over de (veronderstelde) dwaling van eisers en waarom zij gedaagden dan hadden behoren in te lichten. Eisers hebben in dit verband niet aan hun stelplicht voldaan. Om die reden kan het beroep op dwaling niet slagen. De subsidiaire vordering wordt ook afgewezen. gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomst 4.11. Meer subsidiair hebben eisers gesteld dat de tekortkoming ernstig genoeg is om een gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst te rechtvaardigen ten gevolge waarvan de koopprijs van de woning ex art. 6:720 (de rechtbank leest: 6:270) BW dient te worden verminderd met de herstelkosten van de woning. De rechtbank gaat, onder verwijzing naar al hetgeen zij hiervoor al heeft overwogen, ook hieraan als onvoldoende gesteld voorbij. Er is gesteld noch gebleken is van een tekortkoming in de nakoming van (een van
- de)verbintenissen door gedaagden. Het meer subsidiair gevorderde wordt ook afgewezen. proceskosten 4.12. Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding, tot op heden aan de kant van gedaagden begroot op € 914,00 (griffierecht), € 2.148,00 (salaris advocaat: 2 punten conform de toepasselijke liquidatietariefgroep IV van € 1.074,00), derhalve in totaal € 3.062,00. 5De beslissing De rechtbank 5.1. wijst de vorderingen af, 5.2. veroordeelt eisers in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van gedaagden begroot op € 3.062,00. Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J. Noelmans en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2020. type: JC