← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2020:8284

RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 8519216 CV EXPL 20-2188 Vonnis van de kantonrechter van 14 oktober 2020 in de zaak van: de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., gevestigd te Apeldoorn, eisende partij, gemachtigde drs. M.D. Brouwer MSc, tegen [gedaagde partij] , wonend te [woonplaats] , gedaagde partij, procederen in persoon. Partijen zullen hierna Achmea en [gedaagde partij] genoemd worden. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de conclusie van antwoord de conclusie van repliek. 1.
  2. Hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, heeft [gedaagde partij] geen conclusie van dupliek genomen. Hij heef ook niet om uitstel daarvoor gevraagd. 1.
  3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2Het geschil en de beoordeling 2.
  4. Achmea vordert [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van € 288,86, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 239,30 vanaf de dag van dagvaarding (15 april 2020) tot de dag van betaling. 2.
  5. Het bedrag van € 288,86 is als volgt opgebouwd: onbetaalde premies € 239,30 wettelijke rente tot 15 april 2020 € 1,16 buitengerechtelijke kosten (incl. btw) € 48,
  6. 2.
  7. Omdat [gedaagde partij] dat niet betwist, staat vast dat hij op grond van een met Achmea gesloten verzekeringsovereenkomst (voor een auto) over de periode november 2019 tot en met januari 2020 nog een bedrag van in totaal € 239,30 aan premie verschuldigd is aan Achmea. Ook betwist [gedaagde partij] niet dat hij sinds de door Achmea genoemde maandelijkse vervaldata in verzuim is met de betaling van de afzonderlijke premiebedragen. Hieruit volgt dat de gevorderde hoofdsom en de daarover gevorderde rente zal worden toegewezen. 2.
  8. De gevorderde buitengerechtelijke kosten baseert Achmea op de aan [gedaagde partij] gezonden “veertiendagenbrief” van 14 februari
  9. Deze brief voldoet aan de vereisten van art. 6:96 lid 6 BW. Het verweer van [gedaagde partij] dat hij deze brief niet ontvangen heeft, wordt verworpen. Zijn verweer op dit punt is namelijk niet eenduidig nu hij ook heeft gesteld dat hij lange tijd niet in zijn woning is geweest omdat hij in verband met corona bij zijn ouders heeft verbleven. Achmea heeft in haar reactie bij repliek er op gewezen dat het feit dat [gedaagde partij] niet in zijn woning heeft verbleven, voor zijn eigen rekening en risico komt. Aangezien [gedaagde partij] hier niet meer op gereageerd heeft, moet het ervoor gehouden worden dat de brief correct is bezorgd op het woonadres van [gedaagde partij] en dat [gedaagde partij] die brief niet (tijdig) heeft gezien doordat hij destijds elders verbleef. Dit komt dan, zoals Achmea stelt, voor rekening en risico van [gedaagde partij] . Hieruit volgt dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden toegewezen. 2.
  10. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde partij] worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van Achmea tot op heden begroot op: dagvaarding € 105,06 griffierecht € 124,00 salaris gemachtigde € 144,00 (2p. x € 72,00) Totaal: € 373,06 3De beslissing De kantonrechter 3.
  11. veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling aan Achmea van € 288,86, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 239,30 vanaf 15 april 2020 tot de dag van voldoening, 3.
  12. veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van Achmea tot op heden begroot op € 373,06, 3.
  13. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en is in het openbaar uitgesproken. Type: RW

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.