RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Burgerlijk recht / Kantonrechter Zaaknr: 8774768 BR VERZ 20-335 Beschikking van 16 oktober 2020 inzake [verzoeker] , wonend te [woonplaats 1] aan de [adres] , verzoeker, in zijn hoedanigheid van erfgenaam en belanghebbende van de nalatenschap van [erflater] , gemachtigde mr. M.M.J. Janssen. 1Verloop van de procedure 1.
- Op 23 september 2020 is door tussenkomst van mr. M.M.J. Janssen een verzoekschrift met bijlagen ontvangen. 1.
- Vervolgens is beschikking bepaald op heden. 2De feiten 2.
- Uit het verzoekschrift en de bijlagen volgt dat: - [erflater] (verder: de erflater) op [overlijdensdatum] te [gemeente ] , laatstelijk wonend [woonplaats 2] , is overleden - de erflater bij testament over zijn nalatenschap heeft beschikt - verzoeker en [zus 1] , de zus van verzoeker, op 10 juni 2020 in het bijzin van een derde schriftelijk hebben verklaard dat zij de nalatenschap van de erflater zuiver aanvaarden (productie 5) - door notaris mr. G.H.M. van Kan op 5 juni 2020 een brief aan [zus 2] , de zus van verzoeker, is verzonden waarbij voormelde notaris [zus 2] om een bevestiging vraagt van zijn veronderstelling dat zij de nalatenschap van de erflater zuiver wenst te aanvaarden vraagt of om aan te geven dat zijn veronderstelling onjuist is, - [zus 2] tot op heden geen keuze ter zake de nalatenschap van de erflater heeft uitgebracht. 2.
- Na raadpleging van het boedelregister op 23 september 2020 is gebleken dat er geen keuze van verzoeker noch de overige erfgenamen, waaronder [echtgenote erflater] , de langstlevende echtgenote van de erflater en moeder van verzoeker, in het boedelregister is geregistreerd en uit de processtukken volgt niet dat [echtgenote erflater] een keuze ter zake de nalatenschap van de erflater heeft gedaan. 3Het verzoek 3.
- Verzoeker vraagt om [zus 2] een termijn te stellen als bedoeld in artikel 4:192 lid 2 BW ten aanzien van de nalatenschap van de erflater omdat door het ontbreken van een keuze de notaris geen verklaring van erfrecht kan opmaken en de nalatenschap om die reden niet kan afwikkelen. 4De beoordeling 4.
- De erflater heeft bij uiterste wilsbeschikking beschikt dat de verdeling van zijn nalatenschap op grond van art. 4:1167 BW (oud), de zogenoemde ouderlijke boedelverdeling, tot stand dient te worden gebracht. Deze oude ouderlijke boedelverdeling lijkt op de nu bestaande wettelijke verdeling (artikel 4:13 BW doch anders dan in het geval van de wettelijke verdeling zijn bij de door de erflater tot stand gebrachte verdeling alle erfgenamen aansprakelijk voor de schulden van de nalatenschap en zij zijn in beginsel ook allemaal gehouden tot betaling daarvan. Dat de erflater in zijn testament heeft bepaald dat zijn echtgenote verplicht is om alle schulden van de nalatenschap te voldoen, doet hier niet aan af nu deze bepaling (slechts) de onderlinge draagplicht tussen de erfgenamen regelt. De onder oud recht gemaakte ouderlijke boedelverdeling heeft, ondanks de invoering van het nieuwe erfrecht op 1 januari 2003, haar geldigheid behouden (artikel 79 en artikel 127 overgangswet Nieuw BW). Dat betekent dat een vanaf 1 januari 2003 opengevallen nalatenschap waarvoor ouderlijke boedelverdeling geldt, de regels van het nieuwe erfrecht, bijvoorbeeld ten aanzien van de aanvaarding en verwerping van nalatenschappen, van toepassing zijn. Nu het verzoek op de wet is gegrond komt de kantonrechter niet toe aan beoordeling van de door verzoeker daarbij gestelde overige redenen. Het verzoek zal worden toegewezen met bepaling dat [zus 2] binnen een maand na de betekening van deze beschikking aan verzoeker zal kenbaar maken of zij de nalatenschap van de erflater zuiver dan wel beneficiair zal aanvaarden, dan wel zal verwerpen. Verzoeker dient een afschrift van de betekening en een afschrift van deze beschikking in te schrijven in het boedelregister. 4.
- Overeenkomstig het verzoek van verzoeker zullen de met het onderwerpelijke verzoek gepaard gaande proceskosten ten laste van de nalatenschap komen. 5De beslissing De kantonrechter 5.
- stelt de termijn waarop [zus 2] haar keuze omtrent aanvaarding c.q. verwerping van de nalatenschap van wijlen [erflater] dient kenbaar te maken op een maand, ingaande de dag nadat verzoeker deze beschikking aan [zus 2] heeft doen betekenen en hij onder vermelding van de gedane betekening deze samen met deze beschikking heeft ingeschreven in het boedelregister, 5.
- bepaalt dat de met het onderwerpelijke verzoek gepaard gaande proceskosten ten laste van de nalatenschap komen. Aldus gegeven door mr. R.P.J. Quaedackers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier. YT